VRAGEN OEF
H1: INLEIDING & FILMHISTORIOGRAFIE
DRIEDELIGE STRUCTUUR VAN DE FILMSECTOR. BESCHRIJF DE
TRADITIONELE DRIEDELIGE STRUCTUUR VAN DE FILMSECTOREN EN HOE
DIE IS GEWIJZIGD.
Traditionele driedelige structuur:
1. Productie: Films worden gemaakt door studio’s of onafhankelijke producenten.
2. Distributie: Films worden via distributeurs naar bioscopen gebracht.
3. Exploitation/Exhibitie: Vertoning in bioscopen aan publiek.
Wijzigingen:
- Technologische veranderingen en streamingplatforms breken klassieke keten
open.
- Distributeurs en exploitanten deels geïntegreerd in multinationals (verticale
integratie).
- Productie breidt uit naar onafhankelijke, digitale en transnationale projecten.
- Film wordt circulerend economisch product: gebruik, hergebruik, re-releases, VOD.
FILMHISTORIOGRAFIE. BEKRITISEER HET FILMHISTORISCH NARRATIEF VAN
HANDBOEKEN ZOALS COOK (2016).
Sterke punten Cook:
- Film als sociale, culturele en technologische praktijk.
- Benadrukt film als audiovisuele taal, collectief medium en maatschappelijke
invloed.
Kritiek:
- Neiging tot teleologisch verhaal: technologie → esthetiek → maatschappij.
- Westerse bias: Europa en VS centraal, andere tradities minder zichtbaar.
- Mogelijke canonisering: nadruk op grote auteurs, meesterwerken, minder
aandacht voor collectieve productie en alternatieve cinema.
CINEFILIE EN FILMHISTORISCH BEWUSTZIJN IN DE JAREN 1920: HOE EN
WAAROM?
Hoe: Publicaties, recensies en essays; cineclubs en festivals; groeiende aanwezigheid
van filmkritiek.
Waarom:
- Film werd volksvermaak en massamedia, waardoor systematisch nadenken over
erfgoed en esthetiek belangrijk werd.
- Angst voor verlies van vroege films (nitraatfilm brandbaar, instabiel).
- Ontstaan van collectief bewustzijn over cinema als culturele praktijk.
FILMARCHIEVEN. HISTORISCHE SITUERING EN FUNCTIES.
1
, VRAGEN OEF
Historisch: Ontstaan jaren 1920–1930, vaak uit noodzaak om verloren filmcultureel
erfgoed te bewaren. Voorbeelden:
- VS: Library of Congress
- Europa: Berlijn, Moskou, Parijs (Henri Langlois), Brussel (Cinematek, 1938).
Functies:
- Bewaren en beschermen tegen vernietiging.
- Documenteren, catalogiseren, tentoonstellen.
- Ondersteunen onderzoek, restauratie, educatie.
FILMHISTORIOGRAFIE: KLASSIEKE VS. REVISIONISTISCHE BENADERING.
Klassiek:
- Chronologisch, teleologisch, canoniserend, focus op auteurs en meesterwerken.
- Beperkte analytische diepgang, subjectiviteit, ‘great men’-traditie.
Revisionistisch:
- Analytisch, micro-gericht op productie, publiek en context.
- De-mythologisering, interdisciplinair, wetenschappelijk, niet-lineair.
- Herwaardering verloren films, collectieve productie, sociale en culturele context.
ESTHETISCHE FILMGESCHIEDENIS. BESPREKING EN KRITIEK.
Focust: Stijl, auteurs, genres, stromingen; meesterwerken en narratieve technieken.
Kritiek:
- Overaccent op auteurschap, onderbelicht collectief werk.
- Vaak teleologisch: evolutie van primitief → volwassen cinema.
- Negeert socio-culturele en economische factoren.
VERSCHILLENDE NARRATIEVEN IN FILMGESCHIEDENIS.
