1
, INLEIDING:
CARDIALE REVALIDATIE EN ALGEMENE ASPECTEN
Definitie
Cardiale revalidatie = Gecombineerd medisch, fysiek, psychosociaal en educatief programma
dat patiënten helpt om:
• De onderliggende ziekte gunstig te beïnvloeden
• Fysiek, mentaal en sociaal optimaal te functioneren
• Hun rol in het dagelijks leven te hervatten
Klasse I – IIa / Level A – B:
• Klasse I = benefit veel hoger dan risico; interventie
moet zeker gebeuren
• Klasse IIa = benefit is hoger dan risico maar extra
onderzoek mag; interventie is redelijk om uit te
voeren
• Level A = verschillende populaties zijn geëvalueerd,
verschillende RCT en meta-analys es
• Level B = gelimiteerde populatie is geëvalueerd,
data van 1 RCT of non randomized studie
Algemene Doelen
Fysieke doelen
• Inzicht krijgen in eigen fysieke grenzen (confrontatie objectieve grenzen)
• Leren omgaan met fysieke beperkingen (in verschillende scenario’s confronteren)
• Angst voor inspanning overwinnen (subjectieve grenzen)
• Inspanningsvermogen optimaliseren (belastbaarheid verbeteren voor; ADL, werk, hobby’s)
• Actieve levensstijl ontwikkelen (!educatie v kiné; intensief begin → levenslang onderhoud)
Mentale doelen
• Emotioneel evenwicht herstellen
• Functioneel leren omgaan met hartziekte
o Voorkomen van over- of onderschatting + ontkenning van de aandoening
• Angst voor inspanning verminderen
Sociale doelen
• Evenwicht binnen gezin/relaties herstellen
• Hervatten van sociale rollen en werk
• Vrijetijdsbesteding optimaliseren → meer zelfcontrole
2
, Leefstijl & Risicogedrag
Beïnvloedbare factoren: cholesterol, hypertensie, DM2, obesitas, roken, inactiviteit, alcohol,
voeding, angst/depressie/stress, therapietrouw
Niet-beïnvloedbaar: leeftijd, geslacht, genetica, etniciteit
Doelen:
• Risico’s in kaart brengen
• Haalbare acties bepalen
• Stoppen met roken, gezonde voeding, actieve leefstijl, stressmanagement, therapietrouw
Kerncomponenten
• Altijd op maat van de patiënt
• Multidisciplinair team (arts, kinesitherapeut, psycholoog, diëtist, sociaal werker…)
Fasen van Cardiale Revalidatie
Fase Inhoud Duur
0 Pre-operatief Voor operatie
1a Klinische fase/revalidatie tijdens hospitalisatie Enkele dagen – max 14 dagen
1b Revalidatie onmiddelijk na ontslag Enkele dagen – 4 weken
2 Ambulante revalidatie (45 sessies) 8 weken – 6 maanden
3 Onderhoudsfase / post revalidatie fase Levenslang
Indicaties / Voor wie?: ACS (STEMI/NSTEMI), HFref (chronisch stabiel hartfalen), PCI, CABG,
klepchirurgie, transplantatie, congenitale correcties, VAD, ICD/pacemaker.
Contra-indicaties: onstabiele angina, acute CHF, ongecontroleerde ritmestoornissen, SBP > 200,
acute pericarditis, recente embolie, obstructieve cardiomyopathie, ernstige aortastenose,
ongecontroleerde diabetes.
Fase 1A – Klinische Revalidatie (Hospitalisatie)
Doelen
START: na 24 – 48u; meestal stabiele patiënt
• Educatie patiënt + familie
• Complicaties van bedrust voorkomen
• Snelle terugkeer naar ADL (3–4 MET)
• Angst/depressie verminderen
• Veilig ontslag voorbereiden
Gevolgen van bedrust
• Spieren: ↓ massa, kracht, uithouding, mobiliteit
• Cardiaal/aeroob: ↑ rust-HR, ↓ SV, ↓ CO, ↓ VO₂peak, orthostatische intolerantie
• Vocht: ↓ plasmavolume, ↑ veneuze stase
• Bot/huid: botverlies, drukletsels
• Respiratoir: ↓ longvolumes/capaciteit, atelectase
3
, Criteria om te starten
• Geen retrosternale pijn laatste 8u
• Geen nieuwe decompensatie
• Geen nieuwe ritmestoornissen
• Rust-HR < 130 bpm
Stopcriteria
• Abnormale BD-respons (↓ ≥10 mmHg of ↑ ≥40 mmHg)
• Ritmestoornissen
