100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting pedagogische wetenschappen 'Inleiding in de pedagogiek: opvoeding'

Rating
-
Sold
-
Pages
55
Uploaded on
16-01-2026
Written in
2025/2026

Een volledige samenvatting van het vak inleiding in de pedagogiek: opvoeding. Het tentamen in de eerste zit gehaald. 'Pedagogiek in Beeld' (hoofdstukken 4, 6, 8, 10, 11, 12) en 'Opgroeien in het hedendaagse gezin' worden gebruikt.

Show more Read less
Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Hoofdstuk 1, 2, 3.4, 3.4, 4.4, 4.7, 6.3, 6.5, 6.6, 6.8, 6.9, 8, 9 en 10
Uploaded on
January 16, 2026
Number of pages
55
Written in
2025/2026
Type
Summary

Subjects

Content preview

Inleiding in de pedagogiek:
opvoeding
Hoorcollege 1:
OihHG H1
Traditionele gezin = gezin bestaat uit vader, moeder en enkele kinderen.
Moderne gezin = relatief minder stabiliteit, doordat in stand blijvende relaties niet meer van zelf
sprekend zijn en door toenemende zelfstandigheid.

Jean-Jacques Rousseau benadrukte als eerste de eigenheid van het kind -> indirect ontstaan van
pedagogiek.

Pedagogiek gaat over opvoeding in de breedste zin van het woord. In het praktische werkveld richten
pedagogen zich op het bieden van advies en behandeling of begeleiding bij problematische
opvoedings- en onderwijssituaties, waarbij de nadruk ligt op het kind of de volwassene in een
afhankelijkheidsrelatie in interactie met verschillende milieus: zijn of haar opvoeders,
leeftijdsgenoten, leerkrachten, hulpverleners en sociale media.

Pedagogen bestuderen de opvoeding het onderwijs en de hulpverlening aan kinderen en jeugdigen,
veelal met het oog op verbetering van de praktijk.

De moderne psychiatrie en psychologie zijn ontstaan in de negentiende eeuw als gevolg van de
toenemende aandacht voor psychische problemen. De oorzaak daarvan werd veel gezocht in
lichamelijke aandoeningen, later vond er een omslag plaats en dachten ze dat het door een ongunstig
leefmilieu kwam. Omdat invloed van omgeving cruciaal van belang werd gevonden voor gezonde
ontwikkeling, werd de nadruk gelegd op preventie van problemen.
Er ontstonden verschillende bewegingen zoals de dynamische psychologie (Sigmund Freud) en de
Mental Hygiene Movement -> vroegen aandacht voor geestelijke gezondheid.
Deze bewegingen hebben een belangrijke invloed gehad over hoe er werd gedacht over de
ontwikkeling van kinderen.

Moderne pedagogiek bestudeert de opvoeding en ontwikkeling van alle kinderen en jongeren, en van
volwassenen in een afhankelijkheidsrelatie.

Gezinspedagogiek -> normale ontwikkeling van kinderen in verschillende, specifieke
opvoedingscontexten (niet alleen binnen, maar ook buiten het gezin).

Orthopedagogiek -> problematische situaties (bijv. fysieke, verstandelijke beperkingen,
leerproblemen, ontwikkelingsstoornissen etc).
Doel is optimaliseren van opvoeding voor zowel kind (of volwassenen in afhankelijkheidsrelatie) als
voor de opvoeder.

Neuropedagogiek is een deeldiscipline binnen orthopedagogiek. Focust zich op neurologische
disfuncties. Niet alleen op duidelijke aantoonbare disfuncties (zoals X-syndroom) maar ook op
stoornissen waarvan de neurologische basis niet direct aantoonbaar is (bijv. autisme en ADHD).

,Het model van Bronfenbrenner
Bronfenbrenner stelt dat de ontwikkeling van kinderen plaatst vindt als gevolg van de toenemende
complexe proximale processen (interacties tussen het zich ontwikkelende kind en personen,
symbolen en objecten in onmiddellijke omgeving).
Deze proximale processen vormen de basis van de ontwikkeling van het kind, zeker wanneer zij
regelmatig over een langere periode plaatsvindt.
Hoe deze processen van invloed zijn, zijn afhankelijk van individuele eigenschappen van kind, van
omgeving en aard van de ontwikkelingsuitkomsten.
Bronfenbrenner zegt dat omgeving een belangrijke invloed heeft op ontwikkeling van kind.

