• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 8 van de 51 pagina's
Samenvatting

SAMENVATTING Beginselen Recht Kinesitherapeuten

Document preview thumbnail
Voorbeeld 8 van de 51 pagina's

samenvatting volgens de cursus aangevuld met notities en alle artikelen die vermeld zijn in de les. Artikelen uit de reader staan dus telkens vermeld in het rood doorheen de samenvatting.

Voorbeeld van de inhoud

BEGINSELEN VAN RECHT: KINÉ




1

, DEEL 1: BASISBEGRIPPEN VAN
HET RECHT
HOOFDSTUK 1: BASISBEGRIPPEN

1. Het begrip recht
1.1. Omschrijving & oorsprong
 Recht is niet eenduidig te definiëren; het kent vele definities.
 Mogelijke betekenissen:
o Recht als rechtvaardigheid (abstract doel)
o Recht als rechtspreken
o Rechten hebben = subjectief recht
o Rechten als afdwingbare regels

 Oorspronkelijk leefde men in een natuurstaat (recht van de sterkste, conflicten door
schaarste).
 Recht maakt de overgang naar een rechtsstaat:
o Mensen maken afspraken
o Macht wordt aan het recht gegeven
o Doel: vrede, veiligheid, verdeling van middelen

 Recht ondersteunt menselijke ontplooiing (rust, privacy, bescherming, voedsel…)
 Positief recht = de geldende rechtsregels op een bepaald moment in een bepaalde staat.
 Een “Macht” vaardigt wetten uit en dwingt ze af; soort macht hangt af van normen/waarden
(dictatuur, democratie…)
 In België: ordening van maatschappelijk leven, algemeen belang, rechtvaardigheid.

1.2. Objectief en subjectief recht: “twee zijden van dezelfde munt”

A. Objectief recht
= Geheel van algemene gedragsregels, opgelegd door een bevoegde overheid, gericht op
maatschappelijke ordening, en afdwingbaar.

Kenmerken:
1. Algemene gedragsregels
o Normatieve bepaling: zeggen hoe het hoort te zijn, niet hoe het is
 Regels leggen een bepaald gedrag op of verbieden het
 Kan gaan over bepaald gedrag (positief of negatief; bevel, verbod,
toelating) of onbepaald gedrag (regel die een belofte inhoud)
o Toepasbaar op onbepaald aantal gevallen
o Gericht op rechtvaardigheid: algemene regels
o Niet elke sociale regel is een rechtsregel (denk aan leefregels: etentje ≠ contract)
 Objectief recht handelt over rechtsverhoudingen
2. Opgelegd door bevoegde overheid
o Dan pas is een regel een rechtsregel, bevoegde overheid is niet de enige met die
macht


2

, 3. Ordening van de samenleving alsook rechtvaardige samenleving
o Betekent niet dat het altijd zal slagen
4. Afdwingbaarheid
o Monopolie van de overheid: overheid vaardigt ze uit + dwingt ze af (“hard maken”)
o Verbod op eigenrichting = recht niet in eigen handen nemen (uitz. wettige
zelfverdediging)

Positief recht = objectief recht zoals het vandaag geïnterpreteerd wordt.
 Bv; oude wet maar hoe ze vandaag geïnterpreteerd wordt.

Symboliek van “Vrouwe Justitia”:
 Blinddoek = onpartijdigheid
 Weegschaal = belangenafweging, alles aanhoren en afwegen
 Zwaard = beslissingsmacht

B. Subjectief recht
= De aanspraak die een individu uit het objectief recht kan halen. Resulteert meestal in een claim
 “het individualiseren van objectieve rechtsregels”
 Bv; vrouw wil met een affaire huwen, volgens Art. 147 mag je geen tweede huwelijk
aangaan
o Objectief recht = art. 147 / Subjectief recht = claim dat de man naar de rechtbank
brengt

Soorten:
 Burgerlijke subjectieve rechten: privaat; persoonlijkheids-, familiale en vermogensrechten.
 Politieke subjectieve rechten: rechten als burger t.o.v. overheid (bv. stemrecht).

