Amputaties en protheses
1. Revalidatie en prothesemogelijkheden bij amputaties van de onderste ledematen
1.1. Inleiding
- Onderscheid:
Mineure amputaties: alles ter hoogt van de voet
o Deze komen het meest voor.
Majeure amputaties: vanaf de enkel en hogerop
- Frequente oorzaken (van OL):
Veel voorkomend: vaatlijden
Andere: traumatisch, maligniteiten, aangeboren
1.2. Demografie – incidentie – prevalentie
- Incidentie: 20/100 000
- Komt er een stabiele situatie?
Stijging: vergrijzing populatie, meer vaatlijden en diabetes?
Daling: betere vaatchirurgie, betere zorgt diabetische voet?
- Amputaties van de onderste ledematen:
Meest voorkomend: tenen, transtibiaal en transfemoraal
Andere: middenvoet, enkeldesarticulatie, kniedesarticulatie en heupdesarticulatie
1.3. Amputatieniveau en chirurgie
- Teenamputaties
1 teen geeft geen problemen, behalve grote teen.
> 2 tenen of de hallux:
o Leidt tot een verstoorde voet afrol en overbelasting metatarsaal kopjes.
Zorgen voor een steunzool voor het mediale gewelf.
Semi orthopedische schoen kan lengte en breedte maat gekozen worden.
- Transmetatarsale (middenvoet) amputaties:
Hier heb je nog dorsiflexoren.
Zorgen voor een steunzool met opwelling.
Een binnen schoen kan (bij te veel pijn).
o Druk kan verdeeld worden over een groot oppervlak.
Siliconen voet: geen bescherming voor voet en er kan geen steunzool in (esthetisch).
, - Lisfranc en Chopart amputatie
Kleine stompen die overblijven.
Geen hefboom of spieren.
Vaak equinovarus stand van de enkel.
Vragen om de achillespees los te maken en dorsiflexoren vast te maken.
Hier ook vaak last van drukpunten.
- Syme (6 cm) en Pirogoff (3 – 4cm) amputatie:
Vanaf hier spreek je van een majeure amputatie.
Nog een klein deel van de calcaneus om het been zo lang mogelijk te houden.
o Syme zorgt dat het been nog langer blijft.
Dan is het makkelijker om een prothese op te vestigen.
Carbon voeten: induwen en energie opslaan en energie afgeven bij zwaaifase
o Hier niet van toepassing.
- Transtibiaal (onderbeen) amputatie:
Behoud van de knie is van belang:
o Prothese is lichter.
o Minder energie nodig om te stappen.
o Grotere kans op onafhankelijke mobiliteit.
Controle over alleen de voet en niet knie en voet.
Maakt de prognose om te stappen beter.
o Als de stomp te kort is:
Kans op flexie contractuur.
We mogen de extensiemogelijkheden niet verliezen.
12,5 cm en 17 cm is ideaal.
o Te lange stomp:
Fibula heeft de neiging achter de tibia te gaan.
Deze pendelbeweging zorgt voor zenuwprikkeling (n. peroneus).
Chirurgische techniek:
o Lengte van de stomp.
o Fibula 2cm korter dan tibia (pijnreductie).
o Distale botstructuren moeten afgestompt en afgevijld worden.
o Moet gesloten worden zonder spanning anders kan het leiden tot necrose.
o Neuroom: einde van de zenuw zoekt aansluiting en dit zorgt voor littekenweefsel.
- Transfemorale amputatie (liefst 10 cm):
Grotere energiebehoefte om te stappen.
Vaak comorbiditeiten.
Te korte stomp:
o Snel flexie en abductie contracturen.
o Korte hefboom leidt tot slechte stompcontrole en moeilijke ophanging prothese.
Chirurgisch:
o Spierinserties verdwijnen.
o Adductoren (magnus) moeten vastgehecht worden.
Om de lateraalwaartse verplaatsing van de stomp tegen te gaan.
o Scherpe botranden vermijden
1. Revalidatie en prothesemogelijkheden bij amputaties van de onderste ledematen
1.1. Inleiding
- Onderscheid:
Mineure amputaties: alles ter hoogt van de voet
o Deze komen het meest voor.
Majeure amputaties: vanaf de enkel en hogerop
- Frequente oorzaken (van OL):
Veel voorkomend: vaatlijden
Andere: traumatisch, maligniteiten, aangeboren
1.2. Demografie – incidentie – prevalentie
- Incidentie: 20/100 000
- Komt er een stabiele situatie?
Stijging: vergrijzing populatie, meer vaatlijden en diabetes?
Daling: betere vaatchirurgie, betere zorgt diabetische voet?
- Amputaties van de onderste ledematen:
Meest voorkomend: tenen, transtibiaal en transfemoraal
Andere: middenvoet, enkeldesarticulatie, kniedesarticulatie en heupdesarticulatie
1.3. Amputatieniveau en chirurgie
- Teenamputaties
1 teen geeft geen problemen, behalve grote teen.
> 2 tenen of de hallux:
o Leidt tot een verstoorde voet afrol en overbelasting metatarsaal kopjes.
Zorgen voor een steunzool voor het mediale gewelf.
Semi orthopedische schoen kan lengte en breedte maat gekozen worden.
- Transmetatarsale (middenvoet) amputaties:
Hier heb je nog dorsiflexoren.
Zorgen voor een steunzool met opwelling.
Een binnen schoen kan (bij te veel pijn).
o Druk kan verdeeld worden over een groot oppervlak.
Siliconen voet: geen bescherming voor voet en er kan geen steunzool in (esthetisch).
, - Lisfranc en Chopart amputatie
Kleine stompen die overblijven.
Geen hefboom of spieren.
Vaak equinovarus stand van de enkel.
Vragen om de achillespees los te maken en dorsiflexoren vast te maken.
Hier ook vaak last van drukpunten.
- Syme (6 cm) en Pirogoff (3 – 4cm) amputatie:
Vanaf hier spreek je van een majeure amputatie.
Nog een klein deel van de calcaneus om het been zo lang mogelijk te houden.
o Syme zorgt dat het been nog langer blijft.
Dan is het makkelijker om een prothese op te vestigen.
Carbon voeten: induwen en energie opslaan en energie afgeven bij zwaaifase
o Hier niet van toepassing.
- Transtibiaal (onderbeen) amputatie:
Behoud van de knie is van belang:
o Prothese is lichter.
o Minder energie nodig om te stappen.
o Grotere kans op onafhankelijke mobiliteit.
Controle over alleen de voet en niet knie en voet.
Maakt de prognose om te stappen beter.
o Als de stomp te kort is:
Kans op flexie contractuur.
We mogen de extensiemogelijkheden niet verliezen.
12,5 cm en 17 cm is ideaal.
o Te lange stomp:
Fibula heeft de neiging achter de tibia te gaan.
Deze pendelbeweging zorgt voor zenuwprikkeling (n. peroneus).
Chirurgische techniek:
o Lengte van de stomp.
o Fibula 2cm korter dan tibia (pijnreductie).
o Distale botstructuren moeten afgestompt en afgevijld worden.
o Moet gesloten worden zonder spanning anders kan het leiden tot necrose.
o Neuroom: einde van de zenuw zoekt aansluiting en dit zorgt voor littekenweefsel.
- Transfemorale amputatie (liefst 10 cm):
Grotere energiebehoefte om te stappen.
Vaak comorbiditeiten.
Te korte stomp:
o Snel flexie en abductie contracturen.
o Korte hefboom leidt tot slechte stompcontrole en moeilijke ophanging prothese.
Chirurgisch:
o Spierinserties verdwijnen.
o Adductoren (magnus) moeten vastgehecht worden.
Om de lateraalwaartse verplaatsing van de stomp tegen te gaan.
o Scherpe botranden vermijden