5 ecologische systemen:
- Microsysteem: opvoedingssituaties, waar het kind zich begeeft en directe interactie met omgeving
(bijv gezin, school, vrienden)
- Mesosysteem: interacties tussen verschillende opvoedingssituaties (bijv afstemming tussen ouders,
leerkrachten, huisarts) Een goede afstemming is bevorderlijk voor ontwikkeling kind
- Exosysteem: invloed structuren waar kind niet in direct participeert, maar wel die directe omgeving
beïnvloedt (bijv werk van ouders, klas broer/zus, krant, tv)
- Macrosysteem: grote structuren op afstand van het kind (bijv cultuur, religie)
- Chronosysteem: historische ontwikkelingen in omgeving van het kind (bijv overlijden of scheiding,
verandering in SES) -> wordt in meeste beschrijvingen van model niet meer genoemd.

In ontwikkelingspsychologie staat het microsysteem centraal.
Pedagogiek legt juist nadruk op opvoeding van kinderen en de rol van de opvoedomgeving in die
ontwikkeling.

Het model van Belsky
Belsky gebruikte het model van Bronfenbrenner om voor
het opvoedingshandelen (= opvoedgedrag van ouders) een
vergelijkbaar model te ontwikkelen. In dit model gaat hij er
van uit dat opvoeding ‘tweerichtingsverkeer’ is. Er is sprake
van wederzijdse beïnvloeding tussen opvoeder en kind.
Opvoedingsvaardigheden worden deels bepaald door
ervaringen uit eigen kindertijd en de ontwikkeling van
persoonlijkheid.

Het model van Sameroff (transactioneel model)
Arnold Sameroff was een van de eersten die vaststelde dat het kind geen hulpeloos slachtoffer is van
de opvoeding, maar dat de eigenschappen en het gedrag van het kind bepaald opvoedgedrag kunnen
uitlokken (positief maar ook negatief).
Dit is uitgelegd in het transactionele model.
Veranderingen zijn afhankelijk van elkaar en beïnvloeden elkaar.
Bijv. kind met lastig temperament. Het lastige temperament
heeft invloed op gevoelens van ouders richting het kind,
mishandeling tot gevolg. Mishandeling heeft dan weer invloed
op gedrag kind.
-> negatief interactiepatroon.

,PiB H6
Fenotype = het zichtbare of meetbare kenmerk (bijv kleur ogen, score IQ-test, type
gehechtheidsrelatie dat een kind met ouders heeft).

Nature = wat al in een kind zit bij geboorte -> aangeboren
Nurture = dat de opvoeding die ze krijgen het kind vormt -> aangeleerd

Assortative mating: soort zoekt soort. Individu met bepaalde eigenschap, zoekt partner met diezelfde
eigenschap. Kans op die eigenschap bij toekomstig kind is dan groot.

Fancis Galton (1822-1911) vroeg zich na het boek van Charles Darwin over evolutie af, hoe erfelijke
factoren menselijk gedrag beïnvloeden. Hij identificeerde 1000 mannen op basis van reputatie (als
leider, een uitvinder, iemand van wie de wereld zich bewust is dat er veel aan te denken is). Hij kwam
tot de conclusie dat deze mannen zich tot slechts 300 families behoorde. Hij nam uit elke familie de
man met de meeste reputatie en rangschikte iedereen daaromheen -> hoe verder verwant van die
persoon, hoe minder groot de reputatie.
Het probleem van dit onderzoek was dat invloeden van genen en van omgeving niet te
onderscheiden zijn. Over vrouwen kan je ook niks zeggen, want die waren niet onderzocht.

Het in kaart brengen van iemand genetisch profiel kan door de moleculaire genetica (Gregor Mendel,
ertwen).

Genetische bagage is vastgelegd op chromosomen. Chromosomen liggen opgeslagen in DNA.
DNA bestuurd aanmaak van aminozuren -> zijn eiwitten uit opgebouwd. De eiwitten bepalen
functionere, lichaamsbouw, gedrag, gezondheid.

Dizygote tweelingen = twee eiige tweeling, lijken genetisch gezien even veel op elkaar als gewonen
brusjes. -> twee bevruchte eicellen.

Monozygote tweelingen = één eiige tweeling, genetisch identiek. -> één bevruchte eicel.

Bij tweelingen valt het verschil in omgeving door het verschil in geboorte omgeving weg. Gedeelde
omgeving wordt wat groter en unieke omgeving wordt wat kleiner.