• 2/3de graad AV blok
• Vegetatieve reacties
• Angina/Retrosternale pijn
• Dyspnoe of vermoeidheid disproportioneel à pompfunctiestoornissen
• Oedeem
• Patiënt geeft aan niet meer te kunnen
Progressiecriteria
Normale toenames/veranderingen:
• HR ↑ < 30 bpm
• SBP ↑ 10–40 mmHg
• Geen nieuwe ritme/ST-veranderingen
• Geen nieuwe symptomen
Klinisch monitoren
VOOR/TIJDENS/NA mobilisatie + oefenen = cruciaal
• (ECG) HF, ritme, BD, ademhaling
• Pijn, kleur, zweten
• Saturatie
• Borg-score, dyspneu
Kinesitherapeutisch handelen
• Frequentie: ademhaling dagelijks; mobilisatie 2×/dag → vanaf dag 4: 1×/dag
• Intensiteit: laag, progressief verhogen indien asymptomatisch, veilig en dynamisch, Borg 11–14
• Type: ademhalingstherapie, analytische oefeningen, transfers, mobilisaties, uithouding
• Tijd: ±20 min, korte rustpauzes op vraag van de patiënt
• Progressie: eerst duur verhogen naar 10/15 min→ dan intensiteit
Fase 1B – Subacute Fase (na ontslag)
Doelen:
• Ademhalingsoefeningen
• Lichte inspanning
• Lenigheid
• Functionele opbouw
• Duur: 4–6 weken
4
, ECG HERHALING
(korte herhaling, niet uit de les)
Hart – as bepalen
Equifasische afleiding zoeken
1. R & S zo dicht mogelijk bij elkaar (ze moeten elkaar het best uitbalanceren)
2. Loodrecht op equifasische afleiding pakken, positief = richting vd pijl ó negatief
Richtingen van de pijl: Tegenovergestelde richting:
a. I = 0° I = -/+ 180°
b. II = 60° II = -120°
c. III = 120° III = -60°
d. aVL = -30° aVL = +150°
e. aVF = 90° aVF = -90°
f. aVR = -150° aVR = 30°
Loodrechten op elkaar
a) I ó aVF
b) II ó aVL
c) III ó aVR
3. 15 graden bij tellen (negatieve as vd equifase) of aftrekken (positieve as vd equifase)
Hartfrequentie
Normaal 60-100BPM = sinoatriaal
1. 1500 gedeeld door aantal blokjes tussen 2 QRS complexen
2. Regelmatig?
a. P-P top afstanden moeten gelijk zijn
Evaluatie P-Golf:
Korter dan 3mm (0,12sec)
Max 2.5mm amplitude in II
1. Positief in I, II, aVF, aVL, V2-V6
2. Negatief in aVR
3. Bifasisch in V1 (negatief deel max 1mm diep + breed)
PR-interval
Normaal = 3-5mm
1. Begin van P-golf tot begin QRS-complex
2. Gemakkelijkste in II
3. Kijk of het:
a. Korter of langer is
b. Constant of variabel is
Bepaal fysiologische Q
Normaal = kleiner dan ¼ van de R-top & smaller dan 1mm (scherp)
1. NOOIT Q in V1 & aVR
2. Kleine Q in I, II, III, aVL, aVF, V3 – V6
3. Abnormale Q in minsten 2 afleidingen = indicatie van oud-infarct
5
,QRS-complex
1. R+S is kleiner dan 5mm in I, II, III
2. R+S is kleiner dan 10mm in, aVR, aVL, aVF
3. Niet breder dan 3 blokjes
4. R moet na V3 groter zijn dan S, in aVR & V1-V3 is een grote R = abnormaal
ST-interval
1. Moet smaller zijn dan T-golf
2. Enkel in V2 mag het J-punt boven de basislijn liggen
ST-elevatie
Elevatie = infarctzone
1. Meer dan 1mm in afleidingen buiten aVR & V1-V2
2. Meer dan 2mm in V1 of V2
3. Minsten in 2 afleidingen
ST-depressie
1. Meer dan 1mm aflopende/horizontaal ST-segment in alle afleidinge buiten aVR
a. Minsten in 2 afleidingen (buiten aVR he)
Linkerventrikelhypertrofie
1. Hol lopend ST-segment
T-golf
Uitslag gelijk aan QRS-complex
Rond & smooth
Amplitude meer dan 0,5mm
1. Enkel negatief in V2 als dat ook in V1 is
2. Positief in I, II, V3-V6
3. Negatief in aVR & V1
- Verlengd indien langer dan 11 blokjes bij een man en 11,5 blokjes bij een vrouw
- Verkort indien korter dan 8,75 blokjes
6
, NORMALE ECG
Wat toont een ECG?
• Registratie van elektrische activiteit van het hart (depolarisatie & repolarisatie).
• Depolarisatie = contractie, repolarisatie = herstel.
