1. Wanneer we te maken hebben met een sinusvormige trilling, wordt de
beweging van elk deeltje afzonderlijk beschreven worden met de formule
a./ 𝑥 = 𝐴 cotg(𝜔𝑡 + 𝜑)
b./ 𝑥 = cos(𝐴𝜔𝑡 + 𝜑)
c./ 𝑥 = 𝜔𝑡 cos(𝐴 + 𝜑)
d./ 𝑥 = 𝐴 cos(𝜔𝑡 + 𝜑)
2. De snelheid waarmee de golf zich uitbreidt heet de
a./ golfsnelheid
b./ deeltjessnelheid
c./ golflengte
d./ cyklus
3. De golflengte
a./ is de lengte van het herhalingsmotief van een sinusoïdale golf
b./ is de waarde vanaf de nul tot aan de maximale uitslag (sterkte) van een golf
c./ afstand tussen twee golftoppen
d./ afstand tussen bron en ontvanger
4. Wat is de golflengte van een sinusoïdale geluidsgolf van 1000 Hz in lucht
gegeven de geluidsnelheid van 340 m/s.
a/ 2,94 m
b/ 3,4 m
c/ 29,41 m
d/ 340 cm
5. De eenheid van de golfsnelheid is
a/ rad/s
b/ m/s
c/ Hz/s
d/ rad
6. In een transversale golf
a./ is storing loodrecht op de voortplantingsrichting van de golf
b./ is storing evenwijdig met de voortplantingsrichting van de golf
c./ gaan de deeltjes niet mee
d./ gaan de deeltjes mee
,7. In een longitudinale golf
a./ is storing loodrecht op de voortplantingsrichting van de golf
b./ is storing evenwijdig met de voortplantingsrichting van de golf
c./ gaan de deeltjes niet mee
d./ gaan de deeltjes mee
8. De situatie in de figuur beschreef
vast uiteinde
a./ een puls in een touw met de los uiteinde
b./ een puls in een touw met de vast uiteinde A
c./ een situatie die kan nooit kan voorkomen
d./ optelling (superpositie) van pulsen na reflectie
9. De situatie in de figuur beschreef
a./ een puls in een touw met de los uiteinde
los uiteinde
b./ een puls in een touw met de vast uiteinde B
c./ een situatie die kan nooit kan voorkomen
d./ optelling (superpositie) van pulsen na reflectie
10. Een golf begint aan het linkeruiteinde van een lang touw wanneer iemand het
touw heen en weer schudt met een frequentie van 4 Hz. De golf lijkt met een
snelheid van 5 m/s naar rechts te bewegen. Als de frequentie wordt verhoogd
van 4 tot 5 Hz, is de nieuwe golfsnelheid
a./ 1 m/s
b./ 2,5 m/s
c./ 5 m/s
c./ 20 m/s
11. Wanneer een snaar op een gitaar in trilling wordt gebracht…
a./ ontstaat een patroon van lopende golven
b./ ontstaat een patroon van staande golven
c./ is de snaar ‘in resonantie’
d./ geen van de antwoorden is waar
12. Golfsnelheid van een transversale golf (in een touw of snaar) hangt af van
a./ spanning in een touw of snaar
b./ massa per eenheidslengte van een touw
c./ frequentie
d./ van het uiteinde (los of vast)
,13. Mechanische golven
a./ Ontstaan door optelling (superpositie) van pulsen na reflectie
b./ Ontstaan door een verstoring van een deel van een elastisch medium
c./ Ontstaan allen bij resonantie frequentie
d./ geen van de antwoorden is waar
14. Typische elektromagnetische golven zijn
a./ geluidsgolven
b./ golven in een magnet
c./ licht
d./ COVID-19 golven
15. Twee snaren hebben dezelfde lengte en spanning, maar een ervan is zwaarder
dan de andere. Welke brengt de lagere noot voort?
a./ geen van de twee. Ze trillen met hetzelfde frequentie
b./ de noot is onafhankelijk van de massa van de snaar en hangt alleen van de lengte en
spanning in de snaar af.
c./ de lichtste
d./ de zwaarste
16. Een gitarist speelt de noot ’la’. Het geluid wordt gemaakt door de trilling van
de snaar en naar buiten voortgeplant als een trilling van de lucht. Als we de
trilling in de snaar vergelijken met de trilling in de lucht, welke van de volgende
uitspraken is de waar?
a./ De trilling in de snaar en de trilling in de lucht hebben dezelfde frequentie
b./ De trilling in de snaar en de trilling in de lucht hebben dezelfde golflengte
c./ De trilling in de snaar en de trilling in de lucht hebben dezelfde golfsnelheid
d./ Noch de golflengte, noch de frequentie, noch de snelheid, zijn in de lucht hetzelfde als in de
snaar
17. De geluidssnelheid in lucht hangt van
a./ de geluidsvermogen van de bron
b./ de luchttemperatuur
c./ richtingkarakteristiek van de bron
d./ de amplitude van de golf
18. De geluidintensiteit
a./ kan worden uitgedrukt als het product van de rms druk prms en de rms deeltjessnelheid vrms
b./ kan worden uitgedrukt als het product van de temperatuur t en de rms deeltjessnelheid vrms
b./ wordt weergegeven als het vermogen per eenheid van oppervlakte
c./ wordt weergegeven als de kracht per eenheid van oppervlakte
, 19. De intensiteit van een golf die door de aarde loopt en op 50 km afstand van de
bron wordt gedetecteerd is 1,0.106 W/m2. Wat is de intensiteit van die golf als
die op 200 km van de bron wordt gedetecteerd?
"
a./ 2,14. 10! #!
"
b./ 6,3. 10$ #!
$ "
c./ 2.14. 10 #!
! "
d./ 6,3. 10 #!
20. Wanneer de twee media dezelfde akoestische impedantie hebben
a./ De trilling in de snaar en de trilling in de lucht hebben dezelfde frequentie
b./ Is er geen reflectie
c./ Is er volledige transmissie
d./ Noch de golflengte, noch de frequentie, noch de snelheid, zijn in de lucht hetzelfde als in de
snaar
21. Hoe groter het impedantieverschil van de twee media, …
a./ hoe sterker de golfreflectie
b./ hoe sterker de golftransmisie
c./ hoe groter de impedantie
d./ hoe kleiner de absorptie
22. Geluid beweegt zich in lucht als …
a./ een transversale golf van dichtheidswisselingen in het medium
b./ een longitudinale golf van dichtheidswisselingen in het medium
c./ een buiggolf
d./ een massa met een bepaalde snelheid
23. Hoe hoger de frequentie van het trillend object,
a./ hoe grooter de amplitude van het geluid
b./ hoe lager de frequentie van het geluid
c./ hoe groter de snelhuid van het geluidgolf
d./ hoe hoger de toon of toonhoogte van het geluid
24. Bij reflectie van een geluidsgolf aan een wand verandert:
a./ frequentie van de grondtoon
b./ de amplitude van het geluid
b./ de frequentie van het geluid
c./ kleur van de wand
25. Bij transmissie van een geluidsgolf aan een wand verandert:
a./ frequentie van de grondtoon
b./ de amplitude van het geluid
b./ de frequentie van het geluid
c./ kleur van de wand