Judith Harris vond dat ouders er niet veel toe doen. De rol die ze spelen is na het leveren van
genetische ingrediënten uitgespeelt. (hooguit kiezen welke vrienden ze hebben en in welke buurt ze
komen te wonen)

Drie factoren voor de verklaring van variantie in gedrag:
A. Additive genetic effect (genetische bijdrage)
C. Common environment (gedeelde omgeving)
E. Unieke omgeving, waarin ook meetfouten zijn opgenomen -> Error

Tweede manier om relatieve invloed van erfelijkheid en omgeving te schatten is gebaseerd op
individuen die GEEN familie van elkaar zijn. De laatste jaren zijn er mogelijkheden gekomen om een
groot deel van DNA in kaart te brengen en dat maakt ander type onderzoek mogelijk -> Genome-wide
Complex Trait Analysis (GCTA).
Bij GCTA worden grote groepen individuen met elkaar vergelijken op een bepaald fenotype en hun
DNA-profiel. Daarbij worden familieleden uitgesloten (om zo te voorkomen dat er onbedoeld grote

, genetische gelijkenissen tussen individuen bestaat).
Wanneer individuen een bepaald fenotype gemeenschappelijk hebben en ook een bepaald genetisch
kenmerk gelijk hebben, is dit een aanwijzing dat dat genetische kenmerk iets te maken heeft met het
fenotype.
Omdat er veel DNA bij de analyse betrokken is, worden er heel veel vergelijkingen gedaan. Daarom
wordt er gewerkt met een aangepaste P-waarde.
Het is ook belangrijk dat de genetische effecten in onafhankelijke steekproeven te repliceren, om zo
de kans op toevalsbevindingen te verkleinen.

De neiging van het kind om zich te hechten aan de opvoeder is aangeboren -> die neiging heeft
evolutionaire waarde. Voor het kind is het de grootste tijd dat hij/zij kindertijd overleeft wanneer hij
in tijden van nood een vertrouwde volwassen soortgenoot heeft die hem bescherming, warmte en
voeding kan bieden.
Wordt de manier waarop een kind een gehechtheidsrelatie aangaat van ouder op kind doorgegeven?
Er is maar een aantal studies naar gedaan en daar wordt geen genetisch effect in gezien. Er is 1 studie
waar erfelijkheid wel bijdroeg, maar dat was een studie die met een meet instrument is gedaan waar
oorspronkelijk temperament mee werd gemeten (en daar is wel een erfelijkheidscomponent in
gevonden). Het bedoelde SSP meetinstrument is in dit experiment dus niet gebruikt.

In de Nederlandse Generation R-studie is een GCTA voor gehechtheid uitgevoerd en er werd geen
genetisch component gevonden. Maar steekproef was te klein om met zekerheid conclusies te
kunnen trekken. Er wordt niet verwacht dat er een fors genetisch effect is.
Gehechtheid is meer een kenmerk van een relatie dan een kernmerk voor een persoon.

Er is een tweede soort genetische studies. In deze studies probeert men niet te verklaren hoeveel
variantie in gehechtheid verklaard kan worden door genetische factoren, maar of er bepaalde genen
zijn die gerelateerd zijn aan groter kans op veilige of onveilige hechting.
De eerste studie van deze soort verscheen in 2000.
In Hongarije is er een studie gedaan naar een bepaalde groep kinderen waaruit bleek dat de kans op
gedesorganiseerde gehechtheid groter was voor kinderen die een bepaalde vorm van het D4-
receptor-gen hadden. In latere studies kon dit effect alleen niet gerepliceerd worden. Dit patroon
kwam vaker voor bij studies waarbij bepaalde kandidaat-genen gerelateerd werden aan gehechtheid.
In 2011 werden al die genen in verband gebracht en werden getoetst in twee grote steekproeven. De
uitkomsten konden niet worden gerepliceerd.
-> vooralsnog is de conclusie dat hechting niet te maken heeft met genetica.

Bij Genome Wide Association Studies (GWAS) wordt het hele genoom systematisch gescand voor
samenhang tussen SNPs (Single Nucleotide Polymorphisms) en een bepaald fenotype.
Net als bij GCTA geldt een aangepaste p-waarde.
Probleem: als er enkele SNPs komen bovendrijven die gerelateerd zijn aan het fenotype, dan
verklaren ze vaak minder dan 1% van de variantie in het fenotype.
Missing heritability problem: het lukt niet om genen te identificeren die verantwoordelijk zijn voor
het genetische effect dat uit tweelingstudies naar voren komt.

Gen-omgeving interactie (GxE): invloed van het gen is afhankelijk van de omgeving en omgekeerd de
invloed van de omgeving is deels afhankelijk van het genotype.
-> Dragers van 5HTT-gen lopen een groter risico op depressiviteit als ze in de kinderjaren harde of
$9.54
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
lizzy54
4.0
(2)

Get to know the seller

Seller avatar
lizzy54
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
9
Member since
2 year
Number of followers
5
Documents
9
Last sold
3 months ago

4.0

2 reviews

5
1
4
0
3
1
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions