Inleiding
1. Het begrip “Strafrecht”
Het strafrecht is het geheel van rechtsregels dat bepaalt welke gedragingen
strafbaar zijn en welke straffen of maatregelen daarop kunnen volgen.
Dus niet alleen wat, maar ook wie en onder welke voorwaarden iemand
gestraft kan worde
Er zijn 2 soorten strafbare gedragingen:
1. Handelingen = actieve daden die strafbaar zijn (vb. diefstal art. 461
Sw.)
2. Onthoudingen = De persoon wordt gestraft omdat die iets niet deed (vb.
schuldig verzuim art. 422bis Sw.)
De kern van het strafrecht is terug te vinden in het Strafwetboek, maar er
bestaan ook andere bijzondere strafwetten die specifieke misdrijven en hun
straffen regelen bijzonder strafrecht.
Een belangrijk verbindingsartikel is art. 100 Sw. (Scharnierartikel). Deze bepaalt
dat de beginselen van het algemeen strafrecht niet alleen gelden voor
misdrijven uit het Strafwetboek zelf, maar ook voor de misdrijven uit bijzondere
strafwetten, behalve:
1. Wanneer de bijzondere wet uitdrukkelijk afwijkt van de algemene regels
2. Voor de regels over deelneming (art. 66-67 Sw.) en verzachtende
omstandigheden (art. 85 Sw.) TENZIJ de bijzondere wet die toch van
toepassing verklaard.
Het strafrecht voorziet verschillende soorten straffen en maatregelen, afhankelijk
van de aard van het misdrijf en de persoon van de dader:
1. Straffen (art. 7 Sw.)
Geldboete, vrijheidsstraf, elektronisch toezicht, werkstraf, probatiestraf,…
Gevangenisstraf = tot max 5 jaar
Opsluiting = min. 5 jaar
2. Maatregelen
Dit zijn beschermende of herstellende maatregelen, eerder niet bedoeld
om te straffen
(internering voor geesteszieke, plaatsing van minderjarigen,…)
Daarnaast spelen de omstandigheden en persoonlijke hoedanigheid een rol bij de
strafbaarheid:
1. Omstandigheden
, Art 2 Sw. = de strafbaarheid wordt beoordeeld op het tijdstip van de fout
Art. 416 Sw. = wettige verdediging kan strafuitsluitende omstandigheid
zijn
bv. Art. 398 Sw. = opzettelijke slagen en verwonderingen
2. Personen die niet strafbaar kunnen zijn
De koning is onverantwoordelijk. Hij kan niet strafrechtelijk worden
vervolgd.
2. Kenmerken van het strafrecht
Het strafrecht behoort tot het publiekrecht, omdat het zich bezighoudt met de
bescherming van de openbare en maatschappelijke orde.
Een misdrijf verstoort die maatschappelijke orde. Het is de Staat
(vertegenwoordigd door OM) die de dader vervolgt in naam van de
gemeenschap.
Ook het opleggen en uitvoeren van straffen gebeurd volledig door de
overheid.
Een burger (slachtoffer) kan zich aansluiten bij de strafvordering door art.
6.5 BW.
Daarnaast zijn strafwetten van openbare orde. Ze beschermen de kern van de
samenleving en hebben een dwingend karakter. Dat betekent dat niemand
hiervan mag afwijken.
Vb. contract om iemand te vermoorden is nietig. Mededader = dader in
sanctie!
Het strafrecht is ook een sanctierecht. Dat betekent dat het de normen van het
recht afdwingt via sancties. Het heeft zowel een preventieve als een
repressieve functie:
Preventieve functie door de dreiging met straf probeert men
misdrijven te voorkomen
Repressieve functie wanneer er toch een misdrijf gepleegd wordt,
volgt er bestraffing
De sancties hebben een herstellen en resocialiserend doel. Ze moeten de dader
voorbereiden op een terugkeer naar de maatschappij en aanzetten tot
normconform gedrag.
Een straf is een leed dat door de wet wordt bepaald en door de RM wordt
opgelegd als sanctie voor een gepleegd misdrijf.
,Gemeenschapsgerichte straf = straf waarbij de band met de samenleving niet
verknipt wordt
o Werkstraf, elektronisch toezicht, probatiestraf
Repressieve ideeën nemen toe bij de bevolking
Bevolking wilt langere straffen
Bevolking wilt geen voorwaardelijke straffen, straffen moeten uitgedaan
worden
De strafwet
1. Het legaliteitsbeginsel (art. 2 Sw. en 12-14 Gw.)
Het legaliteitsbeginsel vormt de fundamentele basis van het strafrecht. Het
betekent dat geen gedraging strafbaar kan zijn en geen straf kan worden
opgelegd, tenzij:
Wetgever die gedraging vooraf als misdrijf heeft omschreven = geen
misdrijf zonder wet
Wetgever die straf vooraf voorziet = geen straf zonder wet
Het legaliteitsbeginsel brengt gevolgen met zich mee:
Terugwerkende kracht verboden
Een persoon kan niet gestraft worden voor een handeling die op het
moment van uitvoering nog niet strafbaar was latere wet mag niet
retroactief toegepast worden.
Duidelijkheid en voorspelbaarheid
De wetgever moet duidelijke en begrijpelijke strafwetten opstellen,
zodat burgers weten wat mag en wat niet mag.
Strikte interpretatie van strafwetten
Strafwetten moeten streng en letterlijk geïnterpreteerd worden. Men
mag ze niet uitbreiden door analogie (geen situaties “erbij verzinnen”).
De strafrechter mag enkel wat in de wet staat toepassen.
Interpretatie door de rechter
Bij onduidelijkheid moet de rechter nagaan wat de bedoeling van de
wetgever was.
, Er bestaan verschillende interpretatiemethoden:
Strikte interpretatie → letterlijk lezen van de wet.
Evolutieve interpretatie → rekening houden met de huidige
maatschappelijke context (bv. technologie).
Voorbeelden:
-Art. 467, lid 2 Sw. “valse sleutel”
Wordt geïnterpreteerd als elk oneigenlijk gebruik van een sleutel (bv.
Keycard van buur)
-Art. 461 Sw. “zaak”
Vroeger enkel lichamelijke voorwerpen, maar vandaag ook niet
materiële zaken zoals data, elektriciteit, gas… Dit is een voorbeeld
van evolutieve interpretatie.
2. Het toepassingsgebied van de strafwetten
2.1 De toepassing van de strafwet in de tijd
Uit het legaliteitsbeginsel volgt dat een gedraging enkel strafbaar kan zijn
wanneer ze op het moment van uitvoering wettelijk strafbaar was principe van
non-retroactiviteit (art. 2, lid 1 Sw.)
Echter er is een uitzondering op het verbod van retroactiviteit. Als een nieuwe
wet een mildere straf voorziet dan de oude, dan geldt de mildste straf. Dit wilt
dus zeggen dat:
Als op moment van vonnis de strafwet veranderd, moet de mildere straf
toegepast worden
De retroactiviteit van de mildere strafwet geldt zolang het vonnis nog niet
definitief is.
Wanneer het vonnis definitief is, kan de dader enkel nog een genadeverzoek
aan de koning richten om kwijtschelding of strafvermindering te vragen.
In principe geldt geen terugwerkende kracht voor strengere strafwetten, maar
in specifieke gevallen kan dat wel:
1. Het begrip “Strafrecht”
Het strafrecht is het geheel van rechtsregels dat bepaalt welke gedragingen
strafbaar zijn en welke straffen of maatregelen daarop kunnen volgen.
Dus niet alleen wat, maar ook wie en onder welke voorwaarden iemand
gestraft kan worde
Er zijn 2 soorten strafbare gedragingen:
1. Handelingen = actieve daden die strafbaar zijn (vb. diefstal art. 461
Sw.)
2. Onthoudingen = De persoon wordt gestraft omdat die iets niet deed (vb.
schuldig verzuim art. 422bis Sw.)
De kern van het strafrecht is terug te vinden in het Strafwetboek, maar er
bestaan ook andere bijzondere strafwetten die specifieke misdrijven en hun
straffen regelen bijzonder strafrecht.
Een belangrijk verbindingsartikel is art. 100 Sw. (Scharnierartikel). Deze bepaalt
dat de beginselen van het algemeen strafrecht niet alleen gelden voor
misdrijven uit het Strafwetboek zelf, maar ook voor de misdrijven uit bijzondere
strafwetten, behalve:
1. Wanneer de bijzondere wet uitdrukkelijk afwijkt van de algemene regels
2. Voor de regels over deelneming (art. 66-67 Sw.) en verzachtende
omstandigheden (art. 85 Sw.) TENZIJ de bijzondere wet die toch van
toepassing verklaard.
Het strafrecht voorziet verschillende soorten straffen en maatregelen, afhankelijk
van de aard van het misdrijf en de persoon van de dader:
1. Straffen (art. 7 Sw.)
Geldboete, vrijheidsstraf, elektronisch toezicht, werkstraf, probatiestraf,…
Gevangenisstraf = tot max 5 jaar
Opsluiting = min. 5 jaar
2. Maatregelen
Dit zijn beschermende of herstellende maatregelen, eerder niet bedoeld
om te straffen
(internering voor geesteszieke, plaatsing van minderjarigen,…)
Daarnaast spelen de omstandigheden en persoonlijke hoedanigheid een rol bij de
strafbaarheid:
1. Omstandigheden
, Art 2 Sw. = de strafbaarheid wordt beoordeeld op het tijdstip van de fout
Art. 416 Sw. = wettige verdediging kan strafuitsluitende omstandigheid
zijn
bv. Art. 398 Sw. = opzettelijke slagen en verwonderingen
2. Personen die niet strafbaar kunnen zijn
De koning is onverantwoordelijk. Hij kan niet strafrechtelijk worden
vervolgd.
2. Kenmerken van het strafrecht
Het strafrecht behoort tot het publiekrecht, omdat het zich bezighoudt met de
bescherming van de openbare en maatschappelijke orde.
Een misdrijf verstoort die maatschappelijke orde. Het is de Staat
(vertegenwoordigd door OM) die de dader vervolgt in naam van de
gemeenschap.
Ook het opleggen en uitvoeren van straffen gebeurd volledig door de
overheid.
Een burger (slachtoffer) kan zich aansluiten bij de strafvordering door art.
6.5 BW.
Daarnaast zijn strafwetten van openbare orde. Ze beschermen de kern van de
samenleving en hebben een dwingend karakter. Dat betekent dat niemand
hiervan mag afwijken.
Vb. contract om iemand te vermoorden is nietig. Mededader = dader in
sanctie!
Het strafrecht is ook een sanctierecht. Dat betekent dat het de normen van het
recht afdwingt via sancties. Het heeft zowel een preventieve als een
repressieve functie:
Preventieve functie door de dreiging met straf probeert men
misdrijven te voorkomen
Repressieve functie wanneer er toch een misdrijf gepleegd wordt,
volgt er bestraffing
De sancties hebben een herstellen en resocialiserend doel. Ze moeten de dader
voorbereiden op een terugkeer naar de maatschappij en aanzetten tot
normconform gedrag.
Een straf is een leed dat door de wet wordt bepaald en door de RM wordt
opgelegd als sanctie voor een gepleegd misdrijf.
,Gemeenschapsgerichte straf = straf waarbij de band met de samenleving niet
verknipt wordt
o Werkstraf, elektronisch toezicht, probatiestraf
Repressieve ideeën nemen toe bij de bevolking
Bevolking wilt langere straffen
Bevolking wilt geen voorwaardelijke straffen, straffen moeten uitgedaan
worden
De strafwet
1. Het legaliteitsbeginsel (art. 2 Sw. en 12-14 Gw.)
Het legaliteitsbeginsel vormt de fundamentele basis van het strafrecht. Het
betekent dat geen gedraging strafbaar kan zijn en geen straf kan worden
opgelegd, tenzij:
Wetgever die gedraging vooraf als misdrijf heeft omschreven = geen
misdrijf zonder wet
Wetgever die straf vooraf voorziet = geen straf zonder wet
Het legaliteitsbeginsel brengt gevolgen met zich mee:
Terugwerkende kracht verboden
Een persoon kan niet gestraft worden voor een handeling die op het
moment van uitvoering nog niet strafbaar was latere wet mag niet
retroactief toegepast worden.
Duidelijkheid en voorspelbaarheid
De wetgever moet duidelijke en begrijpelijke strafwetten opstellen,
zodat burgers weten wat mag en wat niet mag.
Strikte interpretatie van strafwetten
Strafwetten moeten streng en letterlijk geïnterpreteerd worden. Men
mag ze niet uitbreiden door analogie (geen situaties “erbij verzinnen”).
De strafrechter mag enkel wat in de wet staat toepassen.
Interpretatie door de rechter
Bij onduidelijkheid moet de rechter nagaan wat de bedoeling van de
wetgever was.
, Er bestaan verschillende interpretatiemethoden:
Strikte interpretatie → letterlijk lezen van de wet.
Evolutieve interpretatie → rekening houden met de huidige
maatschappelijke context (bv. technologie).
Voorbeelden:
-Art. 467, lid 2 Sw. “valse sleutel”
Wordt geïnterpreteerd als elk oneigenlijk gebruik van een sleutel (bv.
Keycard van buur)
-Art. 461 Sw. “zaak”
Vroeger enkel lichamelijke voorwerpen, maar vandaag ook niet
materiële zaken zoals data, elektriciteit, gas… Dit is een voorbeeld
van evolutieve interpretatie.
2. Het toepassingsgebied van de strafwetten
2.1 De toepassing van de strafwet in de tijd
Uit het legaliteitsbeginsel volgt dat een gedraging enkel strafbaar kan zijn
wanneer ze op het moment van uitvoering wettelijk strafbaar was principe van
non-retroactiviteit (art. 2, lid 1 Sw.)
Echter er is een uitzondering op het verbod van retroactiviteit. Als een nieuwe
wet een mildere straf voorziet dan de oude, dan geldt de mildste straf. Dit wilt
dus zeggen dat:
Als op moment van vonnis de strafwet veranderd, moet de mildere straf
toegepast worden
De retroactiviteit van de mildere strafwet geldt zolang het vonnis nog niet
definitief is.
Wanneer het vonnis definitief is, kan de dader enkel nog een genadeverzoek
aan de koning richten om kwijtschelding of strafvermindering te vragen.
In principe geldt geen terugwerkende kracht voor strengere strafwetten, maar
in specifieke gevallen kan dat wel: