In de middeleeuwen leerden mensen volledige boeken uit hun hoofd: scholastiek
Deductie: oude inzichten leren en van daaruit alles wat je ziet afleiden en verklaren
Inductie: onderzoek doen → uit resultaten regels afleiden; natuurwetten
Tijdens de renaissance en de Verlichting is onderzoek gedaan door:
Bacon: waarnemingen en experimenten; kijken en feiten verzamelen, dan pas conclusies
trekken
Newton: nieuw wetenschappelijk wereldbeeld, modern-wetenschappelijke ideeën: nieuwe kijk
op menselijk lichaam en sterrenkunde
Popper: hypothese verwerpen
Er wordt nu gewerkt volgens de natuurwetenschappelijk onderzoeksmethode:
hypothese → onderzoek opzetten en uitvoeren → conclusie trekken uit resultaten
→ (hypothese opnieuw opstellen als conclusie niet goed aansluit) → onderzoek
publiceren
- Bij een beschrijvend onderzoek schrijf je geen hypothese
Biologisch leven wordt gedefinieerd aan de hand van 7 levenskenmerken:
1. gaswisseling (ademhaling), stofwisseling (voeding)
2. uitscheiding (afvalstoffen verwijderen)
3. reageren op prikkels
4. erfelijkheid
5. voortplanting
6. ontwikkeling en groei
7. Homeostase
1. Gas- en stofwisseling
Voor dissimilatie (afbraak) van energierijke stoffen is zuurstof nodig en wordt koolstofdioxide
afgegeven (grote naar kleine moleculen)
- Heterotrofe organismen zijn voor hun voedingsstoffen van andere organismen
afhankelijk
Voor assimilatie (opbouw) van energierijke moleculen is koolstofdioxide nodig en wordt
zuurstof afgegeven (kleine naar grote moleculen)
- Autotrofe organismen maken zelf hun voedingsstoffen (vooral planten →
fotosynthese)
Voedingsmiddelen worden via de spijsvertering afgebroken tot kleinere moleculen
en oplosbaar gemaakt in water → dienen als brandstoffen in de celstofwisseling en
zijn essentieel bij bijv. eiwitsynthese
- Belangrijskte voedingsstoffen: suiker, eiwitten, vetten, mineralen, vitaminen en water
Stofwisseling vindt plaats in weefsels en cellen nadat voedingsstoffen in het bloed opgenomen
zijn en naar de weefsels getransporteerd
, 2. Uitscheiding
Stofwisseling gaat gepaard met de productie van afvalstoffen die door het lichaam
uitgescheiden worden → via de bloedbaan naar uitscheidingsorganen; huid,
ademhalingsorgaan en nieren
3. Reageren op prikkels
Prikkels vanuit de huid of zintuigen worden omgezet tot elektronische signalen
naar het zenuwstelsel via zenuwbanen → leidt tot een adequate reactie om een
spierbeweging te maken om naar een andere richting te gaan
Reflexen zijn de snelste reacties van hoge dieren en de mens die niet via de hersenen gaan
Planten groeien naar het licht toe
4. Erfelijkheid
Unieke erfelijke code vastgelegd in erfelijk materiaal in de celkern → uitwisseling
van genetische informatie tussen geslachtscellen bij geslachtelijke voortplanting →
unieke nakomelingen
5. Voortplanting
Ongeslachtelijk: nakomeling met exact dezelfde genetische eigenschappen als de ouder
Geslachtelijk: genetisch unieke nakomelingen
Geslachtsorganen maken geslachtscellen die bevruchting mogelijk maken
Bevruchting kan in speciale organen (bijv. baarmoeder) of buiten het lichaam
Bevruchte eicellen kunnen buiten of binnen het lichaam tot ontwikkeling worden gebracht
6. Ontwikkeling en groei
Groei is de toename van grootte en ontwikkeling de verandering van vorm vanaf de
bevruchting
7. Homeostase
Homeostase is het constant houden van het inwendig milieu van het lichaam
Levensverwachting
Reden voor stijging:
- Betere hygiëne, voeding, levensomstandigheden en medische voorzieningen
- Andere doodsoorzaken
Cryonisme is het invriezen van dode personen om later weer tot leven te brengen
- Cryotherapie is een levend lichaam blootstellen aan zeer lage temperatuur om
ontstekingen tegen te gaan en de doorbloeding te stimuleren
Telomeren zijn de uiteinden van DNA die bij iedere deling korter worden
- Cellen zijn niet meer te delen als de telomeren zijn verbruikt
- Kunnen verlengt worden door therapie → cellen verjongeren en blijven
langer leven
Deductie: oude inzichten leren en van daaruit alles wat je ziet afleiden en verklaren
Inductie: onderzoek doen → uit resultaten regels afleiden; natuurwetten
Tijdens de renaissance en de Verlichting is onderzoek gedaan door:
Bacon: waarnemingen en experimenten; kijken en feiten verzamelen, dan pas conclusies
trekken
Newton: nieuw wetenschappelijk wereldbeeld, modern-wetenschappelijke ideeën: nieuwe kijk
op menselijk lichaam en sterrenkunde
Popper: hypothese verwerpen
Er wordt nu gewerkt volgens de natuurwetenschappelijk onderzoeksmethode:
hypothese → onderzoek opzetten en uitvoeren → conclusie trekken uit resultaten
→ (hypothese opnieuw opstellen als conclusie niet goed aansluit) → onderzoek
publiceren
- Bij een beschrijvend onderzoek schrijf je geen hypothese
Biologisch leven wordt gedefinieerd aan de hand van 7 levenskenmerken:
1. gaswisseling (ademhaling), stofwisseling (voeding)
2. uitscheiding (afvalstoffen verwijderen)
3. reageren op prikkels
4. erfelijkheid
5. voortplanting
6. ontwikkeling en groei
7. Homeostase
1. Gas- en stofwisseling
Voor dissimilatie (afbraak) van energierijke stoffen is zuurstof nodig en wordt koolstofdioxide
afgegeven (grote naar kleine moleculen)
- Heterotrofe organismen zijn voor hun voedingsstoffen van andere organismen
afhankelijk
Voor assimilatie (opbouw) van energierijke moleculen is koolstofdioxide nodig en wordt
zuurstof afgegeven (kleine naar grote moleculen)
- Autotrofe organismen maken zelf hun voedingsstoffen (vooral planten →
fotosynthese)
Voedingsmiddelen worden via de spijsvertering afgebroken tot kleinere moleculen
en oplosbaar gemaakt in water → dienen als brandstoffen in de celstofwisseling en
zijn essentieel bij bijv. eiwitsynthese
- Belangrijskte voedingsstoffen: suiker, eiwitten, vetten, mineralen, vitaminen en water
Stofwisseling vindt plaats in weefsels en cellen nadat voedingsstoffen in het bloed opgenomen
zijn en naar de weefsels getransporteerd
, 2. Uitscheiding
Stofwisseling gaat gepaard met de productie van afvalstoffen die door het lichaam
uitgescheiden worden → via de bloedbaan naar uitscheidingsorganen; huid,
ademhalingsorgaan en nieren
3. Reageren op prikkels
Prikkels vanuit de huid of zintuigen worden omgezet tot elektronische signalen
naar het zenuwstelsel via zenuwbanen → leidt tot een adequate reactie om een
spierbeweging te maken om naar een andere richting te gaan
Reflexen zijn de snelste reacties van hoge dieren en de mens die niet via de hersenen gaan
Planten groeien naar het licht toe
4. Erfelijkheid
Unieke erfelijke code vastgelegd in erfelijk materiaal in de celkern → uitwisseling
van genetische informatie tussen geslachtscellen bij geslachtelijke voortplanting →
unieke nakomelingen
5. Voortplanting
Ongeslachtelijk: nakomeling met exact dezelfde genetische eigenschappen als de ouder
Geslachtelijk: genetisch unieke nakomelingen
Geslachtsorganen maken geslachtscellen die bevruchting mogelijk maken
Bevruchting kan in speciale organen (bijv. baarmoeder) of buiten het lichaam
Bevruchte eicellen kunnen buiten of binnen het lichaam tot ontwikkeling worden gebracht
6. Ontwikkeling en groei
Groei is de toename van grootte en ontwikkeling de verandering van vorm vanaf de
bevruchting
7. Homeostase
Homeostase is het constant houden van het inwendig milieu van het lichaam
Levensverwachting
Reden voor stijging:
- Betere hygiëne, voeding, levensomstandigheden en medische voorzieningen
- Andere doodsoorzaken
Cryonisme is het invriezen van dode personen om later weer tot leven te brengen
- Cryotherapie is een levend lichaam blootstellen aan zeer lage temperatuur om
ontstekingen tegen te gaan en de doorbloeding te stimuleren
Telomeren zijn de uiteinden van DNA die bij iedere deling korter worden
- Cellen zijn niet meer te delen als de telomeren zijn verbruikt
- Kunnen verlengt worden door therapie → cellen verjongeren en blijven
langer leven