Hoorcollege 4 Jeugdigen met leerstoornissen
Deel 1: Leerstoornissen of leerprobleem?
(Leer)stoornis of (leer)probleem
De scheidslijn is soms lastig te bepalen, wanneer wordt bijvoorbeeld moeite met
rekenen dyscalculie etc. Er is geen zwart-wit grens. Er zijn wel
aanknopingspunten waarnaar gekeken kan worden. In hoeverre heeft iemand
last van het probleem? Zit het ook het functioneren in de weg? Wordt de rest van
de ontwikkeling bedreigd? Zijn gewone middelen niet meer passend?
De orthopedagoog en onderzoek
Bij leerproblemen intake, diagnostisch onderzoek, eindgesprek/uitslag en
vervolg.
Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen
Dyscalculie en dyslexie vallen onder de neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen. Hieronder vallen ook autisme en een verstandelijke
beperking. Wat zijn de overeenkomsten? Het is vanaf jonge leeftijd al begonnen,
meestal is het al snel zichtbaar. Daarnaast zit het in de hersenen, er is sprake
van een hersenafwijking. Met een hersenafwijking wordt ook bedoeld dat er
gebieden in de hersenen anders (samen) werken.
Er zijn verschillende mogelijkheden van oorzaken. Het kan aangeboren zijn, het is
ergens tijdens de zwangerschap ontstaan. Een tweede oorzaak is erfelijkheid, als
je 1 ouder hebt met bijvoorbeeld dyslexie, dan heb jij als kind 40-50% kans om
het ook te krijgen, als beide ouders het hebben, heb jij als kind 80% om het ook
te krijgen. Een laatste oorzaak is dat er sprake kan zijn van een
hersenbeschadiging door bijvoorbeeld een ongeluk.
Classificatie: specifieke leerstoornis
In de DSM vind je die specifieke leerstoornissen. ABCD zijn de criteria waar de
orthopedagoog naar kijkt om vast te stellen of er sprake is van een specifiek
leerstoornis.
A: Moeite met schoolse vaardigheden. Duur moet langer zijn dan 6 maanden.
Ondanks interventie nog te weinig verandering. Minimaal één van de beschreven
moeilijkheden
1) Onnauwkeurig of langzaam en moeizaam lezen van woorden (leest bijvoorbeeld
losse woorden fout of langzaam en aarzelend hardop voor, raadt vaak woorden,
heeft problemen met het goed uitspreken van woorden).
2) Moeite om de betekenis te begrijpen van wat wordt gelezen (kan bijvoorbeeld de
tekst correct lezen, maar begrijpt de volgorde, relaties, gevolgtrekkingen of
diepere betekenis van het gelezen niet).
3) Moeite met spelling (voegt bijvoorbeeld klinkers en medeklinkers toe, laat ze weg,
of vervangt ze).
4) Moeite om zich schriftelijk uit te drukken (maakt bijvoorbeeld in zinnen talloze
grammaticale of interpunctiefouten; deelt de alinea’s slecht in; zijn of haar
schriftelijke weergave van ideeën is niet helder).
5) Moeite met het zich eigen maken van gevoel voor en feiten rond getallen en
berekeningen (begrijpt bijvoorbeeld getallen niet goed, begrijpt hun grootte en
onderlinge relaties niet; telt op de vingers om getallen onder de 10 op te tellen in
plaats van de rekenregels te gebruiken zoals leeftijdgenoten dat doen; raakt de
draad kwijt in een berekening en wisselt van aanpak).
6) Moeite met cijfermatig redeneren (heeft bijvoorbeeld veel moeite met het
toepassen van cijfermatige concepten, feiten of procedures om kwantitatieve
problemen op te lossen).
B. Vergelijking met kalenderleeftijd. Negatieve invloed op schoolprestaties
C. Is het begonnen tijdens de schooljaren?
Deel 1: Leerstoornissen of leerprobleem?
(Leer)stoornis of (leer)probleem
De scheidslijn is soms lastig te bepalen, wanneer wordt bijvoorbeeld moeite met
rekenen dyscalculie etc. Er is geen zwart-wit grens. Er zijn wel
aanknopingspunten waarnaar gekeken kan worden. In hoeverre heeft iemand
last van het probleem? Zit het ook het functioneren in de weg? Wordt de rest van
de ontwikkeling bedreigd? Zijn gewone middelen niet meer passend?
De orthopedagoog en onderzoek
Bij leerproblemen intake, diagnostisch onderzoek, eindgesprek/uitslag en
vervolg.
Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen
Dyscalculie en dyslexie vallen onder de neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen. Hieronder vallen ook autisme en een verstandelijke
beperking. Wat zijn de overeenkomsten? Het is vanaf jonge leeftijd al begonnen,
meestal is het al snel zichtbaar. Daarnaast zit het in de hersenen, er is sprake
van een hersenafwijking. Met een hersenafwijking wordt ook bedoeld dat er
gebieden in de hersenen anders (samen) werken.
Er zijn verschillende mogelijkheden van oorzaken. Het kan aangeboren zijn, het is
ergens tijdens de zwangerschap ontstaan. Een tweede oorzaak is erfelijkheid, als
je 1 ouder hebt met bijvoorbeeld dyslexie, dan heb jij als kind 40-50% kans om
het ook te krijgen, als beide ouders het hebben, heb jij als kind 80% om het ook
te krijgen. Een laatste oorzaak is dat er sprake kan zijn van een
hersenbeschadiging door bijvoorbeeld een ongeluk.
Classificatie: specifieke leerstoornis
In de DSM vind je die specifieke leerstoornissen. ABCD zijn de criteria waar de
orthopedagoog naar kijkt om vast te stellen of er sprake is van een specifiek
leerstoornis.
A: Moeite met schoolse vaardigheden. Duur moet langer zijn dan 6 maanden.
Ondanks interventie nog te weinig verandering. Minimaal één van de beschreven
moeilijkheden
1) Onnauwkeurig of langzaam en moeizaam lezen van woorden (leest bijvoorbeeld
losse woorden fout of langzaam en aarzelend hardop voor, raadt vaak woorden,
heeft problemen met het goed uitspreken van woorden).
2) Moeite om de betekenis te begrijpen van wat wordt gelezen (kan bijvoorbeeld de
tekst correct lezen, maar begrijpt de volgorde, relaties, gevolgtrekkingen of
diepere betekenis van het gelezen niet).
3) Moeite met spelling (voegt bijvoorbeeld klinkers en medeklinkers toe, laat ze weg,
of vervangt ze).
4) Moeite om zich schriftelijk uit te drukken (maakt bijvoorbeeld in zinnen talloze
grammaticale of interpunctiefouten; deelt de alinea’s slecht in; zijn of haar
schriftelijke weergave van ideeën is niet helder).
5) Moeite met het zich eigen maken van gevoel voor en feiten rond getallen en
berekeningen (begrijpt bijvoorbeeld getallen niet goed, begrijpt hun grootte en
onderlinge relaties niet; telt op de vingers om getallen onder de 10 op te tellen in
plaats van de rekenregels te gebruiken zoals leeftijdgenoten dat doen; raakt de
draad kwijt in een berekening en wisselt van aanpak).
6) Moeite met cijfermatig redeneren (heeft bijvoorbeeld veel moeite met het
toepassen van cijfermatige concepten, feiten of procedures om kwantitatieve
problemen op te lossen).
B. Vergelijking met kalenderleeftijd. Negatieve invloed op schoolprestaties
C. Is het begonnen tijdens de schooljaren?