Technologisch: Evolutie van camera, geluid, kleur, breedbeeld, digitale technieken.
Economisch: Productie, distributie, exploitatie, marktstructuren.
Politiek: Film als propaganda, censuur, ideologisch instrument.
Socio-cultureel: Publiekspraktijken, bioscoopbeleving, stedelijke en sociale context.
Esthetisch: Genres, auteurs, stromingen, montage en narratief.
CASES LA GARÇONNE EN ICH GLAUB NIE MEHR AN EINE FRAU IN
REVISIONISTISCHE FILMGESCHIEDENIS.
La Garçonne (1923):
- Thema’s: genderfluïditeit, maatschappelijke grenzen.
- Belangrijk voor micro-analyse, sociaal-culturele context en censuurgeschiedenis.
Ich Glaub nie mehr an eine Frau (1930):
2
, VRAGEN OEF
- Publieksfenomeen: wachtrijen, sociale menging, massale beleving.
- Illustreert cinema als collectief en volksvermaak; niet alleen auteur-gecentreerd.
CINEMA EN INVLOED OP KUNSTENAARS ZOALS RENÉ MAGRITTE.
Invloed: “Cinematic imagination” → film verandert perceptie van ruimte, tijd, montage
en narratief.
Magritte:
- Gebruikt filmtechnieken zoals close-ups, montage, trompe-l’oeil, narrativiteit.
- Surrealistische home movies als inspiratiebron.
Algemeen: Cinema beïnvloedt literatuur, beeldende kunst, ritme en representatie.
VERSCHIL TUSSEN FILM EN CINEMA.
Film: Audiovisueel product, de geprojecteerde beelden.
Cinema: Sociale en industriële context: bioscoop, beleving, infrastructuur, industrie.
Nuance: Film is medium; cinema is maatschappelijke en culturele praktijk.
ONTSTAAN VAN FILMARCHIEVEN: DRIJFVEREN EN CONTEXT.
Drijfveren:
- Behoud van cultureel erfgoed, angst voor verlies van vroege films.
- Documentatie, educatie, onderzoek.
Context:
- 1920–1930: opkomst cinefilie, massabeleving, nieuwe academische interesse.
- Voorlopers: Library of Congress (VS), Europese archieven (Berlijn, Parijs, Brussel).
Problemen: Selectie, financiering, technische restauratie, afhankelijkheid van
distributeurs.
H2: CRASHCOURSE FILMTAAL & -ANALYSE
SITUEER PSYCHO IN HET OEUVRE VAN HITCHCOCK
Psycho (1960) staat centraal in Hitchcock’s carrière als een van zijn meest invloedrijke
thrillers. Het markeert een overgang van zijn eerdere klassieke suspensefilms (Rear
Window, Vertigo) naar een meer radicale en experimentele narratieve aanpak.
Belangrijke kenmerken:
- Narratieve breuk: Het doden van Marion Crane halverwege film was atypisch
voor Hollywood en brak de conventie van protagonistcontinuïteit.
- Visuele stijl: Gebruik van iconische close-ups, schaarse belichting, schaduw en
suggestief camerawerk (bijv. de douchescène).
- Thematische consistentie: Voortzetting van Hitchcock-thema’s: voyeurisme,
dualiteit van personages, schuld, morele ambivalentie.
- Experimentele montage: De beroemde trappenscène illustreert een bundeling
van snelle cuts, ritmische montage en motiefherhaling.
3
, VRAGEN OEF
Conclusie: Psycho combineert klassieke suspense met formele innovaties die Hitchcock’s
auteurstempel versterken, en beïnvloedt de toekomst van de horror- en thrillergenres.
ONDERZOEKSBENADERINGEN ROND FILM – TEKSTUEEL EN CONTEXTUEEL
Tekstueel / formalisme: Analyse van camerastandpunt, montage, mise-en-scène,
belichting en geluid. Bijvoorbeeld:
- De douchescène: snelle montage, diagonale bewegingen, close-ups van mes en
waterdruppels.
- Motief van spiegels en schaduwen als reflectie van dualiteit.
Contextueel / historisch: Analyse van productie, tijdsgeest en maatschappelijke
reacties. Bijvoorbeeld:
- De shock van het doden van de vrouwelijke protagonist halverwege de film.
- Controverse over geweld en seksualiteit in de vroege jaren 60.
Auteurtheorie: Hitchcock als regisseur met herkenbare stijl, thema’s van voyeurisme en
suspense.
Psychoanalytisch / ideologisch: Gebruik van Freudiaanse dualiteit (Norman vs.
Mother), voyeurisme, schuld en morele ondertoon.
MODEL VAN VANDENBUNDER
Uitleg: Vandenbunder ontwikkelde een model voor filmanalyse waarin film als semiotisch
systeem wordt ontleed:
1. Ante-filmisch / A-filmisch: Bestaande realiteit vóór de opname (decors,
rekwisieten, kleding).
2. Pro-filmisch / opname: Alles gecreëerd voor de camera, inclusief mise-en-scène
en cinematografie.
3. Schriftuur 1: Analyse van opname; hoe camerastandpunt, framing, belichting en
beweging betekenis creëren.
4. Schriftuur 2: Analyse van montage; hoe shots worden samengevoegd tot
narratieve en thematische structuren.
Kritiek:
- Sterk analytisch, gestructureerd en bruikbaar voor gedetailleerde shotanalyse.
- Minder aandacht voor kijkerservaring en cognitieve respons, waar
Bordwell/Thompson op focussen.
- Kan soms te technisch zijn en contextuele invloeden (cultureel, historisch)
onderbelichten.
BELANGRIJKSTE PARAMETERS VAN MISE-EN-SCÈNE (ANTE-FILMISCH) +
VARIABELEN
Parameters: Belichting, kostuum, decor, rekwisieten, make-up, acteursprestatie, ruimte.
Voorbeelden in Psycho:
4
H1: INLEIDING & FILMHISTORIOGRAFIE
DRIEDELIGE STRUCTUUR VAN DE FILMSECTOR. BESCHRIJF DE
TRADITIONELE DRIEDELIGE STRUCTUUR VAN DE FILMSECTOREN EN HOE
DIE IS GEWIJZIGD.
Traditionele driedelige structuur:
1. Productie: Films worden gemaakt door studio’s of onafhankelijke producenten.
2. Distributie: Films worden via distributeurs naar bioscopen gebracht.
3. Exploitation/Exhibitie: Vertoning in bioscopen aan publiek.
Wijzigingen:
- Technologische veranderingen en streamingplatforms breken klassieke keten
open.
- Distributeurs en exploitanten deels geïntegreerd in multinationals (verticale
integratie).
- Productie breidt uit naar onafhankelijke, digitale en transnationale projecten.
- Film wordt circulerend economisch product: gebruik, hergebruik, re-releases, VOD.
FILMHISTORIOGRAFIE. BEKRITISEER HET FILMHISTORISCH NARRATIEF VAN
HANDBOEKEN ZOALS COOK (2016).
Sterke punten Cook:
- Film als sociale, culturele en technologische praktijk.
- Benadrukt film als audiovisuele taal, collectief medium en maatschappelijke
invloed.
Kritiek:
- Neiging tot teleologisch verhaal: technologie → esthetiek → maatschappij.
- Westerse bias: Europa en VS centraal, andere tradities minder zichtbaar.
- Mogelijke canonisering: nadruk op grote auteurs, meesterwerken, minder
aandacht voor collectieve productie en alternatieve cinema.
CINEFILIE EN FILMHISTORISCH BEWUSTZIJN IN DE JAREN 1920: HOE EN
WAAROM?
Hoe: Publicaties, recensies en essays; cineclubs en festivals; groeiende aanwezigheid
van filmkritiek.
