Pedagogisch handelen
Module1: Pedagogisch model
Pedagogiek
De wetenschappelijke studie of een theoretische reflectie van het opvoedingsgebeuren
Dit wordt beoefend door pedagogen
Pedagogie
Hiermee wordt de praktijk van het opvoeden door de ouders, leerkrachten,
grootouders,.. met bedoeld.
Pedagogisch handelen = opvoedkundig handelen
Als je handelt houd je rekening met de inzichten uit de opvoedkunde/pedagogiek
De principes/ aspecten die het pedagogisch handelen complexer maken:
1) Onmiddellijk ageren: direct in actie komen, reageren op de situatie
2) Je kan niet ‘niet ageren’: je hebt als leerkracht altijd invloed op kinderen, ook als je
niets zegt of doet → deze invloed raakt altijd de 3 pedagogische basisbehoeften
- Autonomie: jouw gedrag laat merken of een kind zelf iets mag beslissen.
• Wel ageren/handelen: Je laat het kind kiezen welk kleurpotlood hij
gebruikt.
• Niet ageren/handelen: Je geeft geen keuze en zegt niks → het kind voelt
zich gedwongen.
- Competentie: jouw reacties bepalen of een kind zich goed en vaardig voelt.
• Wel ageren/handelen: Je zegt “Goed gedaan, je puzzel is bijna klaar!
• Niet ageren/handelen: Je reageert niet als een kind iets toont → kind
voelt zich misschien onzeker of “niet goed genoeg”.
- Verbondenheid: jouw houding toont of een kind zich welkom en gezien voelt.
• Wel ageren: Je lacht en luistert aandachtig als een kind iets vertelt.
• Niet ageren: Je kijkt weg als een kind iets vertelt → het kind voelt zich
minder gezien.
3) Aangepast aan dat kind op dat moment: Je moet elk kind op een andere manier
aanpakken, die manier ontdek je door goed te observeren → zo leer je uw kinderen
kennen en kan je op een gepaste pedagogische manier handelen. 3 begrippen:
• Passend: je handelen moet aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden
van dat specifieke kind. Wat voor het ene kind werkt, werkt misschien niet
voor de andere.
1
, • Flexibel: je moet kunnen meebewegen en je aanpak veranderen afhankelijk
van de situatie. Een kind kan de ene dag veel energie hebben en de andere
dag snel moe zijn.
• Uniek: elk kind en elk moment is anders. Je handelen is dus nooit exact
hetzelfde, maar afgestemd op de afspelende situatie.
Samengevat pedagogisch handelen is geen vaste routine, maar verschilt
altijd door het kind, door het moment, door de context.
Hoe als leerkracht gepast reageren in relatie met een kind:
Zorg ervoor dat veilig is en veilig aanvoelt, vanaf dan ga je kunnen leren in
de klas → je moet als leerkracht werken aan de verbondenheid
Voorbeeld: Aan de deur staan en goeiemorgen zeggen
De kinderen stimuleren en motiveren om te leren → belangrijk !
o Excentrieke motivatie: motivatie van buitenaf, je
doet iets voor iets. Je krijgt bv een beloning/straf
als je iets (niet) doet.
o Intrinsieke motivatie: Iets doen omdat je het
zelf leuk of interessant vindt
Zorg dat er in de klas structuur is
Pedagogisch model
Pedagogisch model:
Dit gaat over het kind en zijn ontwikkeling/opvoeding
Het helpt om bewust na te denken over hoe je kinderen
opvoedt, ondersteunt en stimuleert.
Het model helpt leerkrachten en opvoeders om de ontwikkeling van
kinderen systematisch te observeren, te begrijpen en passende
pedagogische acties te ondernemen.
