Leereenheid 1: hoofdbeginselen van BPR
Leerdoelen:
- U weet wat de hoofdbeginselen inhouden;
- U weet hoe deze hoofdbeginselen zijn vastgelegd in de Grondwet, het EVRM en het
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering;
- U weet hoe de beginselen uitwerken in de wetsbepalingen van de Rv.
Enkele beginselen zijn in de Grondwet erkend. Art. 6 EVRM is van grote betekenis, hierin is
neergelegd aan welke voorwaarden een eerlijk proces moet voldoen. In deze bepaling ligt
het recht op toegang tot de rechter besloten. Dit recht op toegang tot de rechter is van
invloed op verschillende aspecten van de civiele procedure, zoals rechtsbijstand,
griffierechten, termijnen en andere procedurele beperkingen. Art. 6 EVRM heeft
rechtstreekse werking, zodat iedere burger zich hierop in de nationale rechtsorde kan
beroepen (Art. 93 Grondwet).
Hoofdbeginselen:
Art. 19 Rv → Hoor en wederhoor;
In Art. 6 EVRM en Art. 17 Gw is dit beginsel niet met zoveel woorden vastgelegd, maar
men pleegt het te begrijpen onder ‘een eerlijke behandeling van zijn zaak’. Uit het beginsel
vloeit het recht van partijen voort om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over,
alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en waarop de rechter zich
baseert bij het doen van zijn uitspraak. De rechter mag slechts beslissen aan de hand van
de stukken/inlichtingen waarvan partijen in het geding hebben kunnen kennisnemen en
waarover zij zich hebben kunnen uitlaten.
*Het recht van hoor en wederhoor blijkt in het Rv uit: Art. 45 Rv → Art. 128 Rv → Art.
131/132 Rv.
Art. 6 EVRM en Art. 17 Gw → Onpartijdigheid van de rechter;
De rechter dient zonder vooringenomenheid en niet beïnvloed door de druk van welke zijde
dan ook, de behandeling van een zaak te leiden en daarin een beslissing te geven. Zodra er
feiten of omstandigheden bestaan waardoor de onpartijdigheid van de rechter in gevaar zou
kunnen komen, kan de rechter door een procespartij worden gewraakt en kan de rechter zelf
verzoeken om zich te mogen verschonen (Art. 36-41 Rv). Het beginsel van onpartijdigheid
vloeit voort uit dat van de gelijke behandeling van partijen in een proces.
Art. 27 en 29 lid 1 Rv → Openbaarheid van behandeling en uitspraak;
Openbaarheid van rechtspraak bedoelt een waarborg voor onpartijdige behandeling te zijn
en heeft daarmee een preventieve werking. Het beginsel van openbaarheid is in
verschillende wetten vastgelegd: Art. 121 Gw, Art. 4 en 5 Wet RO en Art. 6 EVRM. Er zijn
echter uitzonderingen en deze zijn vastgelegd in Art. 27 lid 1 Rv.
Art. 30 Rv → Motivering van de beslissing;
Vonnissen, arresten en beschikkingen houden de gronden in waarop zij rusten, tenzij uit de
wet anders voortvloeit. Het motiveringsbeginsel heeft verschillende functies; het geeft
partijen inzicht in de door de rechter gevolgde gedachtegang, in de aanvaarding of
verwerping van gronden van eis en verweer, in de vaststelling, bewezenverklaring van feiten
, en in de toepassing van rechtsgronden. De motivering stelt de hogere rechter in staat de
juistheid daarvan en van de daarop berustende beslissing te beoordelen. Daarnaast dient de
motivering als waarborg voor deugdelijke rechtspraak. *De niet-inachtneming van de
motiveringsplicht is een vormverzuim.
Hoofdkenmerken:
- Partijautonomie;
- Onderzoek en beslissing in 2 instanties;
- Toezicht op de rechtspraak door het middel van cassatie;
- Verplichte procesvertegenwoordiging.
EHRM 10 januari 2017, Appl. No. 56134/08, Korzeniak/Poland
Als in verschillende fasen van dezelfde procedure dezelfde rechter optreedt, terwijl die
rechter in een eerdere fase al een inhoudelijk standpunt heeft ingenomen, kan dit volgens
het EHRM de objectieve schijn van partijdigheid wekken en daarmee een schending van
artikel 6 lid 1 EVRM opleveren.
Leerdoelen:
- U weet wat de hoofdbeginselen inhouden;
- U weet hoe deze hoofdbeginselen zijn vastgelegd in de Grondwet, het EVRM en het
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering;
- U weet hoe de beginselen uitwerken in de wetsbepalingen van de Rv.
Enkele beginselen zijn in de Grondwet erkend. Art. 6 EVRM is van grote betekenis, hierin is
neergelegd aan welke voorwaarden een eerlijk proces moet voldoen. In deze bepaling ligt
het recht op toegang tot de rechter besloten. Dit recht op toegang tot de rechter is van
invloed op verschillende aspecten van de civiele procedure, zoals rechtsbijstand,
griffierechten, termijnen en andere procedurele beperkingen. Art. 6 EVRM heeft
rechtstreekse werking, zodat iedere burger zich hierop in de nationale rechtsorde kan
beroepen (Art. 93 Grondwet).
Hoofdbeginselen:
Art. 19 Rv → Hoor en wederhoor;
In Art. 6 EVRM en Art. 17 Gw is dit beginsel niet met zoveel woorden vastgelegd, maar
men pleegt het te begrijpen onder ‘een eerlijke behandeling van zijn zaak’. Uit het beginsel
vloeit het recht van partijen voort om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over,
alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en waarop de rechter zich
baseert bij het doen van zijn uitspraak. De rechter mag slechts beslissen aan de hand van
de stukken/inlichtingen waarvan partijen in het geding hebben kunnen kennisnemen en
waarover zij zich hebben kunnen uitlaten.
*Het recht van hoor en wederhoor blijkt in het Rv uit: Art. 45 Rv → Art. 128 Rv → Art.
131/132 Rv.
Art. 6 EVRM en Art. 17 Gw → Onpartijdigheid van de rechter;
De rechter dient zonder vooringenomenheid en niet beïnvloed door de druk van welke zijde
dan ook, de behandeling van een zaak te leiden en daarin een beslissing te geven. Zodra er
feiten of omstandigheden bestaan waardoor de onpartijdigheid van de rechter in gevaar zou
kunnen komen, kan de rechter door een procespartij worden gewraakt en kan de rechter zelf
verzoeken om zich te mogen verschonen (Art. 36-41 Rv). Het beginsel van onpartijdigheid
vloeit voort uit dat van de gelijke behandeling van partijen in een proces.
Art. 27 en 29 lid 1 Rv → Openbaarheid van behandeling en uitspraak;
Openbaarheid van rechtspraak bedoelt een waarborg voor onpartijdige behandeling te zijn
en heeft daarmee een preventieve werking. Het beginsel van openbaarheid is in
verschillende wetten vastgelegd: Art. 121 Gw, Art. 4 en 5 Wet RO en Art. 6 EVRM. Er zijn
echter uitzonderingen en deze zijn vastgelegd in Art. 27 lid 1 Rv.
Art. 30 Rv → Motivering van de beslissing;
Vonnissen, arresten en beschikkingen houden de gronden in waarop zij rusten, tenzij uit de
wet anders voortvloeit. Het motiveringsbeginsel heeft verschillende functies; het geeft
partijen inzicht in de door de rechter gevolgde gedachtegang, in de aanvaarding of
verwerping van gronden van eis en verweer, in de vaststelling, bewezenverklaring van feiten
, en in de toepassing van rechtsgronden. De motivering stelt de hogere rechter in staat de
juistheid daarvan en van de daarop berustende beslissing te beoordelen. Daarnaast dient de
motivering als waarborg voor deugdelijke rechtspraak. *De niet-inachtneming van de
motiveringsplicht is een vormverzuim.
Hoofdkenmerken:
- Partijautonomie;
- Onderzoek en beslissing in 2 instanties;
- Toezicht op de rechtspraak door het middel van cassatie;
- Verplichte procesvertegenwoordiging.
EHRM 10 januari 2017, Appl. No. 56134/08, Korzeniak/Poland
Als in verschillende fasen van dezelfde procedure dezelfde rechter optreedt, terwijl die
rechter in een eerdere fase al een inhoudelijk standpunt heeft ingenomen, kan dit volgens
het EHRM de objectieve schijn van partijdigheid wekken en daarmee een schending van
artikel 6 lid 1 EVRM opleveren.