Bronnen van subjectieve rechten:
1. Feit (werkelijke gebeurtenis)
2. Rechtsfeit (feit met rechtsgevolgen; zowel natuurlijke gebeurtenis als menselijk gedraging)
o Bv opzettelijke kwetsing bij diefstal
3. Rechtshandeling (bewuste handeling met rechtsgevolgen; bv. contract opstellen)

Voorbeeld: feit = bliksemflits / rechtsfeit = blikseminslag / rechtshandeling = brandverzekering
sluiten

1.3. Pedagogische opdeling van het recht
 Het recht moet coherent zijn, maar wordt pedagogisch opgedeeld in rechtstakken.

A. Nationaal – Internationaal – Supranationaal
 Nationaal recht: binnen één staat (bv. Belgisch recht).
 Internationaal recht: tussen staten onderling (VN, NAVO…  klimaatakkoorden).
 Supranationaal recht: boven staten, met gedeelde soevereiniteit (EU-recht).
o Rechtsregels uitgevaardigd door organen van een instelling gecreëerd door aantal een
staten

B. Publiekrecht – Privaatrecht
 Publiekrecht: organisatie + werking vd staat & verhouding tss: overheid-burger / overheid-
overheid.
 Privaatrecht: verhoudingen tussen burgers.



3

,  Verder onderverdeel met gemengde rechtstakken (overlap): bv. sociaal recht,
ondernemingsrecht
 Europees recht beïnvloedt beide rechten (bv. aanbestedingen, consumentenrecht).

2. Rechtssubject en rechtsobject

2.1. Rechtssubject
= Drager / titularis van subjectieve rechten en plichten = uiteindelijke bestemmeling vh recht
 Alle natuurlijke personen dus want geen slavernij of burgerlijke dood meer
A. Natuurlijke personen
 Mensen van vlees en bloed ( toon = virtueel, lijk ≠ natuurlijk persoon)
 Vanaf geboorte tot overlijden.
 Ongeboren kind = rechtssubject indien voordelig én levend/levensvatbaar geboren.
 Vreemdelingen en illegalen hebben basisrechten (bv. dringende medische hulp).
 Dieren = geen rechtssubject (wel bijzondere categorie = rechtsobject).

B. Rechtspersonen
= Juridische constructies met rechten en plichten (BVBA, NV, VZW…).
 Alle schulden die je aangaat met je BVBA kan enkel uitgeoefend worden op jouw BVBA en
niet op jou privé vermogen
Principes:
 Wettelijkheidsbeginsel: wettelijke basis vereist voor de oprichting
 Doelbeperking: rechtspersoon moet binnen doel blijven.

Soorten:
 Privaatrechtelijke rechtspersonen: vennootschappen, VZW, stichtingen.
 Publiekrechtelijke rechtspersonen: overheidsinstellingen staat, gewesten,
gemeenschappen, OCMW, RIZIV, VN…
Feitelijke vereniging = GEEN rechtspersoon.
 Groep met dezelfde doelstelling maar niet als zelfstandige juridische eenheid
o = GEEN rechtssubject en heeft dus geen rechtsbekwaamheid

C. Bekwaamheid
Onderscheid tussen feitelijke (kunnen) en juridische (mogen) bekwaamheid.
 Feitelijke bekwaamheid weinig met recht te maken (“kan iemand met auto rijden?”)

Juridische bekwaamheid: wat mag een rechtssubject doen?
1. Rechtsbekwaamheid
o Welke rechten en plichten iemand kan hebben
o Alle natuurlijke en rechtspersonen zijn rechtsbekwaam
o Mogelijke gedeeltelijke onbekwaamheid (bv. rijverbod) maar niet volledig
2. Handelingsbekwaamheid
o Rechten die we zelfstandig mogen uitvoeren  belangrijker dan
rechtsbekwaamheid
o Minderjarigen: niet handelingsbekwaam tot 18j → bijstand nodig
o Personen met VE of dementie: gedeeltelijk handelingsonbekwaam

2.2. Rechtsobject
= Voorwerpen die voorwerp kunnen zijn van rechten/plichten (huis, grond, auto…).


4

,Je kunt ze bv afstaan binnen wettelijke grenzen




HOOFDSTUK 2: BRONNEN VAN HET RECHT

1. Materiële bronnen
= Verklaren waarom het recht is zoals het is (legitimiteit, inhoud). Gebaseerd op:
 Wetenschap
 Politieke opvattingen
 Redelijkheid
 Klimaat, religie, demografie…
Voorbeeld: homohuwelijk wel in België, niet in Duitsland.