De ‘schijven’ werken op elkaar → om te tonen dat het
een dynamisch gegeven is waarbij de diverse aspecten op
elkaar inwerken (= verandering op 1 schijf, heeft invloed op andere schijven)
2
,De verschillende componenten
1. Het kind en zijn psychologische basisbehoeften:
Centraal staat het kind met zijn unieke set aan ontwikkelingsmogelijkheden en
zijn unieke ‘zijn’. → gevolg: elke kind anders behandelen
Bij het opbouwen van een veilige onderwijsleersituatie, houd je rekening met de
3 psychologische basisbehoeften:
• Verbondenheid (‘ik hoor erbij’)
o Kind heeft behoefte aan veiligheid en geborgenheid
• Competentie (‘ik kan het’)
o Kind heeft behoefte om dingen te kunnen, om dingen goed te
doen → zelfvertrouwen wordt zo gestimuleerd
• Autonomie (‘ik kan het zelf’)
o Kinderen willen niet alleen gestuurd worden door iemand anders,
ze willen ook zelf sturing geven aan wat ze doen
➢ Elk kind heeft hier nood aan !!
2. De basishouding van de leerkracht: Dit zijn manieren waarop jij als leerkracht (en
anderen) inspeelt op die basisbehoeften.
• Waarderen: actief luisteren, kind onvoorwaardelijk accepteren maar niet zomaar
elk gedrag accepteren → wel het kind altijd waarderen en serieus nemen
• Ondersteunen: kinderen een handje helpen om ze zelf de wereld kunnen gaan
ontdekken zodat ze zelfvertrouwen krijgt omdat wij vertrouwen uiten naar het
kind toe
• Uitdagen: het kind op verkenning laten gaan, zaken laten ervaren en ontdekken,
laten experimenteren, eigen beslissingen laten nemen,… → zo kan het kind
ontdekken wie het is en wat de talenten zijn. Als leerkracht moeilijkere
oefeningen geven om gemotiveerd te blijven.
• Vertrouwen: ruimte bieden en durven loslaten → kind niet altijd controleren. Wilt
niet zeggen dat je het kind aan zijn/haar lot moet overlaten maar wel altijd
beschikbaar bent.
3. Contexten waarbinnen pedagogisch handelen plaatsvindt: Algemene context
waarbinnen pedagogisch handelen plaatsvindt: Alle omgevingen die het kind
beïnvloeden → als leerkracht belangrijk er bewust van te zijn omdat dit invloed kan
hebben op wie het kind is in de klas
3
, • Thuiscontext: bijvoorbeeld kind kan opgroeien in een instelling, samengesteld
gezin,… Er woorden hier ook waarden en normen meegegeven waartoe het kind
zich zal gedragen
• Peergroup: leeftijdsgenoten → leerlingen in de klas, sportvereniging,
jeugdbeweging,…
• School: geeft eigen waarden en normen, maar deze lopen niet altijd gelijk met de
waarden en normen met die van het gezin
• Leerkracht: brengt veel tijd door met de leerlingen en bouwt dus ook en band op.
• Buurt: elk kind groeit op in een buurt waar er gedeelde waarden en normen zijn
4. Algemene context waarbinnen opvoeden plaatsvindt→ mens en maatschappijbeeld
• Er zijn bepaalde waarden en normen waar iedereen zich aan moet houden, deze
kunnen vastgelegd zijn in wetten → vb de kinderrechten, kinderbescherming ➔
je hebt dus een bepaalde kader waar je in gaat moeten opvoeden
• Tijdsgebonden: de opvoeding veranderd de hele tijd doorheen de jaren waardoor
je als leerkracht daar rekening mee moet houden, bijvoorbeeld de leerplannen
die veranderen.
• School heeft een socialiserende functie: je moet hen helpen om de waarden,
normen en regels van de samenleving te leren kennen.
• Gelijkheid: de maatschappij en het mensbeeld bepalen hoe gelijkheid in de
opvoeding wordt gezien → bv gelijke kansen voor jongens / meisjes, kinderen met
andere culturele achtergrond,…
Pedagogisch handelen → complex
• Pedagogisch handelen is moeilijk te plannen want je kan je reactie niet altijd uitstellen
• Je kan niet niet reageren
• Verlies de verschillen tussen de kinderen niet uit het oog bij pedagogisch handelen
➢ FLEXIBILITEIT is niet nodig !!
