Woordenaantal: 1.252
Inleiding
In het arrest Breian oordeelt het Hof van Justitie van de EU in een prejudiciële beslissing dat
de uitvoerende autoriteit van een lidstaat niet verplicht is de tenuitvoerlegging van een
Europees aanhoudingsbevel (EAB) te weigeren, enkel omdat de uitvoerende autoriteit van een
andere lidstaat dit eerder heeft geweigerd op grond van een mogelijk risico op schending van
het recht op een eerlijk proces.1 Dit vormt naar mijn mening een logisch vervolg op de
bestaande rechtspraak.
Feiten
Op 17 december 2020 heeft de Roemeense rechter een Europees aanhoudingsbevel
uitgevaardigd tegen P.P.R. 2 P.P.R. is op 28 juni 2022 in Frankrijk aangehouden, waarna een
overleveringsprocedure tegen hem is gestart. Deze procedure is beëindigd door een
onherroepelijk geworden arrest van de Franse rechter van 29 november 2023. In deze
uitspraak heeft de Franse rechter geweigerd om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te
leggen. 3
Op 29 april 2024 is P.P.R. in Malta aangehouden op grond van hetzelfde, tegen hem
uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel.4
Rechtsvraag en uitspraak
In deze prejudiciële procedure werd het Hof gevraagd of het Kaderbesluit zo moet worden
uitgelegd dat een onherroepelijk arrest van een uitvoerende rechterlijke autoriteit, waarin
overlevering wordt geweigerd, gezag van gewijsde heeft ten aanzien van een andere lidstaat,
of dat het Kaderbesluit zich niet verzet tegen de herhaling van een verzoek tot
tenuitvoerlegging van een EAB, wanneer de belemmeringen voor tenuitvoerlegging zijn
weggenomen of wanneer de eerdere beslissing niet in overeenstemming was met het
Unierecht.5
Het Hof beantwoordt deze vraag door te stellen dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat
niet verplicht is de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren
1
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 123.
2
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 12.
3
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 14.
4
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 17.
5
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 18.
1
, wanneer de uitvoerende autoriteit van een andere lidstaat eerder de tenuitvoerlegging van dat
aanhoudingsbevel heeft geweigerd omdat overlevering van de betrokkene zou kunnen leiden
tot een aantasting van het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten
van de Europese Unie neergelegde grondrecht op een eerlijk proces.6
Analyse
De Breian-uitspraak is vooral relevant in 2 aspecten.
Het eerste aspect:
Het eerste belangrijke aspect van de Breian-uitspraak is dat het Hof de gevolgen van een
eerder weigeren van de tenuitvoerlegging van een EAB verduidelijkt. Het Hof stelt dat het
beginsel van wederzijdse erkenning zich niet uitstrekt tot beslissingen van andere uitvoerende
rechterlijke autoriteiten om de gezochte persoon niet over te leveren.7 Met andere woorden:
een uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van een EAB niet weigeren
uitsluitend op grond van het feit dat een andere lidstaat deze eerder heeft geweigerd, zonder
zelf te onderzoeken of er een reden bestaat die een weigering rechtvaardigt.8 De tweede
lidstaat zal dus de tweetrapstoets moeten uitvoeren, zoals uitgewerkt door het Hof in eerdere
rechtspraak. Deze toets houdt in dat eerst moet worden vastgesteld, op basis van objectieve,
betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens, of er sprake is van een
reëel gevaar op schending van fundamentele rechten wegens structurele of fundamentele
gebreken.9 Indien dit het geval is, moet vervolgens worden beoordeeld of er zwaarwegende,
op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de over te leveren persoon zelf een
reëel risico loopt op daadwerkelijke schending.10
Wel volgt uit het beginsel van wederzijds vertrouwen dat de tweede uitvoerende rechterlijke
autoriteit rekening moet houden met de redenen voor de weigering van de eerste autoriteit.11
Ik kan mij vinden in dit oordeel. Indien een andere lidstaat immers al heeft geconstateerd dat
6
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 123.
7
M. Kappé, ‘Op-Ed: ‘Operationalising mutual trust in the face of doubts about judicial independence and
detention conditions in Romania (PPU Breian (C-318/24))’, EUlawlive.com, 9 september 2024.
8
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 55.
9
J.W. Ouwerkerk, ‘Grenzen aan wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen bij de uitvoering van Europese
aanhoudingsbevelen: convergentie en divergentie in de rechtspraak van het HvJ EU en het EHRM’, Sew:
Tijdschrift voor Europees en Economisch Recht, 2021(12), p. 619.
10
HvJ EU 5 april 2016, C-404/15, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), r.o. 92.
11
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 55. M. Kappé, ‘Op-Ed:
‘Operationalising mutual trust in the face of doubts about judicial independence and detention conditions in
Romania (PPU Breian (C-318/24))’, EUlawlive.com, 9 september 2024.