Waarom:
- Film werd volksvermaak en massamedia, waardoor systematisch nadenken over
erfgoed en esthetiek belangrijk werd.
- Angst voor verlies van vroege films (nitraatfilm brandbaar, instabiel).
- Ontstaan van collectief bewustzijn over cinema als culturele praktijk.
FILMARCHIEVEN. HISTORISCHE SITUERING EN FUNCTIES.
1
, VRAGEN OEF
Historisch: Ontstaan jaren 1920–1930, vaak uit noodzaak om verloren filmcultureel
erfgoed te bewaren. Voorbeelden:
- VS: Library of Congress
- Europa: Berlijn, Moskou, Parijs (Henri Langlois), Brussel (Cinematek, 1938).
Functies:
- Bewaren en beschermen tegen vernietiging.
- Documenteren, catalogiseren, tentoonstellen.
- Ondersteunen onderzoek, restauratie, educatie.
FILMHISTORIOGRAFIE: KLASSIEKE VS. REVISIONISTISCHE BENADERING.
Klassiek:
- Chronologisch, teleologisch, canoniserend, focus op auteurs en meesterwerken.
- Beperkte analytische diepgang, subjectiviteit, ‘great men’-traditie.
Revisionistisch:
- Analytisch, micro-gericht op productie, publiek en context.
- De-mythologisering, interdisciplinair, wetenschappelijk, niet-lineair.
- Herwaardering verloren films, collectieve productie, sociale en culturele context.
ESTHETISCHE FILMGESCHIEDENIS. BESPREKING EN KRITIEK.
Focust: Stijl, auteurs, genres, stromingen; meesterwerken en narratieve technieken.
Kritiek:
- Overaccent op auteurschap, onderbelicht collectief werk.
- Vaak teleologisch: evolutie van primitief → volwassen cinema.
- Negeert socio-culturele en economische factoren.
VERSCHILLENDE NARRATIEVEN IN FILMGESCHIEDENIS.
Technologisch: Evolutie van camera, geluid, kleur, breedbeeld, digitale technieken.
Economisch: Productie, distributie, exploitatie, marktstructuren.
Politiek: Film als propaganda, censuur, ideologisch instrument.
Socio-cultureel: Publiekspraktijken, bioscoopbeleving, stedelijke en sociale context.
Esthetisch: Genres, auteurs, stromingen, montage en narratief.
CASES LA GARÇONNE EN ICH GLAUB NIE MEHR AN EINE FRAU IN
REVISIONISTISCHE FILMGESCHIEDENIS.
La Garçonne (1923):
- Thema’s: genderfluïditeit, maatschappelijke grenzen.
- Belangrijk voor micro-analyse, sociaal-culturele context en censuurgeschiedenis.
Ich Glaub nie mehr an eine Frau (1930):
2
, VRAGEN OEF
- Publieksfenomeen: wachtrijen, sociale menging, massale beleving.
- Illustreert cinema als collectief en volksvermaak; niet alleen auteur-gecentreerd.
CINEMA EN INVLOED OP KUNSTENAARS ZOALS RENÉ MAGRITTE.
Invloed: “Cinematic imagination” → film verandert perceptie van ruimte, tijd, montage
en narratief.
Magritte:
- Gebruikt filmtechnieken zoals close-ups, montage, trompe-l’oeil, narrativiteit.
- Surrealistische home movies als inspiratiebron.
Algemeen: Cinema beïnvloedt literatuur, beeldende kunst, ritme en representatie.
VERSCHIL TUSSEN FILM EN CINEMA.
Film: Audiovisueel product, de geprojecteerde beelden.
Cinema: Sociale en industriële context: bioscoop, beleving, infrastructuur, industrie.
Nuance: Film is medium; cinema is maatschappelijke en culturele praktijk.
ONTSTAAN VAN FILMARCHIEVEN: DRIJFVEREN EN CONTEXT.
Drijfveren:
- Behoud van cultureel erfgoed, angst voor verlies van vroege films.