4
Module1: Pedagogisch model
Pedagogiek
De wetenschappelijke studie of een theoretische reflectie van het opvoedingsgebeuren
Dit wordt beoefend door pedagogen
Pedagogie
Hiermee wordt de praktijk van het opvoeden door de ouders, leerkrachten,
grootouders,.. met bedoeld.
Pedagogisch handelen = opvoedkundig handelen
Als je handelt houd je rekening met de inzichten uit de opvoedkunde/pedagogiek
De principes/ aspecten die het pedagogisch handelen complexer maken:
1) Onmiddellijk ageren: direct in actie komen, reageren op de situatie
2) Je kan niet ‘niet ageren’: je hebt als leerkracht altijd invloed op kinderen, ook als je
niets zegt of doet → deze invloed raakt altijd de 3 pedagogische basisbehoeften
- Autonomie: jouw gedrag laat merken of een kind zelf iets mag beslissen.
• Wel ageren/handelen: Je laat het kind kiezen welk kleurpotlood hij
gebruikt.
• Niet ageren/handelen: Je geeft geen keuze en zegt niks → het kind voelt
zich gedwongen.
- Competentie: jouw reacties bepalen of een kind zich goed en vaardig voelt.
• Wel ageren/handelen: Je zegt “Goed gedaan, je puzzel is bijna klaar!
• Niet ageren/handelen: Je reageert niet als een kind iets toont → kind
voelt zich misschien onzeker of “niet goed genoeg”.
- Verbondenheid: jouw houding toont of een kind zich welkom en gezien voelt.
• Wel ageren: Je lacht en luistert aandachtig als een kind iets vertelt.
• Niet ageren: Je kijkt weg als een kind iets vertelt → het kind voelt zich
minder gezien.
3) Aangepast aan dat kind op dat moment: Je moet elk kind op een andere manier
aanpakken, die manier ontdek je door goed te observeren → zo leer je uw kinderen
kennen en kan je op een gepaste pedagogische manier handelen. 3 begrippen:
• Passend: je handelen moet aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden
van dat specifieke kind. Wat voor het ene kind werkt, werkt misschien niet
voor de andere.
1
, • Flexibel: je moet kunnen meebewegen en je aanpak veranderen afhankelijk
van de situatie. Een kind kan de ene dag veel energie hebben en de andere
dag snel moe zijn.
• Uniek: elk kind en elk moment is anders. Je handelen is dus nooit exact
hetzelfde, maar afgestemd op de afspelende situatie.
Samengevat pedagogisch handelen is geen vaste routine, maar verschilt
altijd door het kind, door het moment, door de context.
Hoe als leerkracht gepast reageren in relatie met een kind:
Zorg ervoor dat veilig is en veilig aanvoelt, vanaf dan ga je kunnen leren in
de klas → je moet als leerkracht werken aan de verbondenheid
Voorbeeld: Aan de deur staan en goeiemorgen zeggen
De kinderen stimuleren en motiveren om te leren → belangrijk !
o Excentrieke motivatie: motivatie van buitenaf, je
doet iets voor iets. Je krijgt bv een beloning/straf
als je iets (niet) doet.
o Intrinsieke motivatie: Iets doen omdat je het
zelf leuk of interessant vindt
Zorg dat er in de klas structuur is
Pedagogisch model
Pedagogisch model:
Dit gaat over het kind en zijn ontwikkeling/opvoeding
Het helpt om bewust na te denken over hoe je kinderen
opvoedt, ondersteunt en stimuleert.
Het model helpt leerkrachten en opvoeders om de ontwikkeling van
kinderen systematisch te observeren, te begrijpen en passende
pedagogische acties te ondernemen.
De ‘schijven’ werken op elkaar → om te tonen dat het
een dynamisch gegeven is waarbij de diverse aspecten op
elkaar inwerken (= verandering op 1 schijf, heeft invloed op andere schijven)
2
,De verschillende componenten
1. Het kind en zijn psychologische basisbehoeften:
Centraal staat het kind met zijn unieke set aan ontwikkelingsmogelijkheden en
zijn unieke ‘zijn’. → gevolg: elke kind anders behandelen
Bij het opbouwen van een veilige onderwijsleersituatie, houd je rekening met de
3 psychologische basisbehoeften:
• Verbondenheid (‘ik hoor erbij’)
o Kind heeft behoefte aan veiligheid en geborgenheid
• Competentie (‘ik kan het’)
o Kind heeft behoefte om dingen te kunnen, om dingen goed te
doen → zelfvertrouwen wordt zo gestimuleerd
• Autonomie (‘ik kan het zelf’)
o Kinderen willen niet alleen gestuurd worden door iemand anders,
ze willen ook zelf sturing geven aan wat ze doen
➢ Elk kind heeft hier nood aan !!
2. De basishouding van de leerkracht: Dit zijn manieren waarop jij als leerkracht (en
anderen) inspeelt op die basisbehoeften.
• Waarderen: actief luisteren, kind onvoorwaardelijk accepteren maar niet zomaar
elk gedrag accepteren → wel het kind altijd waarderen en serieus nemen
• Ondersteunen: kinderen een handje helpen om ze zelf de wereld kunnen gaan
ontdekken zodat ze zelfvertrouwen krijgt omdat wij vertrouwen uiten naar het
kind toe
• Uitdagen: het kind op verkenning laten gaan, zaken laten ervaren en ontdekken,
laten experimenteren, eigen beslissingen laten nemen,… → zo kan het kind
ontdekken wie het is en wat de talenten zijn. Als leerkracht moeilijkere
oefeningen geven om gemotiveerd te blijven.
• Vertrouwen: ruimte bieden en durven loslaten → kind niet altijd controleren. Wilt
niet zeggen dat je het kind aan zijn/haar lot moet overlaten maar wel altijd
beschikbaar bent.
3. Contexten waarbinnen pedagogisch handelen plaatsvindt: Algemene context
waarbinnen pedagogisch handelen plaatsvindt: Alle omgevingen die het kind
beïnvloeden → als leerkracht belangrijk er bewust van te zijn omdat dit invloed kan
hebben op wie het kind is in de klas
3
, • Thuiscontext: bijvoorbeeld kind kan opgroeien in een instelling, samengesteld
gezin,… Er woorden hier ook waarden en normen meegegeven waartoe het kind
zich zal gedragen
• Peergroup: leeftijdsgenoten → leerlingen in de klas, sportvereniging,
jeugdbeweging,…
• School: geeft eigen waarden en normen, maar deze lopen niet altijd gelijk met de
waarden en normen met die van het gezin
• Leerkracht: brengt veel tijd door met de leerlingen en bouwt dus ook en band op.
• Buurt: elk kind groeit op in een buurt waar er gedeelde waarden en normen zijn
4. Algemene context waarbinnen opvoeden plaatsvindt→ mens en maatschappijbeeld
• Er zijn bepaalde waarden en normen waar iedereen zich aan moet houden, deze
kunnen vastgelegd zijn in wetten → vb de kinderrechten, kinderbescherming ➔
je hebt dus een bepaalde kader waar je in gaat moeten opvoeden
• Tijdsgebonden: de opvoeding veranderd de hele tijd doorheen de jaren waardoor
je als leerkracht daar rekening mee moet houden, bijvoorbeeld de leerplannen
die veranderen.
• School heeft een socialiserende functie: je moet hen helpen om de waarden,
normen en regels van de samenleving te leren kennen.
• Gelijkheid: de maatschappij en het mensbeeld bepalen hoe gelijkheid in de
opvoeding wordt gezien → bv gelijke kansen voor jongens / meisjes, kinderen met
andere culturele achtergrond,…
Pedagogisch handelen → complex
• Pedagogisch handelen is moeilijk te plannen want je kan je reactie niet altijd uitstellen
• Je kan niet niet reageren
• Verlies de verschillen tussen de kinderen niet uit het oog bij pedagogisch handelen
➢ FLEXIBILITEIT is niet nodig !!
4