H1: Chemie van het leven
Element =fundamenteel (puur) deel van een materie
->kan niet opgebroken worden tot simpelere vorm
Atoom =kleinste eenheid van een element dat nog steeds
alle fysieke & chemische eigenschappen van element
bevat
->kleinste eenheden materie die deel kunnen
uitmaken van een chemische reactie
Isotropen =atomen met hetzelfde atoomgetal maar een andere
atoommassa
->hebben minder/meer neutrons dan normale aantal
voor elementen
Solvent =vloeistof waarin andere stoffen oplossen
Solute =elke stof dat oplost
Acid =zuur (lagere pH dan 7)
=molecuul dat H+ioon kan doneren, bij toevoeging
aan water: zure oplossing
->hoe meer waterstofionen, hoe lager pH, hoe
zuurder
Base =basis
=molecuul dat H+ioon kan accepteren, bij toevoeging
aan water: alkalische oplossing
->hoe lager waterstofioonconcentratie, hoe hoger
pH, hoe minder zuur
Buffer =elke substantie die verandering in pH minimaliseert
bv: bij base/zuur toevoegen: voorkomen grote
veranderingen
=>homeostase bewaren!
->chemische stof, zorgt dat stof tegen stootje kan
(stof blijft zelfde ondanks veranderingen pH waarde)
Organische =moleculen die koolstof (& andere elementen)
moleculen bevatten
->gebonden met covalente bindingen
Macromoleculen Gebouwd in cel: uitdrogingssynthese
“dehydration synthese/condensation reaction” proces
Smallere moleculen (sub units) worden gebonden
door covalente bindingen
->bij elke nieuwe binding: watermolecuul verwijderd
(uitdroging)
1
,1Psy Bio & Z BEGRIPPENLIJST
Dehydratation =enkelvoudige moleculen koppelen aan elkaar: grote
synthese moleculen maken (lange ketens, energie nodig voor
proces!)
Hydrolyse =proces: watermolecuul toegevoegd, covalente
binding tussen sub units gebroken
->afbreken organische macromoleculen
~toevoeging water ->stukken splitsen op & energie
komt vrij
R groep =bepaalt vorm & functie aminozuren (AZ)
->kan negatief of positief geladen zijn
Polypeptide =ketting van 3-100 AZ
Eiwit =meer dan 100 AZ + complexe structuur & functie
Denaturatie =permanente verbreking van een eiwitstructuur
->verlies van biologische functie (voorgoed
beschadigd)
Enzymen =katalysator (catalyst)
=stof die een chemische reactie versnelt zonder er
zelf aan deel te nemen
->kan zowel dehydration syntheses & hydrolysis
uitvoeren (maken & breken)
->sturen biochemische reacties lichaam
H2: Structuur & functie van cellen
Microvili =uitsteeksels plasmamembraan: opp. vergroten
zonder veel toename volume
->vooral bij cellen die stoffen in & uit lichaam
transporteren
Ribosomen =kleine structuren, bestaande uit RNA & bepaalde
eiwitten
->eiwitsynthese (assembleren aminozuren tot
eiwitten)
->verbinden aminozuren in juist volgorde adhv RNA-
template
ER =endoplasmatisch reticulum (celorganel)
->synthese biologische moleculen
->vrijgeven eiwitten door vouwen ER (uitscheiden,
verlaten cel)
Vesikels =membraangebonden containers (opslag & transport)
2
,1Psy Bio & Z BEGRIPPENLIJST
Microtubili =kleine holle buizen (deel v. netwerk cytoskelet)
->bestaat uit eiwitten
Microfilamenten =dunne vaste vezels (deel v. netwerk cytoskelet)
->bestaat uit eiwitten
Trilharen =cilia (steken uit oppervlakte)
->bewegen materialen lang oppervlakte cel
(borstelende beweging, veel in luchtwegen)
Flagellen =langer dan trilharen, enkel bij spermacellen
->zweepachtige beweging zorgt voor voortgang
Diffusie =beweging v. moleculen van gebied hoge
concentratie naar gebied lage concentratie
->willekeurig proces
(oorzaak=concentratiegradiënt/verschil in
concentraties)
Selectief =selectively permeable
permeabel ->sommige stoffen mogen diffunderen, andere niet
Plasmamembraan: sterk permeabel voor water (maar
niet voor alle ionen of moleculen)
Toniciteit =relatieve concentratie van opgeloste stoffen in 2
vloeistoffen die van elkaar gescheiden zijn door een
celmembraan
Meest hypotone =puur water (dierlijke cellen gaan daarin dood)
vloeistof
Metabolisme =som alle chemische reacties die leven in
standhouden
->energie & moleculen verwerkt om nieuwe
moleculen op te bouwen & af te breken (afhankelijk v.
wat cel nodig heeft)
->energie die vrijkomt bij afbraak: gebruikt om
andere moleculen op te bouwen of op te slaan
H3: Orgaansystemen
Weefsels =groepen gespecialiseerde cellen
->ongeveer gelijk in structuur + gelijkaardige
functies
De matrix =grootste deel bindweefsel, bestaat uit niet-levend
extracellulair materiaal
3
,1Psy Bio & Z BEGRIPPENLIJST
Vezelig =fibrous connective tissue
bindweefsel ->verbindt lichaamsdelen, geeft kracht,
ondersteuning & flexibiliteit
->bestaat uit vezels & cellen die ingebed zijn in een
grondsubstantie
Los bindweefsel =areolair bindweefsel
->meest voorkomend type
-Omringt vele interne organen, spieren & bloedvaten
-Bevat enkele collageen- & elastische vezels zonder
bepaald patroon =>veel flexibiliteit, beperkte kracht
~vezelig bindweefsel
Dicht -In pezen, ligamenten & onderste laag huid
bindweefsel ->heeft meer collageenvezels (vooral in 1 richting
georiënteerd)
-Sterkste bindweefsel als gerekt in oriëntatie vezels
-Kan scheuren als opzij gerekt
-Weinig bloedvaten (net genoeg levende cellen
voeding geven)
=>genezingsproces duurt lang
~vezelig bindweefsel
Elastisch -Omringt organen die regelmatig vorm/grootte
bindweefsel veranderen
~maag, blaas, stembanden
-Veel elastische vezels (makkelijk rekken &
terugveren)
~vezelig bindweefsel
Reticulair =lymfatisch weefsel
bindweefsel -Interne structuur zachte organen (lever, weefsels
lymfestelsel: milt, amandelen, lymfeklieren)
-Dunne, vertakte reticulaire vezels: vormen onderling
verbonden netwerk
~vezelig bindweefsel
Kraakbeen =overgangsweefsel: ontwikkeling bot
->structuur bepaalde lichaamsdelen / beschermt &
dempt gewrichten
-Vooral collageen, maar grondsubstantie bevat meer
water (goede demper)
-Geen bloedvaten (duurt zeer lang tegen het kapot
gaat)
->cellen krijgen voedingsstoffen via diffusie door
grondsubstantie
~gespecialiseerd bindweefsel
Chrondoblasten =jonge kraakbeencellen
4
,1Psy Bio & Z BEGRIPPENLIJST
Chrondocyten =volwassen kraakbeencellen
Bot -Slechts enkele levende cellen
-Grootste deel botmatrix=harde mineralen (calcium &
fosfaat)
-Bevat wel veel bloedvaten: herstelt binnen ±1
maand
~gespecialiseerd bindweefsel
Bloed -Cellen in vloeibare matrix (plasma)
-Bindweefsel omdat cellen >stamcellen (>bot)
~gespecialiseerd bindweefsel
Vetweefsel =adipose weefsel (vetopslag)
-Weinig bindweefsel (bijna geen grondsubstantie)
-Grootse deel=adipocyten (vetcellen)
-Functies:
->huid: isolatie
->rond interne organen: beschermende laag
~gespecialiseerd bindweefsel
Organen =structuren: bestaan uit 2 of meer weefseltypen
->voeren samen specifieke functie(s) uit
Bv: hart: bloed pompen
->hartspierweefsel, glad spierweefsel, zenuww., bindw. &
epitheelw.
Bv2: nieren ->organen m. meerdere functies
~afvalstoffen verwijderen & regulatie bloeddruk
Orgaansysteme =groepen organen: samen breed & belangrijk doel
n (belangrijk voor bestaan van een individu of soort)
Membraan =algemene term voor dunne laag dat bepaalde
structuren in het lichaam bekleed of bedekt
-Samenvat.:
1. Plasmamembranen (fosfolipiden: omringt elke cel)
2. Basale membranen (extracellulair materiaal:
hierop rust epitheelweefsel)
3. Weefselmembranen (bestaan uit verschillende
lagen weefsel + omringen holtes, organen & gehele
orgaansystemen)
Huidskleur -Iedere mens evenveel melanocyten
(melanocyten) ->raciale huidskleurverschillen door verschil in tempo
van afbraak & melanocytenactiviteit
Papillen =kleine uitsteeksel oppervlakte dermis
->bevatten zintuiglijke zenuwuiteinden & kleine
bloedvaten
5
, 1Psy Bio & Z BEGRIPPENLIJST
-Witte huidskleur: evolutie =>meer vitamine D
kunnen opvangen (compromis migratie naar het
noorden)
Artery =zuurstofrijke slagader
Vein =zuurstofloze slagader
H4: Skeletsysteem
Geel beenmerg =vulling centrale holtes diafyse
-Functie: voornamelijk vet (gebruikt voor energie)
Rood beenmerg -In bepaalde lange botten: vulling ruimtes binnen
sponsachtig bot
-Stamcellen rode beenmerg
->productie RBC, WBC & bloedplaatjes
Periost =periosteum, taaie laag bindweefsel: bedekt
buitenste laag bot
-Bevat gespecialiseerde botvormende cellen
->tegen been schoppen zorgt tot afknelling die cellen
(en dus pijn)
Compact bot =bijna solide, heeft centrale kanalen met zenuwen &
bloedvaten
-Naarmate bot ontwikkeld & hard wordt: osteocyten
gevangengezet in lacunes (holle kamers)
->rechtstreeks contact: canaliculi (dunne kanaaltjes):
osteocyten toch onderling verbonden
->uitwisseling via gap junctions: voorziening cel
(want weinig cellen liggen naast bloedvat)
Osteocyten =cellen bot
->scheiden calciumfosfaat af (wat het grootste
bestanddeel van compact bot is)
Osteonen =cilindrische structuren, hoe osteocyten gerangschikt
zijn
Sponsachtig bot =dankzij structuur: elke osteocyt toegang
nabijgelegen bloedvaten in rode beenmerg
->geen nood aan centrale kanalen voor
voedingsstoffen & afvalverwijdering
Kraakbeen =cartilage: geeft ondersteuning
-Bevat vezels collageen en/of elastine in
grondsubstantie water & andere materialen
->gladder & flexibeler dan bot
Callus =hechting tussen 2 gebroken uiteinden van bot (bij
reparatieproces)
6