RECHT
AIV-V1RECHT-16_2024
,Inhoudsopgave
RECHT..........................................................................................................1
Week C1: Inleiding recht..............................................................................3
Week C2: Civiel recht.................................................................................10
Week C3: Strafrecht...................................................................................17
Week C6: Bestuursrecht.............................................................................25
Week C7: Internationaal recht....................................................................31
,Week C1: Inleiding recht
Leerdoel: je kunt aangeven waar het recht vandaan komt, wat het recht
omkleedt en kent de verschillende rechtsbronnen van het Nederlands
recht.
Specifieker:
Omschrijving en doel recht
De rechtsgebieden: verschillen en overeenkomsten
Indeling recht
Rechtsbronnen: betekenis en rol
Kenmerken van de rechterlijke macht
Grondrechten: klassiek en sociaal
De machtenscheiding: betekenis en doel
De omschrijving van het recht is: het geheel van overheidsregels dat de
samenleving ordent. Vaststelling rechtsregels vindt plaats op basis van
politiek inhoudelijke keuzes door de tot dan toe geldende moraal aan de
wet te binden.
Het doel van recht: het ordenen van de samenleving en het geven van
regels om conflicten op te lossen zodat de orde kan terugkeren.
Rechtsvinding: het recht toepassen op een concreet geval. Dit bestaat uit
het zoeken en het toepassen van de wetsartikelen die op het geschil van
toepassing zijn. Als een wet niet duidelijk is, mag de rechter de wet
uitleggen (interpreteren). Voor dat uitleggen/interpreteren zijn vijf
interpretatiemethoden:
1. Grammaticaal: er wordt gekeken naar de taalkundige betekenis van
de tekst in de wet
2. Systematisch: er wordt vooral gekeken naar de plaats die het
wetsartikel inneemt in de totale wet. Bijvoorbeeld het hoofdstuk
waar het te vinden is.
3. Wetshistorisch: hierbij is de ontstaansgeschiedenis van de wet
belangrijk. Bij wetten in formele zin wordt er gekeken naar de
toelichting en verslagen van de parlementaire behandeling van de
wet. Daarin maakt de minister die het wetsvoorstel heeft ingediend
duidelijk wat zijn bedoeling met de wet was.
4. Anticiperend: de rechter laat zich leiden door toekomstige
wetgeving. De rechter speelt in op een wet waarvan hij weet dat
deze binnenkort van kracht zal worden.
5. Teleologisch: de rechter legt een wettekst uit door te kijken naar de
maatschappelijke context waar de wet functioneert.
, Rechtsgebieden (indeling 1):
Recht houdt zich bezig met alle facetten van de samenleving, om
enige ordening aan te brengen wordt het recht ingedeeld in
verschillende onderdelen: rechtsgebieden.
o Staatsrecht: beschrijft verhoudingen verschillende overheden,
hoe onze staat is georganiseerd. Overheid in rust, want we
hebben het niet over de relatie met de burger en overheid.
o Bestuursrecht: overheid vs burger. Bestuurstaak van de
overheid in relatie tot de burger; overheid in actie (we hebben
iets nodig van de overheid) (burger vs bestuur). Conflicten
worden bestuursgeschillen genoemd. Hierbij is de woonplaats
van de belanghebbende bepalend voor de relatieve
competentie.
o Strafrecht: gedrag dat strafbaar is, wat het proces is en wat de
straffen zijn (samenleving vs verdachte). Het verloop van
een strafzaak is geregeld in het Wetboek van Strafvordering.
o Burgerlijk/civiel recht: burger vs burger. Bestaat uit
familierecht, vermogensrecht, erfrecht en
rechtspersonenrecht. (eiser/verzoeker vs
gedaagde/verweerder). Belangrijk: vraag naar relatieve
competentie; welke instanties zijn bevoegd om te zaak te
behandelen. Daarna geldt wie eist die reist.
Privaat- en publiekrecht (indeling 2):
De overheid moet het algemeen belang behartigen, om hieraan te
voldoen hebben verschillende overheidsorganen specifieke
bevoegdheden waarmee ze de ‘medewerking’ van burgers en
organisaties zo nodig kunnen afdwingen; privaat en publiek gaat
over de rol van de overheid
o Publiekrecht: staatsrecht, bestuursrecht en strafrecht;
overheid heeft een speciale rol of taak
o Privaatrecht: civiel recht; overheid heeft deze rol of taak niet
(want het is burger tegen burger)
Materieel recht en formeel recht (indeling 3):
Materieel recht (inhoudelijk): beschrijft de rechten en plichten
Formeel recht (procesrecht): wat kan er gedaan worden tegen
schending van een recht of plicht uit het materiaal recht?
Objectief en subjectief recht (indeling 4):
Objectief recht zijn de rechtsregels zoals we die onder andere in de
wetten en verdragen vinden
AIV-V1RECHT-16_2024
,Inhoudsopgave
RECHT..........................................................................................................1
Week C1: Inleiding recht..............................................................................3
Week C2: Civiel recht.................................................................................10
Week C3: Strafrecht...................................................................................17
Week C6: Bestuursrecht.............................................................................25
Week C7: Internationaal recht....................................................................31
,Week C1: Inleiding recht
Leerdoel: je kunt aangeven waar het recht vandaan komt, wat het recht
omkleedt en kent de verschillende rechtsbronnen van het Nederlands
recht.
Specifieker:
Omschrijving en doel recht
De rechtsgebieden: verschillen en overeenkomsten
Indeling recht
Rechtsbronnen: betekenis en rol
Kenmerken van de rechterlijke macht
Grondrechten: klassiek en sociaal
De machtenscheiding: betekenis en doel
De omschrijving van het recht is: het geheel van overheidsregels dat de
samenleving ordent. Vaststelling rechtsregels vindt plaats op basis van
politiek inhoudelijke keuzes door de tot dan toe geldende moraal aan de
wet te binden.
Het doel van recht: het ordenen van de samenleving en het geven van
regels om conflicten op te lossen zodat de orde kan terugkeren.
Rechtsvinding: het recht toepassen op een concreet geval. Dit bestaat uit
het zoeken en het toepassen van de wetsartikelen die op het geschil van
toepassing zijn. Als een wet niet duidelijk is, mag de rechter de wet
uitleggen (interpreteren). Voor dat uitleggen/interpreteren zijn vijf
interpretatiemethoden:
1. Grammaticaal: er wordt gekeken naar de taalkundige betekenis van
de tekst in de wet
2. Systematisch: er wordt vooral gekeken naar de plaats die het
wetsartikel inneemt in de totale wet. Bijvoorbeeld het hoofdstuk
waar het te vinden is.
3. Wetshistorisch: hierbij is de ontstaansgeschiedenis van de wet
belangrijk. Bij wetten in formele zin wordt er gekeken naar de
toelichting en verslagen van de parlementaire behandeling van de
wet. Daarin maakt de minister die het wetsvoorstel heeft ingediend
duidelijk wat zijn bedoeling met de wet was.
4. Anticiperend: de rechter laat zich leiden door toekomstige
wetgeving. De rechter speelt in op een wet waarvan hij weet dat
deze binnenkort van kracht zal worden.
5. Teleologisch: de rechter legt een wettekst uit door te kijken naar de
maatschappelijke context waar de wet functioneert.
, Rechtsgebieden (indeling 1):
Recht houdt zich bezig met alle facetten van de samenleving, om
enige ordening aan te brengen wordt het recht ingedeeld in
verschillende onderdelen: rechtsgebieden.
o Staatsrecht: beschrijft verhoudingen verschillende overheden,
hoe onze staat is georganiseerd. Overheid in rust, want we
hebben het niet over de relatie met de burger en overheid.
o Bestuursrecht: overheid vs burger. Bestuurstaak van de
overheid in relatie tot de burger; overheid in actie (we hebben
iets nodig van de overheid) (burger vs bestuur). Conflicten
worden bestuursgeschillen genoemd. Hierbij is de woonplaats
van de belanghebbende bepalend voor de relatieve
competentie.
o Strafrecht: gedrag dat strafbaar is, wat het proces is en wat de
straffen zijn (samenleving vs verdachte). Het verloop van
een strafzaak is geregeld in het Wetboek van Strafvordering.
o Burgerlijk/civiel recht: burger vs burger. Bestaat uit
familierecht, vermogensrecht, erfrecht en
rechtspersonenrecht. (eiser/verzoeker vs
gedaagde/verweerder). Belangrijk: vraag naar relatieve
competentie; welke instanties zijn bevoegd om te zaak te
behandelen. Daarna geldt wie eist die reist.
Privaat- en publiekrecht (indeling 2):
De overheid moet het algemeen belang behartigen, om hieraan te
voldoen hebben verschillende overheidsorganen specifieke
bevoegdheden waarmee ze de ‘medewerking’ van burgers en
organisaties zo nodig kunnen afdwingen; privaat en publiek gaat
over de rol van de overheid
o Publiekrecht: staatsrecht, bestuursrecht en strafrecht;
overheid heeft een speciale rol of taak
o Privaatrecht: civiel recht; overheid heeft deze rol of taak niet
(want het is burger tegen burger)
Materieel recht en formeel recht (indeling 3):
Materieel recht (inhoudelijk): beschrijft de rechten en plichten
Formeel recht (procesrecht): wat kan er gedaan worden tegen
schending van een recht of plicht uit het materiaal recht?
Objectief en subjectief recht (indeling 4):
Objectief recht zijn de rechtsregels zoals we die onder andere in de
wetten en verdragen vinden