Samenvatting De bestuurlijke kaart van Nederland & Powerpoints
H1: De bestuurlijke kaart van Nederland
Kenmerken Nederlands openbaar bestuur:
- Constitutionele monarchie → koning is staatshoofd, handelen is gebonden aan een
grondwet of geschreven constitutie.
- Rechtsstaat.
- Gedeeltelijke scheiding der machten.
- Scheiding van kerk en staat.
- Parlementair stelsel.
- Kiesstelsel is gebaseerd op een stelsel van evenredige vertegenwoordiging.
- Gedecentraliseerde eenheidsstaat.
- Deel van de Europese Unie.
H2: De Nederlandse staat
Kenmerken van een staat:
- Er is sprake van een territorium.
- Er is een bevolking.
- Er is een wettelijke ordening en bestuurlijke organisatie.
- De staat wordt erkend door andere staten.
De Staat der Nederlanden (juridische term voor de Nederlandse overheid) is een
rechtspersoon → bevoegd om rechtshandelingen te verrichten.
Het Koninkrijk der Nederlanden:
- Landen: Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten (de laatste 3 hebben een
gouverneur).
- Openbare lichamen: Bonaire, Saba, Sint Eustatius → vergelijkbaar met gemeenten.
Inwoners kiezen de leden van de eilandsraad (gemeenteraad). De gezaghebber
(burgemeester) en de eilandgedeputeerden (wethouders) vormen het
bestuurscollege.
Staatshoofd: koning
Nederland is een constitutionele monarchie sinds de Grondwet van 1815.
- Het koningschap is verankerd in een constitutie → de koning is ondergeschikt aan de
wet.
- Een constitutie is het geheel van elementaire geschreven en ongeschreven regels
met betrekking tot de organisatie van een staat → vastgelegd in de Grondwet.
, Parlementair stelsel: kern: Nederland is een democratie waarin de bevolking van 18 jaar en
ouders haar hoogste besluitvormende orgaan kiest: de Tweede Kamer. 2 principes:
I. De regel van de ministeriële verantwoordelijkheid: de koning is onschendbaar en
de ministers zijn verantwoordelijk.
II. De vertrouwensregel: het kabinet moet het vertrouwen hebben van een
meerderheid in de Tweede Kamer. Dit geldt ook voor een minister of staatssecretaris.
Motie van wantrouwen: verlies van vertrouwen, Tweede Kamer neemt motie aan →
de betrokken minister of staatssecretaris moet aftreden.
Rechtsstaat: 5 kenmerken:
I. Legaliteitsbeginsel: bevoegdheden vastgelegd in wetten.
II. Trias politica: machtenscheiding (Montesquieu) → wetgevende macht, uitvoerende
macht, rechtsprekende macht: onafhankelijk en controleren elkaar.
III. Grondrechten.
IV. Vrije en geheime verkiezingen.
V. Media: onafhankelijk en vrij (persvrijheid).
Gedecentraliseerde eenheidsstaat:
- Decentralisatie: overdracht van taken en bevoegdheden aan lagere bestuurslagen.
Gemeenten mogen afwijkende regels opstellen.
- Eenheidsstaat: samenhang en cohesie die centraal, van bovenaf, worden opgelegd.
Gemeentelijke voorschriften mogen niet in strijd zijn met nationale wet- en
regelgeving.
- Autonomie: gemeenten en provincies hebben eigen bevoegdheden met betrekking
tot de taken op hun grondgebied (de huishouding). Per gemeente kunnen de
algemene plaatselijke verordeningen (APV’s) verschillen.
- Medebewind: provincies en gemeenten stellen regels op in opdracht van een hogere
regeling. De inhoud van de regels is vaak vrij, maar er moet wel rekening gehouden
worden met regels van een hogere orde.
- Toezicht: de nationale overheid kan alle besluiten van lagere overheden vernietigen
wanneer die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang.
Het Huis van Thorbecke: oorspronkelijke staatsorganisatie van de gedecentraliseerde
eenheidsstaat bestaande uit drie bestuurslagen: het rijk, de provincies en de gemeenten. Dit
is een territoriale indeling.De bestuurslagen hebben een open huishouding → vrij om op
verschillende terreinen initiatieven op hun eigen grondgebied uit te voeren (territoriaal of
algemeen bestuur).
Instituties van het functionele bestuur: bestuursorganen met een beperkt, in wetten
vastgelegd takenpakket. waterschappen
H3: De politiek-bestuurlijke instituties
Dualistisch parlementair stelsel: de Staten-Generaal stelt zich onafhankelijk op ten
opzichte van de regering. De ministers zijn geen lid van de Staten-Generaal.
De regering: Art. 42, lid 1 Gw.: de koning en de ministers vormen de regering (Kroon).