2. Formele bronnen
= Vindplaatsen van het recht (legaliteit). Een rechtseis moet gebaseerd zijn op een formele bron.
 Rechtseis kan niet zomaar o.b.v. materiële bron beargumenteerd worden waarom het geld

2.1. Bindende formele bronnen
A. Wetgeving
= Schriftelijke rechtsnorm, uitgevaardigd door bevoegd orgaan  belangrijkste
Twee betekenissen:
 Formeel: vorm = afkomstig van wetgevende macht
 Materieel: inhoud = algemeen bindende norm

Wetgevende machten (formele wetgeving):
 Federaal: Kamer & Senaat → wet
 Gemeenschappen/Gewesten → decreet
 Brussel → ordonnantie

Opmerkingen:
 Je kan enkel naar Hof van Cassatie / grondwettelijk hof gaan bij schending wet in de formele
zin
 Formele wetten kunnen ook niet-algemeen bindend zijn (bv. naturalisatie vreemdeling).
o Parlement kan nationaliteit aan één specifiek individu geven
 = formele zin maar niet in de materiële zin  is inhoudelijk niet-algemeen
bindend
 Gemeenten kunnen algemeen bindende regels maken, maar dit zijn geen formele wetten.
o Bv; huisvuilophaling

Beleidsniveau Wetgevende macht Akte
Federaal België – Kamer van Volksvertegenwoordigers & Senaat Wet
Gemeenschappen Vlaamse – Vlaams Parlement Decreet
Frans – Parlement van de Franse Gemeenschap Decreet
Duitstalige – Duitstalig gemeenschapparlement Decreet
Gewesten Vlaamse – Idem Vlaamse Gemeenschap Decreet
Waalse – Waals Parlement Decreet

5

, Brussels hoofdstedelijk – Brussels Hoofdstedelijk parlement Ordonnantie




B. Gewoonte
Voorwaarden:
1. Feitelijk element: bepaald gedrag van rechtssubject
2. Psychologisch element: overtuiging vd burger dat dit norm is

Voorbeelden:
 Lopende zaken bij ontslagnemende regering
 Hoogte van hagen is regionaal verschillend
 Sectorgebonden gewoontes (diamantsector)

C. Algemene rechtsbeginselen = ARB
= Fundamentele ongeschreven regels over toepassing vh recht
 Moet rekening mee gehouden worden, ook door hoven en rechtbanken

Voorbeelden:
 Verbod op rechtsmisbruik
 Rechten van verdediging

D. Billijkheid Art. 6.10 BW (minderjarigen)
= Redelijkheid bij toepassing van de wet. Rechter mag rekening houden met wat redelijk is.

2.2. Gezaghebbende formele bronnen

A. Rechtspraak
= Uitspraken van rechters.
 Niet bindend, maar gezaghebbend. Oordeelt altijd in concreet geval / situatie
 Belangrijk bij interpretatie van onduidelijke wetten en bij lacunes (gaten in de wet)
 Hof van Cassatie heeft groot gezag: kleinere rechters zullen zich er naar richten
 In common law (VS/UK): percentages zijn bindend aan rechtspraak (anders dan België).

B. Rechtsleer of doctrine
= Wetenschappelijke publicaties van juristen.
 Analytisch, kritisch, creatief
 Beïnvloedt wetgevers en rechters
 Helpt oplossingen bieden bij lacunes




6

, DEEL 2: PUBLIEK RECHT
HOOFDSTUK 1 + 2: BASISBEGRIPPEN + FEDERALE- &
DEELSTATEN
1. België als rechtsstaat
 Rechtsstaat = rechtssubjecten zijn onderworpen aan vaste, algemene, onpersoonlijke en
voorspelbare rechtsregels voor burgers én overheid.