• 3 soorten cellen:
o Pacemakercellen (sinusknoop) → ritme
o Geleidingscellen → snelle verspreiding
o Myocardcellen → contractie
De 12 afleidingen (camera’s), 10 elektroden
6 Perifere afleidingen (frontaal vlak)
• Bipolair: I, II, III
• Unipolair: aVR, aVL, aVF
• Inferieur: II, III, aVF
• Lateraal: I, aVL
• aVR kijkt naar “hoofdstam” (normaal negatief)
6 Precordiale afleidingen (horizontaal vlak)
• V1–V2: septaal van LV
• V3–V4: anterieur van LV
• V5–V6: lateraal van LV
Mean vector voor de voorkamers
- Van rechts boven naar links beneden
Mean vector voor de kamers
- Van rechts boven naar links beneden
maar is sterker (groter)
7
,ECG-onderdelen
Golven
• P = atrium depolarisatie
• Q = septum depolarisatie
• R = ventrikel depolarisatie links
• S = ventrikel depolarisatie rechts
• T = ventrikel repolarisatie
Intervallen
• PR: 0.12–0.20 s → AV-geleiding
• QRS: < 0.10–0.12 s → snelheid ventrikeldepolarisatie
• QT: ventrikelrepolarisatie
Hartas (frontal plane axis)
Gebruik afleiding I en aVF:
• Normaal: beide positief (−30° tot +90°)
• Linkerasdeviatie: I +, aVF –
• Rechterasdeviatie: I –, aVF +
• Extreme deviatie: beide –
SAVE-IT methode (systematisch ECG lezen)
S – Sinusknoopactiviteit
• P-golf vóór elk QRS (nee? = geen sinusritme!)
• Uitslag – vorm – breedte (<0,12s/3mm) – hoogte (best in II)
• P positief in II, III, aVF, (aVL, V2 – V6)
• P negatief in aVR
• P Bifasisch in V1
• Frequentie 60–100 bpm (bij onregelmatig ritme: aantal QRS in 3 sec (15 grote hokjes) * 20)
• Regelmatig ritme
A – AV-knoop pauze
• PR-interval 0.12–0.20 s (3 – 5mm)
• Kort? Lang? Variabel? Constant?
8
,V – Ventrikelactiviteit
• Fysiologische Q: eerste negatieve uitslag; small (<1mm/0,04s) en scherp
o Nooit in aVR of V1 kijken!
• Pathologische Q’s: indicatie oud infarct; (diep (>1/4 van R), breed, in 2 of meer aanpalende leads)
o hoe meer afleidingen = hoe groter infarct
• Amplitude: zegt iets over hoeveelheid spier;
o LV-hypertrofie = R in V5/6 + S in V1 > 35mm
o RV-hypertrofie = R in V1 + S in V5/6 > 10mm
• R-progressie: V1 rS → V6 qR (R > S vanaf V3)
o M.a.w. R > S voor V3 = abnormaal
• Microvoltages: hoogte R + diepte S < 5mm
E – Ectopische slagen
• Extrasystolen
• Escape beats
I – Ischemie (ST-segment)
• Normaal iso-elektrisch of lichtjes oplopend
• ST-segment veranderd als contractie te veel aan hartcellen vraagt
• ST-elevatie: Myocard infarct, injury, urgency!!
o > 1 mm in I, II, III, aVL, aVF, V3–V6
o > 2 mm in V1–V2
o In ≥ 2 aanpalende leads
• ST-depressie:
o > 1 mm, horizontaal/aflopend in alle afleidingen buiten aVR
o In ≥2 leads
o Past bij ischemie of LVH-strain
• LV-hypertrofie: verdikt myocard loopt O2 – te kort op tijdens contractie = strain
T – T-top
• Positief in I, II, V3–V6
• Negatief in aVR en soms V1 (→ negatief in V2 dan moet het in V1 ook)
• Vorm: asymmetrisch, smooth → NIET spits
• QTc beoordelen (II, V5-V6) : verlengd; > 440 ms (man), > 460 ms (vrouw) / verkort; < 350ms
9
, ABNORMALE ECG
HYPERTROFIE & DILATATIE
Basisbegrippen
Hypertrofie = verdikking van de hartspier door drukoverbelasting → typisch bij ventrikels
Oorzaken: hart moet meer werk leveren
• Aortaklepstenose (moeilijker uitpompen → hogere druk)
• Hypertensie (=hoge BD) (perifere weerstand ↑)
Dilatatie = uitzetting van een hartkamer door volume-overbelasting → typisch bij atria
(spreken van dilatatie ondanks er verdikking is)
Oorzaken:
• Mitralisklepinsufficiëntie (bloed lekt terug → atrium moet meer volume opvangen)
Algemene ECG-effecten bij hypertrofie/dilatatie
• Depolarisatie duurt langer → breder QRS of bredere P
• Meer spiermassa → hogere amplitude
• Verandering in elektrische hartas
Rechteratriumdilatatie (RAD) — P pulmonale
Hoe herken je het?
• Hoge P-golf (puntig)
• Breedte is normaal (<120 ms) → want bepaald door linker kant
• Amplitude: 1 vd 2 of beide
o > 2.5 mm in II en/of III en/of aVF
o > 1.5 mm in V1 (positieve eerste deel)
Waarom?
Rechter atrium groter → meer elektrische kracht → hogere P.
Typische oorzaken
• Pulmonale hypertensie
• Longembool
Linkeratriumdilatatie (LAD) — P mitrale
Hoe herken je het?
• Brede P-golf > 120 ms in I en/of II
• Getande P (twee bultjes → tweede deel hoger)
• In V1: breed (>40ms) en diep (>1 mm) negatief tweede deel
Waarom?
Linker atrium depolariseert later → P wordt langer en tweedelig.
Typische oorzaken
• Mitralisklepinsufficiëntie
• Vaak samen met LVH (hypertensie, aortastenose)
10