De dia laat zien dat verandering een multidimensioneel proces is met vier niveaus:
van rationeel en zichtbaar (bovenstroom) naar relationeel en emotioneel
(onderstroom).
Korte uitleg per niveau:
1. Inhoud – Wat willen we veranderen?
Voorbeeld: doelen, regels, strategie.
2. Proces – Hoe gaan we veranderen?
Voorbeeld: stappenplan, afspraken, rollen.
3. Communicatie/Interactie – Hoe gaan we met elkaar om tijdens de
verandering?
Voorbeeld: vertrouwen, gesprekken, misverstanden, samenwerking.
4. Context / Gevoel – Waarom doe ik wat ik doe? Hoe voelt dit voor mij?
Voorbeeld: angsten, overtuigingen, motivatie, interpretaties van de situatie.
De pijl bovenstroom–onderstroom betekent dat zichtbare verandering afhankelijk is van
onzichtbare, menselijke processen.
In dit model betekent emergent veranderen dat verandering niet volledig van tevoren is
uitgestippeld, maar ontstaat gaandeweg door interacties, ervaringen, emoties en
aanpassingen.
Daarom zitten er vier niveaus in het model: inhoud, proces, communicatie en gevoel.
→ Bij emergent veranderen bepalen vooral de onderstroom (relaties, emoties,
aannames) welke verandering daadwerkelijk ontstaat.
Kort: emergente verandering = verandering die zich ontwikkelt tijdens het proces zelf,
niet vooraf vastligt.
,Emergent in de onderstroom en bovenstroom
Wanneer we spreken over emergent veranderen, de onderstroom en sociaal-adaptieve
gesprekken, vormen ze samen één geheel.
In de onderstroom bespreken mensen hun aannames, emoties, onzekerheden, motivaties
en onderlinge relaties. Daar vinden de sociaal-adaptieve gesprekken plaats waarin men
leert anders kijken naar zichzelf, naar de ander en naar de situatie. Dat proces is niet
vooraf vastgelegd; het ontstaat gaandeweg en wordt daarom emergent genoemd.
Wat in de onderstroom ontstaat, blijft niet onzichtbaar. Als mensen hun verwachtingen
verduidelijken, meer vertrouwen opbouwen, het doel beter begrijpen en hun manier van
samenwerken aanpassen, heeft dat invloed op de bovenstroom. De zichtbare doelen,
plannen en procedures worden aangepast aan wat er onder water werkelijk leeft. Zo
ontstaat verandering eerst in de onderstroom en werkt die daarna door in de
bovenstroom.
De rode pijlen laten zien dat het veranderproces bij emergent veranderen niet lineair
verloopt. Je gaat niet netjes van niveau 1 naar niveau 4 of andersom. In werkelijkheid
beweegt verandering voortdurend van onder naar boven en van boven naar onder.
Wat er in de diepere lagen gebeurt (gevoel, interactie, relatie) beïnvloedt de bovenste
lagen (procedures, inhoud). En andersom kunnen besluiten op de bovenste lagen nieuwe
gevoelens, nieuwe interacties en nieuwe betekenissen in de onderstroom oproepen.
De pijlen geven dus aan dat verandering ontstaat in een dynamische wisselwerking
tussen alle niveaus.
Cyclisch
Stel dat een team kortere vergaderingen wil (dat is niveau 1: het veranderdoel).
Kijk nu hoe de rode pijlen werken:
, 1. Niveau 4 – Gevoel
Iemand denkt: “Ik durf geen vragen te stellen, straks lijk ik dom.”
Dit gevoel zit in de onderstroom.
2. Niveau 3 – Interactie
Omdat die persoon niks durft te zeggen, stelt niemand vragen.
Daardoor worden vergaderingen langer.
3. Niveau 2 – Relatie/Procedure
Het team merkt dat de communicatie niet open is.
Ze besluiten de procedure te veranderen: elke vergadering start met een korte
check-in.
4. Niveau 1 – Inhoud
Door die aanpassing in de onderstroom wordt het oorspronkelijke plan
aangepast: de manier van vergaderen verandert zodat het doel haalbaar wordt.
Hier zie je het:
iets kleins uit de onderstroom (angst → gedrag → relatie) verandert uiteindelijk de
bovenstroom (het plan).
Dat is precies wat de rode pijlen bedoelen:
verandering beweegt steeds tussen onderstroom en bovenstroom.
De pijl van 4 naar 1 laat zien dat gevoel invloed heeft op wat je uiteindelijk wilt
veranderen of bereiken. Wat je voelt bepaalt dus mede je doelen. Het proces is cyclisch:
je emoties sturen je veranderwensen steeds opnieuw bij.
, De grafiek laat zien dat bij sociaal-adaptieve uitdagingen mensen of groepen door een
fase van disbalans gaan. Binnen een “productieve zone” van dat disbalans is er genoeg
spanning om verandering te stimuleren zonder de tolerantiedrempel te overschrijden. In
die zone ontstaat leren en aanpassen. Als het disbalans te laag of te hoog wordt, vindt er
geen echte verandering plaats. De rode lijn toont hoe dat disbalans schommelt tijdens
het aangaan van de adaptieve uitdaging.
van rationeel en zichtbaar (bovenstroom) naar relationeel en emotioneel
(onderstroom).
Korte uitleg per niveau:
1. Inhoud – Wat willen we veranderen?
Voorbeeld: doelen, regels, strategie.
2. Proces – Hoe gaan we veranderen?
Voorbeeld: stappenplan, afspraken, rollen.
3. Communicatie/Interactie – Hoe gaan we met elkaar om tijdens de
verandering?
Voorbeeld: vertrouwen, gesprekken, misverstanden, samenwerking.
4. Context / Gevoel – Waarom doe ik wat ik doe? Hoe voelt dit voor mij?
Voorbeeld: angsten, overtuigingen, motivatie, interpretaties van de situatie.
De pijl bovenstroom–onderstroom betekent dat zichtbare verandering afhankelijk is van
onzichtbare, menselijke processen.
In dit model betekent emergent veranderen dat verandering niet volledig van tevoren is
uitgestippeld, maar ontstaat gaandeweg door interacties, ervaringen, emoties en
aanpassingen.
Daarom zitten er vier niveaus in het model: inhoud, proces, communicatie en gevoel.
→ Bij emergent veranderen bepalen vooral de onderstroom (relaties, emoties,
aannames) welke verandering daadwerkelijk ontstaat.
Kort: emergente verandering = verandering die zich ontwikkelt tijdens het proces zelf,
niet vooraf vastligt.
,Emergent in de onderstroom en bovenstroom
Wanneer we spreken over emergent veranderen, de onderstroom en sociaal-adaptieve
gesprekken, vormen ze samen één geheel.
In de onderstroom bespreken mensen hun aannames, emoties, onzekerheden, motivaties
en onderlinge relaties. Daar vinden de sociaal-adaptieve gesprekken plaats waarin men
leert anders kijken naar zichzelf, naar de ander en naar de situatie. Dat proces is niet
vooraf vastgelegd; het ontstaat gaandeweg en wordt daarom emergent genoemd.
Wat in de onderstroom ontstaat, blijft niet onzichtbaar. Als mensen hun verwachtingen
verduidelijken, meer vertrouwen opbouwen, het doel beter begrijpen en hun manier van
samenwerken aanpassen, heeft dat invloed op de bovenstroom. De zichtbare doelen,
plannen en procedures worden aangepast aan wat er onder water werkelijk leeft. Zo
ontstaat verandering eerst in de onderstroom en werkt die daarna door in de
bovenstroom.
De rode pijlen laten zien dat het veranderproces bij emergent veranderen niet lineair
verloopt. Je gaat niet netjes van niveau 1 naar niveau 4 of andersom. In werkelijkheid
beweegt verandering voortdurend van onder naar boven en van boven naar onder.
Wat er in de diepere lagen gebeurt (gevoel, interactie, relatie) beïnvloedt de bovenste
lagen (procedures, inhoud). En andersom kunnen besluiten op de bovenste lagen nieuwe
gevoelens, nieuwe interacties en nieuwe betekenissen in de onderstroom oproepen.
De pijlen geven dus aan dat verandering ontstaat in een dynamische wisselwerking
tussen alle niveaus.
Cyclisch
Stel dat een team kortere vergaderingen wil (dat is niveau 1: het veranderdoel).
Kijk nu hoe de rode pijlen werken:
, 1. Niveau 4 – Gevoel
Iemand denkt: “Ik durf geen vragen te stellen, straks lijk ik dom.”
Dit gevoel zit in de onderstroom.
2. Niveau 3 – Interactie
Omdat die persoon niks durft te zeggen, stelt niemand vragen.
Daardoor worden vergaderingen langer.
3. Niveau 2 – Relatie/Procedure
Het team merkt dat de communicatie niet open is.
Ze besluiten de procedure te veranderen: elke vergadering start met een korte
check-in.
4. Niveau 1 – Inhoud
Door die aanpassing in de onderstroom wordt het oorspronkelijke plan
aangepast: de manier van vergaderen verandert zodat het doel haalbaar wordt.
Hier zie je het:
iets kleins uit de onderstroom (angst → gedrag → relatie) verandert uiteindelijk de
bovenstroom (het plan).
Dat is precies wat de rode pijlen bedoelen:
verandering beweegt steeds tussen onderstroom en bovenstroom.
De pijl van 4 naar 1 laat zien dat gevoel invloed heeft op wat je uiteindelijk wilt
veranderen of bereiken. Wat je voelt bepaalt dus mede je doelen. Het proces is cyclisch:
je emoties sturen je veranderwensen steeds opnieuw bij.
, De grafiek laat zien dat bij sociaal-adaptieve uitdagingen mensen of groepen door een
fase van disbalans gaan. Binnen een “productieve zone” van dat disbalans is er genoeg
spanning om verandering te stimuleren zonder de tolerantiedrempel te overschrijden. In
die zone ontstaat leren en aanpassen. Als het disbalans te laag of te hoog wordt, vindt er
geen echte verandering plaats. De rode lijn toont hoe dat disbalans schommelt tijdens
het aangaan van de adaptieve uitdaging.