- Documentatie, educatie, onderzoek.
Context:
- 1920–1930: opkomst cinefilie, massabeleving, nieuwe academische interesse.
- Voorlopers: Library of Congress (VS), Europese archieven (Berlijn, Parijs, Brussel).
Problemen: Selectie, financiering, technische restauratie, afhankelijkheid van
distributeurs.
H2: CRASHCOURSE FILMTAAL & -ANALYSE
SITUEER PSYCHO IN HET OEUVRE VAN HITCHCOCK
Psycho (1960) staat centraal in Hitchcock’s carrière als een van zijn meest invloedrijke
thrillers. Het markeert een overgang van zijn eerdere klassieke suspensefilms (Rear
Window, Vertigo) naar een meer radicale en experimentele narratieve aanpak.
Belangrijke kenmerken:
- Narratieve breuk: Het doden van Marion Crane halverwege film was atypisch
voor Hollywood en brak de conventie van protagonistcontinuïteit.
- Visuele stijl: Gebruik van iconische close-ups, schaarse belichting, schaduw en
suggestief camerawerk (bijv. de douchescène).
- Thematische consistentie: Voortzetting van Hitchcock-thema’s: voyeurisme,
dualiteit van personages, schuld, morele ambivalentie.
- Experimentele montage: De beroemde trappenscène illustreert een bundeling
van snelle cuts, ritmische montage en motiefherhaling.
3
, VRAGEN OEF
Conclusie: Psycho combineert klassieke suspense met formele innovaties die Hitchcock’s
auteurstempel versterken, en beïnvloedt de toekomst van de horror- en thrillergenres.
ONDERZOEKSBENADERINGEN ROND FILM – TEKSTUEEL EN CONTEXTUEEL
Tekstueel / formalisme: Analyse van camerastandpunt, montage, mise-en-scène,
belichting en geluid. Bijvoorbeeld:
- De douchescène: snelle montage, diagonale bewegingen, close-ups van mes en
waterdruppels.
- Motief van spiegels en schaduwen als reflectie van dualiteit.
Contextueel / historisch: Analyse van productie, tijdsgeest en maatschappelijke
reacties. Bijvoorbeeld:
- De shock van het doden van de vrouwelijke protagonist halverwege de film.
- Controverse over geweld en seksualiteit in de vroege jaren 60.
Auteurtheorie: Hitchcock als regisseur met herkenbare stijl, thema’s van voyeurisme en
suspense.
Psychoanalytisch / ideologisch: Gebruik van Freudiaanse dualiteit (Norman vs.
Mother), voyeurisme, schuld en morele ondertoon.
MODEL VAN VANDENBUNDER
Uitleg: Vandenbunder ontwikkelde een model voor filmanalyse waarin film als semiotisch
systeem wordt ontleed:
1. Ante-filmisch / A-filmisch: Bestaande realiteit vóór de opname (decors,
rekwisieten, kleding).
2. Pro-filmisch / opname: Alles gecreëerd voor de camera, inclusief mise-en-scène
en cinematografie.
3. Schriftuur 1: Analyse van opname; hoe camerastandpunt, framing, belichting en
beweging betekenis creëren.
4. Schriftuur 2: Analyse van montage; hoe shots worden samengevoegd tot
narratieve en thematische structuren.
Kritiek:
- Sterk analytisch, gestructureerd en bruikbaar voor gedetailleerde shotanalyse.
- Minder aandacht voor kijkerservaring en cognitieve respons, waar
Bordwell/Thompson op focussen.
- Kan soms te technisch zijn en contextuele invloeden (cultureel, historisch)
onderbelichten.
BELANGRIJKSTE PARAMETERS VAN MISE-EN-SCÈNE (ANTE-FILMISCH) +
VARIABELEN
Parameters: Belichting, kostuum, decor, rekwisieten, make-up, acteursprestatie, ruimte.
Voorbeelden in Psycho:
4