Digitalisering en Veiligheid
Samenvatting Powerpoints & artikelen
College 1: Digitalisering en veiligheid
Digitalisering: ontwikkeling waarbij informatie- en communicatietechnologie (ICT) op steeds
meer plaatsen en verschillende manieren een rol speelt in het dagelijks leven.
Cyberspace:
● 2 verweven realiteiten:
1. Een grondlaag of basis van technologie, inclusief de daarin vastgelegde
informatie. Voorwaarde voor cyberspace, maakt interactie mogelijk.
2. De met die grondlaag gerealiseerde interactiepatronen.
● Wat online gebeurt, werkt offline door en andersom.
Cybercrime: criminaliteit waarbij ICT-gebruik van cruciale betekenis is voor de uitvoering
van het delict. Onderscheid tussen:
1. Cybercrime: criminaliteit die mogelijk is geworden door de digitalisering. ICT is het
middel en doel. Voorbeeld: hacken.
2. Gedigitaliseerde criminaliteit: criminaliteit die er altijd al was en die een andere
verschijningsvorm heeft gekregen. ICT is het middel, maar niet het doel. Voorbeeld:
fraude.
Cybersecurity: de effectieve bescherming van de technologische basis van cyberspace →
information security. Beschermen van de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid
van informatie. Aandacht gaat niet uit naar de mens, maar naar de technologische basis.
Technische maatregelen zoals encryptie, malwaredetectie en biometrie, aangevuld met
maatregelen gericht op mens en organisatie.
Cybersafety: de effectieve bescherming van mensen tegen de aantasting van hun
lichamelijke of geestelijke integriteit, welke aantasting direct voortkomt uit cyberspace.
Gericht op mensen en hun omgang met technologie. Maatregelen die gaan over het gedrag
van mensen, aangevuld met technische maatregelen.
Veiligheidsproblemen door digitalisering:
● Hacken: komt veel voor als basisdelict (verbonden met andere criminaliteit: online
oplichting, afpersing of datadiefstal).
● Slachtofferpercentages voor hacken en e-fraude zijn hoger dan bij klassieke delicten.
● Identiteitsmisbruik.
● Essentiële voorzieningen zijn afhankelijk geworden van een goed functionerend
computersysteem.
● Ondergrondse economieën: digitale, niet door de reguliere bancaire sector en/of de
overheid gecontroleerde geldstromen → cryptovaluta → mogelijkheden voor
witwassen (ondermijning).
, Nieuwe dreigingen:
● Uitval van vitale systemen.
● Anonimiteit van daders en soms ook slachtoffers.
● Verkeerd gebruik van systemen.
Nieuwe kansen:
● Sporen zijn ineens ook digitaal.
● Nieuwe vormen van communicatie en informatie.
● Versnelling en efficiëntie door digitalisering.
Complexiteit: 4 dimensies:
1. Technische complexiteit: van digitale apparaten kun je niet zomaar zien hoe ze
werken. Software bevat altijd fouten. Moeilijk te doorzien of apparatuur goed is
beveiligd.
2. Netwerkcomplexiteit: niemand kan het geheel van alle digitale verbindingen overzien.
Een zakte op de ene plek kan resulteren in een beveiligingsprobleem op een andere
plek.
3. Echtheidscomplexiteit: online moeilijk vaststellen wie wie is en wat echt of nep is.
4. Cyborgcomplexiteit: vervlechting van digitale technologie en het menselijk lichaam. 2
vormen: 1) technologie treedt de mens binnen en maakt fysiek deel uit van het
lichaam. 2) de mens treedt de technologie binnen door zich met digitale representatie
of alter ego in de digitale wereld te manifesteren.
Complexiteit in ontwikkeling:
● Internet of Things (IoT) en Internet of Everything (IoE): gecreëerde netwerken van
relaties door gebruiksvoorwerpen die zijn voorzien van digitale technologie (tussen
mensen en dingen).
● Al eeuwen aan de gang → nieuwe technieken, voorbeeld: auto’s.
● Snelheid neemt weer toe: AI en algoritmen die de overheid inzet voor
criminaliteitsbestrijding.
Organisatievermogen:
● Digitale hulpmiddelen geven mensen nieuwe communicatiemogelijkheden en
daarmee de mogelijkheid om zich te organiseren.
● Digitale communicatie.
● Essentie: burgers moeten zich digitaal kunnen organiseren in relatie tot openbare
orde, veiligheid en criminaliteit.
Informatievermogen:
● Van oudsher: de overheid was de organisatie met informatie over burgers. Nu vooral:
particuliere bedrijven die over veel informatie beschikken.
● Vermogen tot creëren van nepnieuws neemt toe, waarbij het lastig is te bepalen wat
nep is en wat een andere opvatting is (vroeger ook: propaganda).