2
Inleiding
In het arrest Breian oordeelt het Hof van Justitie van de EU in een prejudiciële beslissing dat
de uitvoerende autoriteit van een lidstaat niet verplicht is de tenuitvoerlegging van een
Europees aanhoudingsbevel (EAB) te weigeren, enkel omdat de uitvoerende autoriteit van een
andere lidstaat dit eerder heeft geweigerd op grond van een mogelijk risico op schending van
het recht op een eerlijk proces.1 Dit vormt naar mijn mening een logisch vervolg op de
bestaande rechtspraak.
Feiten
Op 17 december 2020 heeft de Roemeense rechter een Europees aanhoudingsbevel
uitgevaardigd tegen P.P.R. 2 P.P.R. is op 28 juni 2022 in Frankrijk aangehouden, waarna een
overleveringsprocedure tegen hem is gestart. Deze procedure is beëindigd door een
onherroepelijk geworden arrest van de Franse rechter van 29 november 2023. In deze
uitspraak heeft de Franse rechter geweigerd om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te
leggen. 3
Op 29 april 2024 is P.P.R. in Malta aangehouden op grond van hetzelfde, tegen hem
uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel.4
Rechtsvraag en uitspraak
In deze prejudiciële procedure werd het Hof gevraagd of het Kaderbesluit zo moet worden
uitgelegd dat een onherroepelijk arrest van een uitvoerende rechterlijke autoriteit, waarin
overlevering wordt geweigerd, gezag van gewijsde heeft ten aanzien van een andere lidstaat,
of dat het Kaderbesluit zich niet verzet tegen de herhaling van een verzoek tot
tenuitvoerlegging van een EAB, wanneer de belemmeringen voor tenuitvoerlegging zijn
weggenomen of wanneer de eerdere beslissing niet in overeenstemming was met het
Unierecht.5
Het Hof beantwoordt deze vraag door te stellen dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat
niet verplicht is de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren
1
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 123.
2
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 12.
3
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 14.
4
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 17.
5
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 18.
1
, wanneer de uitvoerende autoriteit van een andere lidstaat eerder de tenuitvoerlegging van dat
aanhoudingsbevel heeft geweigerd omdat overlevering van de betrokkene zou kunnen leiden
tot een aantasting van het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten
van de Europese Unie neergelegde grondrecht op een eerlijk proces.6
Analyse
De Breian-uitspraak is vooral relevant in 2 aspecten.
Het eerste aspect:
Het eerste belangrijke aspect van de Breian-uitspraak is dat het Hof de gevolgen van een
eerder weigeren van de tenuitvoerlegging van een EAB verduidelijkt. Het Hof stelt dat het
beginsel van wederzijdse erkenning zich niet uitstrekt tot beslissingen van andere uitvoerende
rechterlijke autoriteiten om de gezochte persoon niet over te leveren.7 Met andere woorden:
een uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van een EAB niet weigeren
uitsluitend op grond van het feit dat een andere lidstaat deze eerder heeft geweigerd, zonder
zelf te onderzoeken of er een reden bestaat die een weigering rechtvaardigt.8 De tweede
lidstaat zal dus de tweetrapstoets moeten uitvoeren, zoals uitgewerkt door het Hof in eerdere
rechtspraak. Deze toets houdt in dat eerst moet worden vastgesteld, op basis van objectieve,
betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens, of er sprake is van een
reëel gevaar op schending van fundamentele rechten wegens structurele of fundamentele
gebreken.9 Indien dit het geval is, moet vervolgens worden beoordeeld of er zwaarwegende,
op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de over te leveren persoon zelf een
reëel risico loopt op daadwerkelijke schending.10
Wel volgt uit het beginsel van wederzijds vertrouwen dat de tweede uitvoerende rechterlijke
autoriteit rekening moet houden met de redenen voor de weigering van de eerste autoriteit.11
Ik kan mij vinden in dit oordeel. Indien een andere lidstaat immers al heeft geconstateerd dat
6
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 123.
7
M. Kappé, ‘Op-Ed: ‘Operationalising mutual trust in the face of doubts about judicial independence and
detention conditions in Romania (PPU Breian (C-318/24))’, EUlawlive.com, 9 september 2024.
8
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 55.
9
J.W. Ouwerkerk, ‘Grenzen aan wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen bij de uitvoering van Europese
aanhoudingsbevelen: convergentie en divergentie in de rechtspraak van het HvJ EU en het EHRM’, Sew:
Tijdschrift voor Europees en Economisch Recht, 2021(12), p. 619.
10
HvJ EU 5 april 2016, C-404/15, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), r.o. 92.
11
HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 (Breian), r.o. 55. M. Kappé, ‘Op-Ed:
‘Operationalising mutual trust in the face of doubts about judicial independence and detention conditions in
Romania (PPU Breian (C-318/24))’, EUlawlive.com, 9 september 2024.
2