 Grondrechten = fundamentele rechten die rechtszekerheid en rechtsgelijkheid bevorderen.
Geen keuze. GW titel II = iedereen is gelijk voor de wet
o Art. 10: gelijkheidsbeginsel = materiële wet moet op dezelfde wijze worden
toegepast. Ander moet je dit objectief verantwoorden.
o Art. 11: non-discriminatiebeginsel = overheid mag niet discrimineren en moet
minderen beschermen (gelijke situatie gelijk behandelen & een ongelijke, ongelijke behandelen)
o Art. 12–14: wettigheidsbeginsel (geen straf zonder wettelijke basis)
o Art. 14bis: afschaffing doodstraf
o Art. 19: vrijheid van mening/pers
o Art. 22: recht op privacy
o Art. 22bis: kinderrechten
o Art. 23: sociaal-economische en culturele rechten
o Art. 24: vrijheid van onderwijs
o Art. 32: openbaarheid van bestuur (bis/tris = later
ingevoerd)

2. België als soevereine natie
 Soevereiniteit: Belgische staat, geen verantwoording nodig aan andere staten
o = hoogste gezag binnen Belgisch grondgebied, onafhankelijk van andere staten.

 Natie = abstracte machtsoorsprong, bestaande uit het Belgische volk (art. 33 GW: “alle
machten gaan uit van de natie” niet van een goddelijke wil, koning of andere ideologie).

3. Scheiding der machten
 Oorsprong: Montesquieu – drie machten moeten gescheiden zijn voor evenwicht en
controle.
o Voorloper van checks and balances
 Niet expliciet in GW, maar algemeen rechtsbeginsel.

Macht Artikel GW Functie
Wetgevend Art. 36 Maakt wetten, bepaalt algemene regels (abstracto)
Uitvoerend Art. 37 Past wetten toe, dagelijks bestuur (concreto)
Rechterlijk Art. 40 Beslecht individuele geschillen

 Checks & balances: machten controleren elkaar (bv. parlementaire onderzoekscommissie).
o Orgaan moet bij uitvoering van zijn bevoegdheden een verantwoording aan de andere
geven
 Grijze zone: wetgevende macht kan aanbevelen, maar geen bevel geven aan uitvoerende
macht.

7

, 4. België als monarchie
 Staatshoofd = koning(in)  presidentieel regime.
 Examen: ook vrouwen kunnen staatshoofd zijn.

5. Federale structuur

A. Staatsvormen
Structuur Kenmerken
Eenheidsstaat Macht bij centrale overheid
Deconcentratie Centrale overheid richt lokale instellingen op  geen eigen rechtspersoonlijkheid
Decentralisatie Bevoegdheden overgedragen aan lagere bestuursniveaus  wel eigen “ “
Federale staat Macht/soevereiniteit verdeeld tussen federale overheid en deelstaten
Confederatie Statenbond: samenwerkingsverband tussen onafhankelijke staten die afspreken om
bepaalde zaken samen te regelen, maar wel hun eigen soevereiniteit (hoogste macht)
behouden.

 België = centrifugaal federalisme (van eenheidsstaat naar federale staat gegaan).
 VS = centripetaal federalisme (van onafhankelijke staten naar federatie).
 Confederatie is vaak een tussenstap: staten gaan ofwel later nóg nauwer samenwerken (en
worden een federatie, zoals de VS), of ze gaan weer helemaal uit elkaar. (bij goede of sterken
banden)

B. Evolutie België
 Start: 1830 als eenheidsstaat, met representatieve monarchie en scheiding der machten.
 Sinds 1970: federale staat na 6 staatshervormingen.
 Reden: taalstrijd en Vlaamse ontvoogding (frans was enige officiële taal)→ officiële
tweetaligheid → 4 taalgebieden → 3 gemeenschappen + 3 gewesten.

6. Taalgebieden (art. 4 GW)
Taalgebied Provincies / Gemeenten
Nederland Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, West-Vlaanderen
s
Frans Henegouwen, Luik (excl. Duitstalige gemeenten), Luxemburg, Namen, Waals-
Brabant
Tweetalig Brussel-Hoofdstad (19 gemeenten)
Duits Aantal gemeenten in provincie Luik
 Elke gemeenten vallen onder één taalgebied.
 Faciliteiten voor taalminderheden in bepaalde gemeenten.

7. Deelstaten (2 soorten)
3 kenmerken van deelstaten:
1. Autonomie: ze zijn zelfstandige rechtspersonen = eigen: organen, bevoegdheden en
financiën
2. Participatie: ze nemen deel aan federale besluitvorming (voor wat hun statuut betreft)
3. Coöperatie: samenwerking tussen deelstaten onderling + met de federale overhei

8

Inhoudsopgave

  1. 01 HOOFDSTUK 1: BASISBEGRIPPEN 2
  2. 02 1. Het begrip recht 2
    1. 1.1. Omschrijving & oorsprong 2
    2. 1.2. Objectief en subjectief recht: “twee zijden van dezelfde munt” 2
    3. 1.3. Pedagogische opdeling van het recht 3
  3. 03 2. Rechtssubject en rechtsobject 4
    1. 2.1. Rechtssubject 4
    2. 2.2. Rechtsobject 4
  4. 04 HOOFDSTUK 2: BRONNEN VAN HET RECHT 5
  5. 05 1. Materiële bronnen 5
  6. 06 2. Formele bronnen 5
    1. 2.1. Bindende formele bronnen 5
    2. 2.2. Gezaghebbende formele bronnen 6
  7. 07 HOOFDSTUK 1 + 2: BASISBEGRIPPEN + FEDERALE- & DEELSTATEN 7
  8. 08 1. België als rechtsstaat 7
  9. 09 2. België als soevereine natie 7
  10. 10 3. Scheiding der machten 7
  11. 11 4. België als monarchie 8
  12. 12 5. Federale structuur 8
    1. A. Staatsvormen 8
    2. B. Evolutie België 8
  13. 13 6. Taalgebieden (art. 4 GW) 8
  14. 14 7. Deelstaten (2 soorten) 8
    1. A. Gewesten (grondgebonden) 9
    2. B. Gemeenschappen (taal- en persoonsgebonden) 9
  15. 15 8. Territoriale decentralisatie (EXAMEN) 9
    1. Provinciaal niveau 9
    2. Gemeentelijk niveau 9
  16. 16 HOOFDSTUK 3: DE DRIE MACHTEN 10
  17. 17 1.1. Samenstelling 10
    1. A. Federale Wetgevende Macht 10
    2. B. Wetgevende macht in de deelstaten 11
  18. 18 1.2. Totstandkoming van wetten 11
    1. Stappenplan – Hoe komt een wet tot stand? 11
    2. Alarmbelprocedure (art. 54 GW) 12
  19. 19 1.3. Herziening van de Grondwet (art. 195 GW) 12
  20. 20 2.1. Samenstelling 13
    1. A. Federale Uitvoerende Macht 13
    2. B. Uitvoerende macht in de deelstaten 14
  21. 21 2.2. Bevoegdheid van de uitvoerende macht 14
  22. 22 Bijzondere bevoegdheden van de Koning 15
  23. 23 2.3. Totstandkoming van besluiten 15
    1. Stappenplan – Hoe ontstaat een KB? 15
  24. 24 Deelstaten 15
  25. 25 Overzicht normenhiërarchie 16
  26. 26 3.1. Vooraf 16
    1. A. Rechterlijke macht – Organieke zin (Wie?) 16
    2. B. Rechterlijke macht – Functionele zin (Wat?) 16
    3. C. Grondwettelijke basis 16
  27. 27 3.2. Inleidende begrippen en beginselen 16
    1. Onafhankelijkheid (art. 151 §1 GW)  Onpartijdigheid 16
    2. Rechtsmacht  Bevoegdheid 17
    3. Staande magistratuur  Zittende magistratuur 17
    4. Openbaar ministerie 17
  28. 28 3.3. Hoven en rechtbanken 18
    1. A. Kanton – Vrederechter 18
    2. B. Gerechtelijk arrondissement 18
    3. C. Ressort – 5 ressorten (art. 156 GW) 19
    4. D. Nationaal – Hof van Cassatie 20
  29. 29 3.4. Grondwettelijk Hof, administratieve rechtscolleges en Rekenhof 20
    1. A. Grondwettelijk Hof (art. 142 GW) 20
    2. B. Administratieve rechtscolleges (Art. 161 GW) 20
    3. C. Rekenhof 21
  30. 30 HOOFDSTUK 4: DE HIËRARCHIE VD NORMEN 21
  31. 31 1. Tegenstrijdigheid tussen wetten van verschillend niveau 22
    1. Basisregel 1 – Internationaal recht primeert op nationaal recht 22
    2. Basisregel 2 – In België: hogere norm primeert op lagere norm 22
  32. 32 2. Tegenstrijdigheid tussen wetten van hetzelfde niveau 22
    1. Basisregel 3 – De latere wet primeert op de vroegere wet 22
    2. Basisregel 4 – Bijzondere wet primeert op algemene wet 22
    3. Basisregel 5 – De wet van de bevoegde overheid primeert 22
  33. 33 HOOFDSTUK 1: BASISASPECTEN BURGERLIJK RECHT 23
  34. 34 1. RECHTSBRONNEN VAN HET PRIVAATRECHT 23
    1. Privaatrecht (burgerlijk recht) 23
  35. 35 2. DWINGEND EN AANVULLEND RECHT 23
    1. Dwingend recht 23
    2. Aanvullend recht Art. 5.3; lid 2 BW, Art. 4 § 1 (betalingsachterstand) 23
  36. 36 3. HET VERMOGEN 24
  37. 37 3.1. Vermogensleer 24
  38. 38 3.2. Vermogen als verhaalobject 24
  39. 39 3.3. Vermogensrechten =patrimoniale rechten 24
    1. A. Zakelijke rechten 24
    2. B. Persoonlijke rechten (vorderingsrechten) 25
    3. C. Intellectuele rechten 25
  40. 40 3.4. Extra‑patrimoniale rechten ( patrimoniale) 25
    1. A. Recht op eerbiediging van privéleven (privacy) 25
    2. B. Recht op afbeelding 26
  41. 41 4. VERJARING (ART. 2219 OUD BW) 27
    1. Twee soorten verjaring 27
  42. 42 HOOFDSTUK 2: VERBINTENISRECHT 27
  43. 43 1. BEGRIP VERBINTENIS(RECHT) ART. 5.1 BW 27
  44. 44 2. BRONNEN VAN VERBINTENISSEN 28
    1. 1. Overeenkomst (rechtshandeling, soort van contract) 28
    2. 2. Onrechtmatige daad 28
    3. 3. Oneigenlijke contracten = quasi‑contracten (art. 5.127 lid 3 BW) 28
  45. 45 3. BASISBEGINSELEN VAN HET CONTRACTENRECHT 28
    1. A. Wilsautonomie & contractsvrijheid (Art. 5.14 BW) 28
    2. B. Consensualisme (Art. 5.28 BW) 29
    3. C. Bindende kracht van de overeenkomst (Art. 5.69 BW – pacta sunt servanda) 29
    4. D. Goede trouw (Art. 5.73 BW) 29
  46. 46 3.1. Totstandkoming van het contract 30
    1. Precontractuele fase (Art. 5.15 BW) 30
    2. Aanbod (Art. 5.19 BW) 30
    3. Aanvaarding (Art. 5.20 BW) 30
    4. Geldigheidsvereisten (Art. 5.27 BW) 30
  47. 47 3.2. Uitvoering van het contract 30
  48. 48 A. Wanprestatie / contractbreuk (= toerekenbare niet‑nakoming) 30
    1. Overmacht (Art. 5.226 BW) 31
    2. Exoneratie bedingen = bevrijdingsbeding (Art. 5.89 BW) 31
  49. 49 B. Sancties van de schuldeiser 31
    1. Dwangsom 31
    2. Uitvoering/verderzetting van contract 32
    3. Ontbinding van het contract (Art. 5.90 BW) 32
  50. 50 C. Verweermiddelen van de schuldenaar 32
    1. 1. Exceptio non adimpleti contractus – ENAC (Art. 5.239 §1 BW) 32
    2. 2. Retentierecht 32
  51. 51 3.3. Einde van het contract 32
    1. A. Nietigheid (Art. 5.57 BW) 32
    2. B. Anticipatieve ontbinding (Art. 5.90, lid 2 BW) 33
    3. C. Prijsvermindering (Art. 5.97, lid 1 BW) 33
  52. 52 3.4. Rechtspositie van de kinesitherapeut 33
  53. 53 Hypothese A – Patiënt komt vrijwillig naar jouw praktijk 33
  54. 54 Hypothese B – Patiënt komt via het ziekenhuis 33
    1. 1. Privaat ziekenhuis 33
    2. 2. Openbare ziekenhuizen 33
  55. 55 Hypothese C – Feitelijke onmogelijkheid om te contracteren 34
  56. 56 Samenvatting van de vier situaties 34
  57. 57 4. AANSPRAKELIJKHEIDSREGIMES 34
  58. 58 4.1. Algemene situering 34
    1. Casus 1 – Toon schendt beroepsgeheim 34
    2. Casus 2 – Sien veroorzaakt gebroken ribben tijdens behandeling 35
  59. 59 Aansprakelijkheidsboom – Overzicht 35
    1. 1. Strafrechtelijke vs. burgerrechtelijke aansprakelijkheid 35
    2. 2. Contractuele vs. buitencontractuele aansprakelijkheid 35
    3. 3. Persoonlijke vs. kwalitatieve aansprakelijkheid 35
    4. 4. Foutaansprakelijkheid vs. foutloze (objectieve) aansprakelijkheid 35
  60. 60 4.2. Voorwaarden voor aansprakelijkheid 36
  61. 61 GRONDEN VAN AANSPRAKELIJKHEID 36
  62. 62 A. Persoonlijke aansprakelijkheid (Art. 6.5 BW) 36
    1. 1. Objectief bestanddeel – de daad 36
    2. 2. Subjectief bestanddeel – schuldbekwaamheid & toerekenbaarheid 36
  63. 63 B. Kwalitatieve aansprakelijkheid (Art. 6.12 – 6.17 BW) 37
    1. 1. Aansprakelijkheid van de bewaarder van een zaak (Art. 6.16 BW) 37
    2. 2. Aansprakelijkheid voor dieren 37
    3. 3. Aansprakelijkheid voor gebouwen 37
    4. 4. Aansprakelijkheid van ouders voor minderjarigen (Art. 6.12 BW) 37
    5. 5. Aansprakelijkheid van onderwijzers (Art. 6.13 BW) 38
    6. 6. Aansprakelijkheid van aanstellers (Art. 6.14 BW) 38
  64. 64 SCHADE 38
  65. 65 OORZAKELIJK VERBAND: PLURALITEIT 38
  66. 66 4.3. GEVOLG: PLICHT TOT SCHADELOOSSTELLING 39
  67. 67 4.4. SAMENLOOP EN CO‑EXISTENTIE 39
    1. 1. Strafrechtelijke + burgerrechtelijke aansprakelijkheid 39
    2. 2. Contractuele + buitencontractuele aansprakelijkheid (art. 6.3, §1, lid 1 BW) 39
  68. 68 HOOFDSTUK 3: BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN (BO) 40
  69. 69 1. Bijzondere overeenkomsten in het BW 40
    1. Vrijheid van contracteren 40
    2. Kwalificatie 40
  70. 70 2. Koopovereenkomst 40
    1. (1) Begrip (art. 1582 oud BW) 40
    2. (2) Verplichtingen van de verkoper (art. 1603 oud BW) 41
    3. (3) Verplichtingen van de koper 41