Samenvatting Powerpoints & artikelen
College 1: Digitalisering en veiligheid
Digitalisering: ontwikkeling waarbij informatie- en communicatietechnologie (ICT) op steeds
meer plaatsen en verschillende manieren een rol speelt in het dagelijks leven.
Cyberspace:
● 2 verweven realiteiten:
1. Een grondlaag of basis van technologie, inclusief de daarin vastgelegde
informatie. Voorwaarde voor cyberspace, maakt interactie mogelijk.
2. De met die grondlaag gerealiseerde interactiepatronen.
● Wat online gebeurt, werkt offline door en andersom.
Cybercrime: criminaliteit waarbij ICT-gebruik van cruciale betekenis is voor de uitvoering
van het delict. Onderscheid tussen:
1. Cybercrime: criminaliteit die mogelijk is geworden door de digitalisering. ICT is het
middel en doel. Voorbeeld: hacken.
2. Gedigitaliseerde criminaliteit: criminaliteit die er altijd al was en die een andere
verschijningsvorm heeft gekregen. ICT is het middel, maar niet het doel. Voorbeeld:
fraude.
Cybersecurity: de effectieve bescherming van de technologische basis van cyberspace →
information security. Beschermen van de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid
van informatie. Aandacht gaat niet uit naar de mens, maar naar de technologische basis.
Technische maatregelen zoals encryptie, malwaredetectie en biometrie, aangevuld met
maatregelen gericht op mens en organisatie.
Cybersafety: de effectieve bescherming van mensen tegen de aantasting van hun
lichamelijke of geestelijke integriteit, welke aantasting direct voortkomt uit cyberspace.
Gericht op mensen en hun omgang met technologie. Maatregelen die gaan over het gedrag
van mensen, aangevuld met technische maatregelen.
Veiligheidsproblemen door digitalisering:
● Hacken: komt veel voor als basisdelict (verbonden met andere criminaliteit: online
oplichting, afpersing of datadiefstal).
● Slachtofferpercentages voor hacken en e-fraude zijn hoger dan bij klassieke delicten.
● Identiteitsmisbruik.
● Essentiële voorzieningen zijn afhankelijk geworden van een goed functionerend
computersysteem.
● Ondergrondse economieën: digitale, niet door de reguliere bancaire sector en/of de
overheid gecontroleerde geldstromen → cryptovaluta → mogelijkheden voor
witwassen (ondermijning).
, Nieuwe dreigingen:
● Uitval van vitale systemen.
● Anonimiteit van daders en soms ook slachtoffers.
● Verkeerd gebruik van systemen.
Nieuwe kansen:
● Sporen zijn ineens ook digitaal.
● Nieuwe vormen van communicatie en informatie.
● Versnelling en efficiëntie door digitalisering.
Complexiteit: 4 dimensies:
1. Technische complexiteit: van digitale apparaten kun je niet zomaar zien hoe ze
werken. Software bevat altijd fouten. Moeilijk te doorzien of apparatuur goed is
beveiligd.
2. Netwerkcomplexiteit: niemand kan het geheel van alle digitale verbindingen overzien.
Een zakte op de ene plek kan resulteren in een beveiligingsprobleem op een andere
plek.
3. Echtheidscomplexiteit: online moeilijk vaststellen wie wie is en wat echt of nep is.
4. Cyborgcomplexiteit: vervlechting van digitale technologie en het menselijk lichaam. 2
vormen: 1) technologie treedt de mens binnen en maakt fysiek deel uit van het
lichaam. 2) de mens treedt de technologie binnen door zich met digitale representatie
of alter ego in de digitale wereld te manifesteren.
Complexiteit in ontwikkeling:
● Internet of Things (IoT) en Internet of Everything (IoE): gecreëerde netwerken van
relaties door gebruiksvoorwerpen die zijn voorzien van digitale technologie (tussen
mensen en dingen).
● Al eeuwen aan de gang → nieuwe technieken, voorbeeld: auto’s.
● Snelheid neemt weer toe: AI en algoritmen die de overheid inzet voor
criminaliteitsbestrijding.
Organisatievermogen:
● Digitale hulpmiddelen geven mensen nieuwe communicatiemogelijkheden en
daarmee de mogelijkheid om zich te organiseren.
● Digitale communicatie.
● Essentie: burgers moeten zich digitaal kunnen organiseren in relatie tot openbare
orde, veiligheid en criminaliteit.
Informatievermogen:
● Van oudsher: de overheid was de organisatie met informatie over burgers. Nu vooral:
particuliere bedrijven die over veel informatie beschikken.
● Vermogen tot creëren van nepnieuws neemt toe, waarbij het lastig is te bepalen wat
nep is en wat een andere opvatting is (vroeger ook: propaganda).