    4. (4) Consensualisme en bewijs 41
  71. 71 3. Huur van goederen 41
    1. (1) Begrip (art. 1709 oud BW) 41
    2. (2) Verplichtingen van de verhuurder (art. 1719 oud BW) 41
    3. (3) Verplichtingen van de huurder 42
    4. (4) Bezoekrecht verhuurder 42
    5. (5) Overdracht van huur (art. 1717 lid 1 oud BW) 42
    6. (6) Onderhuur (art. 1717 lid 1 oud BW) 42
    7. (7) Bijzondere huurregimes 42
  72. 72 4. Aanneming (huur van werk en diensten) 42
    1. (1) Begrip (art. 1787–1799 oud BW) 42
    2. (2) Verplichtingen van de aannemer 43
    3. (3) Verplichtingen van de opdrachtgever 43
    4. (4) Onder aanneming 43
  73. 73 5. Bewaargeving 43
    1. (1) Begrip en kenmerken 43
    2. (2) Verbintenissen 44
  74. 74 6. Lening 44
    1. A. Bruiklening 44
    2. B. Verbruiklening 44
    3. C. Verbintenissen bij lening 44
    4. D. Interest (art. 1905 oud BW) 45
  75. 75 HOOFDSTUK 4: ARBEIDSRECHT 45
  76. 76 1. Werknemer 45
    1. 1.1. Definitie: werknemer – werkgever (art. 2–3 WAO) 45
    2. 1.2. Categorieën werknemers: onderscheid 45
    3. 1.3. Plichten van de werknemer (art. 16 e.v. WAO) 46
    4. 1.4. Plichten van de werkgever (art. 20 e.v. WAO) 46
  77. 77 2. Zelfstandige 46
  78. 78 3. Jobstudent‑kinesitherapeut 46
  79. 79 HOOFDSTUK 1: EVOLUERENDE CONTEXT 47
  80. 80 HOOFDSTUK 2: AARD VH BEROEPSGHEIM 47
    1. Art. 458 Sw – Strafrechtelijke bepaling 47
  81. 81 HOOFDSTUK 3: TOEPASSINSGEBIED + INHOUD 48
    1. Wie? 48
    2. Wat is een ‘geheim’? 48
    3. Ten aanzien van wie? 48
    4. Hoe lang? 48
    5. Zwijgplicht vs. zwijgrecht 48
    6. Gedeeld beroepsgeheim 48
  82. 82 HOOFDSTUK 4: SCHENDING 48
    1. 1. Strafrechtelijke sanctie 48
    2. 2. Tuchtrecht 49
    3. 3. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid (zie deel 3: principes van (buiten-)contractuele aansprakelijkheid) 49
    4. 4. Arbeidsrechtelijke / disciplinaire sancties 49
  83. 83 HOOFDSTUK 5: UITZONDERINGEN 49
    1. 1. Gedeeld en gezamenlijk beroepsgeheim 49
    2. 2. Veiligheidsgerichte uitzonderingen 50
    3. 3. Meldrecht (art. 458bis Sw) 50
    4. 4. Patiënt‑slachtofferregel 50
  84. 84 2.3. Wettelijke verankering van spreekplicht / spreekrecht 50
    1. (1) Bescherming van minderjarigen en kwetsbare personen – art. 458bis Sw 50
    2. (2) Bescherming tegen terrorisme – art. 458ter Sw 51
  85. 85 3. Instemming van de patiënt 51
    1. Kan de patiënt zelf het beroepsgeheim opheffen? 51
  86. 86 Vereisten voor geldige instemming (informed consent) 51

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
20 januari 2026
Bestand laatst geupdate op
20 januari 2026
Aantal pagina's
51
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
$14.95

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Blokker
3.3
(3)
Verkocht
59
Volgers
2
Items
21
Laatst verkocht
2 weken geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen