Politicologie
Table of Contents
Inleiding .............................................................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 0: Inleiding .......................................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 1: Politiek en Politieke Wetenschap ...................................................................................................... 3
Hoofdstuk 2: Staat & Macht ................................................................................................................................. 7
Hoofdstuk 3: Breuklijnen en Ideologieën ............................................................................................................. 13
Hoofdstuk 4: Democratie en Politieke Vertegenwoordiging ................................................................................. 21
Hoofdstuk 5: Politieke participatie en sociale bewegingen ................................................................................... 29
Hoofdstuk 6: Politieke partijen en partijsystemen ................................................................................................ 37
Hoofdstuk 7: Kiessystemen en stemgedrag ......................................................................................................... 46
Hoofdstuk 8: Parlement en Regering ................................................................................................................... 55
Hoofdstuk 9: Bestuur en Beleid ........................................................................................................................... 65
Hoofdstuk 10: Administratie en justitie ............................................................................................................... 73
Hoofdstuk 11: Federalisme en Decentralisme ...................................................................................................... 82
Hoofdstuk 12: Internationale politiek .................................................................................................................. 90
Hoofdstuk 13: De Europese Unie ......................................................................................................................... 90
1
,Inleiding
Cursustekst
• Te krijgen bij Universitas (alles goed: 1ste-7de druk)
• Hoofdstuk (13) per les (12). NIET internationale politiek (hoofdstuk 12)
• Boek = quasi exhaustief + vaak uitbreiding (groen) (heb ik aangeduid met een *)
• PowerPoint (in pdf) op Blackboard (maandag)
o Slides zijn belangrijkste, boek minder belangrijk
o Deel slides niet bekeken → slides TOCH kennen voor examen
Praktisch
• Dinsdag 16.00-19.00 uur (stop ±18.25 uur)
• Pauze - onderbreken - vragen stellen
• Poging tot interactief onderwijs
• Opgenomen lessen via Blackboard (pas dag erna beschikbaar)
• Proefexamen:
o Via Blackboard, staat 1 week open, gelijkaardig aan echte examen, andere vragen
• Echt examen: 27 januari 2026
o Schriftelijk (twee uur)
o Multiple Choice: 60 vragen (3 mogelijkheden)
o Nieuwe vragen!
o Leren werken met concepten en begrippen, niet van buiten leren (maar toch (veel) kennis nodig)
o Geen giscorrectie meer maar wel ‘verhoogde cesuur’ (punten vanaf 1/3de juist dus 40 op 60). Gokken
is slim!
Proefexamen
• !!Lees de vraag heel duidelijk!!
• Vraag 5: niet op examen, want niet gezien in de les
o Kennis in les, toepassing niet
o Versnippering klopt
o Maar toch een breed draagvlak bij de burgers willen hebben → fout
• Vraag 10: principles en agents zijn omgedraaid
• Vraag 17: 2e en 3e onderdeel ervan, maar niet exact waar het om gaat
• Vraag 24: 3e juist, andere ook op slides maar ni de definitie van politieke theorie
Inhoud boek en lessen
• Kiessysteem, belangrijkste verschil in politiek!
2
,Hoofdstuk 0: Inleiding
Belang van Politiek
• Voorbeeld: invoeren van autogordel in 1975
o Veel verzet (privézaak) (‘wat moet de overheid doen?’)
o Groot gevolg: geschat 30.000 doden minder (B en NL)
→ Politiek heeft impact/invloed op ons leven
• Politiek: beslist waarover regels worden gemaakt
• Liberalen: mensen vrijlaten → de OH moeit zich veel meer nu
↔ Beperkte ‘maakbaarheid’ van de samenleving (economie, mentaliteit…)(vb. transmigrantencrisis,
vluchtelingencrisis, radicalisering, corona, energie)
• OH heeft moeite om migratie onder controle te houden/reguleren
↔ Nationale politiek verliest zijn greep op de samenleving (Luc Huyse)
• Spanning tussen evoluties EN proberen reguleren
• Algemeen verschijnsel
• Deze cursus: bouwstenen van politiek
• Actoren, instellingen, functioneren
→ In breder kader plaatsen van dagdagelijks versnipperd politiek nieuws
• Historisch (beter begrijpen als we weten waar het van komt)
o vb. vakbonden die mee SZ besturen: zij zijn de uitvinders, historisch gegroeid
• Vergelijkend (comparatief)
*Comparative Politics
• Subdiscipline van de politieke wetenschappen
• ‘If you only know one country, you do not know any country at all’ (Lipset)
• België (Nederland) voortdurend gaan vergelijken met andere landen
o België: proportioneel kiesstelsel vs meervoudig kiesstelsel
• Voorbeeld: sterkte van rechts-populistische partijen (vgl. met Franstalig België)
• = belangrijke tak in de politieke wetenschappen (bestuurskunde, internationale politiek en politieke filosofie)
• Opvolgingsvakken met meer diepgang (Master PS ih Engels, Politieke Communicatie, Internationale
Betrekkingen)
Hoofdstuk 1: Politiek en Politieke Wetenschap
1.1 Politiek
• Politiek = sturen van de (een) samenleving
= alles wat te maken heeft met het besturen van een samenleving
o Afspraken als mensen iets samen willen doen
▪ Het maken van regels: Bv. dingen afspreken met de scouts
▪ Veel dingen zijn politiek: klein- of grootschalig
o Grotere groep → meer afspraken → formeel
o Πολιτικα (politika) = dat wat met de staat (polis) te maken heeft
o = per definitie ook conflicten over sturen van de samenleving
▪ Politiek gaat over manier waarop besluit bekomen wordt
• = brede definitie (politiek is overal)
o Overal waar er regels bestaan
o Ook in verenigingen en organisaties (die een leerschool van de ‘grote’ politiek zijn)
▪ Bv. veel politici hebben bij de scouts gezeten
1.2 Variaties in politiek
1.2.1 Politiek en Territorium
• Welk soort samenleving wordt gestuurd?
• Samenlevingen met en zonder territorium voor dewelke afspraken gelden
o Verbonden aan territorium = cruciaal verschil
3
, o bv. katholieke kerk niet territorium gebonden:
▪ Staat en kerk gescheiden, in andere landen soms wel
• Mét territorium = omvattender (en dwingender)
o Kan je eruit stappen? Je moet verhuizen als je regels niet wilt volgen
• ‘Staten’ hebben grondgebied (↔katholieke kerk; wilde ook ‘sturen’) en zijn daar soeverein:
o Een ‘staat’= geen macht erboven, hoogste soevereine gezag
o *(vb. Russische referenda in Oekraïens gebied, België ipv Vlaanderen)
• Niet alleen staten hebben grondgebied (decentralisatie en internationalisering)
• Territorialiserig van politiek = cruciale historische revolutie
1.2.2 De verschuivende culturele grenzen van politiek
• Reikwijdte = Verschillende opvattingen over mate waarin regels mogen ingrijpen
• Verschuivende opvattingen
o 19de -eeuwse ‘nachtwakersstaat’ (ordehandhaving, defensie, belastingen)
o = staat int belastingen & om leger op te zetten (basisregels door RB, politie bewaakt)
o Steeds meer vragen om domeinen ‘politiek’ te regelen
▪ vb. Arbeidersbeweging zorgde bv voor minimumloon, sociale bescherming; en veel later
milieu en klimaat
o Enorme explosie van politiek ingrijpen
▪ vb. homohuwelijk en adoptie
o Politieke cultuur wijzigt: grenzen tussen privé en publiek verschuiven voortdurend
▪ Onderscheid heel belangrijk ih westen
▪ vb. OH moet zich bemoeien met partnergeweld, roken in bijzijn van kinderen;
verplaatsingsverbod (corona)…)
▪ Privé: sfeer waarin politiek niet aanwezig is of mag zijn
1.2.3 De vormen en structuren van de politiek
• Welke vorm neemt de sturing van de (territoriale) samenleving aan?
o Heel verschillend tussen landen
• ≠ tussen politieke systemen (‘regimes’)
• Classificaties van politieke vormen (obv grote principes ten grondslag vh functioneren)
o Democratische vs. autoritaire regimes → grootste verschil!!
▪ Democratisch: macht = tijdelijk, gespreid, via verkozen vertegenwoordigers, fundamentele
rechten
▪ Wij bespreken voornamelijk democratie
o Unitaire vs. federale staten
▪ Bestuur vanuit één punt of niet
▪ Unitair = gecentraliseerd bestuur
o Variaties in instellingen en procedures
▪ Verkiezingen, partijen, parlement, grondwet, staatshoofd…
• → Dit vak gaat grotendeels over de ‘vormen’ van politiek
Politiek kan variëren:
• Variatie in soorten samenlevingen
• Variëren naargelang de inhoud en reikwijdte van politiek
• Politiek kan zeer verschillende vormen aannemen
*Wat doet een politicoloog?
• Doel = regelmaat ontdekken in fenomenen
• = complexe fenomenen vereenvoudigen
• Sociale werkelijkheid = complex (reflexief)
o Politiek & sociale werkelijkheid beïnvloeden elkaar
o Vb. peiling: na peiling zijn voorzitters van partijen opgestapt
• Werkelijkheid ‘formaliseren’ in variabelen/ analytisch
4
Table of Contents
Inleiding .............................................................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 0: Inleiding .......................................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 1: Politiek en Politieke Wetenschap ...................................................................................................... 3
Hoofdstuk 2: Staat & Macht ................................................................................................................................. 7
Hoofdstuk 3: Breuklijnen en Ideologieën ............................................................................................................. 13
Hoofdstuk 4: Democratie en Politieke Vertegenwoordiging ................................................................................. 21
Hoofdstuk 5: Politieke participatie en sociale bewegingen ................................................................................... 29
Hoofdstuk 6: Politieke partijen en partijsystemen ................................................................................................ 37
Hoofdstuk 7: Kiessystemen en stemgedrag ......................................................................................................... 46
Hoofdstuk 8: Parlement en Regering ................................................................................................................... 55
Hoofdstuk 9: Bestuur en Beleid ........................................................................................................................... 65
Hoofdstuk 10: Administratie en justitie ............................................................................................................... 73
Hoofdstuk 11: Federalisme en Decentralisme ...................................................................................................... 82
Hoofdstuk 12: Internationale politiek .................................................................................................................. 90
Hoofdstuk 13: De Europese Unie ......................................................................................................................... 90
1
,Inleiding
Cursustekst
• Te krijgen bij Universitas (alles goed: 1ste-7de druk)
• Hoofdstuk (13) per les (12). NIET internationale politiek (hoofdstuk 12)
• Boek = quasi exhaustief + vaak uitbreiding (groen) (heb ik aangeduid met een *)
• PowerPoint (in pdf) op Blackboard (maandag)
o Slides zijn belangrijkste, boek minder belangrijk
o Deel slides niet bekeken → slides TOCH kennen voor examen
Praktisch
• Dinsdag 16.00-19.00 uur (stop ±18.25 uur)
• Pauze - onderbreken - vragen stellen
• Poging tot interactief onderwijs
• Opgenomen lessen via Blackboard (pas dag erna beschikbaar)
• Proefexamen:
o Via Blackboard, staat 1 week open, gelijkaardig aan echte examen, andere vragen
• Echt examen: 27 januari 2026
o Schriftelijk (twee uur)
o Multiple Choice: 60 vragen (3 mogelijkheden)
o Nieuwe vragen!
o Leren werken met concepten en begrippen, niet van buiten leren (maar toch (veel) kennis nodig)
o Geen giscorrectie meer maar wel ‘verhoogde cesuur’ (punten vanaf 1/3de juist dus 40 op 60). Gokken
is slim!
Proefexamen
• !!Lees de vraag heel duidelijk!!
• Vraag 5: niet op examen, want niet gezien in de les
o Kennis in les, toepassing niet
o Versnippering klopt
o Maar toch een breed draagvlak bij de burgers willen hebben → fout
• Vraag 10: principles en agents zijn omgedraaid
• Vraag 17: 2e en 3e onderdeel ervan, maar niet exact waar het om gaat
• Vraag 24: 3e juist, andere ook op slides maar ni de definitie van politieke theorie
Inhoud boek en lessen
• Kiessysteem, belangrijkste verschil in politiek!
2
,Hoofdstuk 0: Inleiding
Belang van Politiek
• Voorbeeld: invoeren van autogordel in 1975
o Veel verzet (privézaak) (‘wat moet de overheid doen?’)
o Groot gevolg: geschat 30.000 doden minder (B en NL)
→ Politiek heeft impact/invloed op ons leven
• Politiek: beslist waarover regels worden gemaakt
• Liberalen: mensen vrijlaten → de OH moeit zich veel meer nu
↔ Beperkte ‘maakbaarheid’ van de samenleving (economie, mentaliteit…)(vb. transmigrantencrisis,
vluchtelingencrisis, radicalisering, corona, energie)
• OH heeft moeite om migratie onder controle te houden/reguleren
↔ Nationale politiek verliest zijn greep op de samenleving (Luc Huyse)
• Spanning tussen evoluties EN proberen reguleren
• Algemeen verschijnsel
• Deze cursus: bouwstenen van politiek
• Actoren, instellingen, functioneren
→ In breder kader plaatsen van dagdagelijks versnipperd politiek nieuws
• Historisch (beter begrijpen als we weten waar het van komt)
o vb. vakbonden die mee SZ besturen: zij zijn de uitvinders, historisch gegroeid
• Vergelijkend (comparatief)
*Comparative Politics
• Subdiscipline van de politieke wetenschappen
• ‘If you only know one country, you do not know any country at all’ (Lipset)
• België (Nederland) voortdurend gaan vergelijken met andere landen
o België: proportioneel kiesstelsel vs meervoudig kiesstelsel
• Voorbeeld: sterkte van rechts-populistische partijen (vgl. met Franstalig België)
• = belangrijke tak in de politieke wetenschappen (bestuurskunde, internationale politiek en politieke filosofie)
• Opvolgingsvakken met meer diepgang (Master PS ih Engels, Politieke Communicatie, Internationale
Betrekkingen)
Hoofdstuk 1: Politiek en Politieke Wetenschap
1.1 Politiek
• Politiek = sturen van de (een) samenleving
= alles wat te maken heeft met het besturen van een samenleving
o Afspraken als mensen iets samen willen doen
▪ Het maken van regels: Bv. dingen afspreken met de scouts
▪ Veel dingen zijn politiek: klein- of grootschalig
o Grotere groep → meer afspraken → formeel
o Πολιτικα (politika) = dat wat met de staat (polis) te maken heeft
o = per definitie ook conflicten over sturen van de samenleving
▪ Politiek gaat over manier waarop besluit bekomen wordt
• = brede definitie (politiek is overal)
o Overal waar er regels bestaan
o Ook in verenigingen en organisaties (die een leerschool van de ‘grote’ politiek zijn)
▪ Bv. veel politici hebben bij de scouts gezeten
1.2 Variaties in politiek
1.2.1 Politiek en Territorium
• Welk soort samenleving wordt gestuurd?
• Samenlevingen met en zonder territorium voor dewelke afspraken gelden
o Verbonden aan territorium = cruciaal verschil
3
, o bv. katholieke kerk niet territorium gebonden:
▪ Staat en kerk gescheiden, in andere landen soms wel
• Mét territorium = omvattender (en dwingender)
o Kan je eruit stappen? Je moet verhuizen als je regels niet wilt volgen
• ‘Staten’ hebben grondgebied (↔katholieke kerk; wilde ook ‘sturen’) en zijn daar soeverein:
o Een ‘staat’= geen macht erboven, hoogste soevereine gezag
o *(vb. Russische referenda in Oekraïens gebied, België ipv Vlaanderen)
• Niet alleen staten hebben grondgebied (decentralisatie en internationalisering)
• Territorialiserig van politiek = cruciale historische revolutie
1.2.2 De verschuivende culturele grenzen van politiek
• Reikwijdte = Verschillende opvattingen over mate waarin regels mogen ingrijpen
• Verschuivende opvattingen
o 19de -eeuwse ‘nachtwakersstaat’ (ordehandhaving, defensie, belastingen)
o = staat int belastingen & om leger op te zetten (basisregels door RB, politie bewaakt)
o Steeds meer vragen om domeinen ‘politiek’ te regelen
▪ vb. Arbeidersbeweging zorgde bv voor minimumloon, sociale bescherming; en veel later
milieu en klimaat
o Enorme explosie van politiek ingrijpen
▪ vb. homohuwelijk en adoptie
o Politieke cultuur wijzigt: grenzen tussen privé en publiek verschuiven voortdurend
▪ Onderscheid heel belangrijk ih westen
▪ vb. OH moet zich bemoeien met partnergeweld, roken in bijzijn van kinderen;
verplaatsingsverbod (corona)…)
▪ Privé: sfeer waarin politiek niet aanwezig is of mag zijn
1.2.3 De vormen en structuren van de politiek
• Welke vorm neemt de sturing van de (territoriale) samenleving aan?
o Heel verschillend tussen landen
• ≠ tussen politieke systemen (‘regimes’)
• Classificaties van politieke vormen (obv grote principes ten grondslag vh functioneren)
o Democratische vs. autoritaire regimes → grootste verschil!!
▪ Democratisch: macht = tijdelijk, gespreid, via verkozen vertegenwoordigers, fundamentele
rechten
▪ Wij bespreken voornamelijk democratie
o Unitaire vs. federale staten
▪ Bestuur vanuit één punt of niet
▪ Unitair = gecentraliseerd bestuur
o Variaties in instellingen en procedures
▪ Verkiezingen, partijen, parlement, grondwet, staatshoofd…
• → Dit vak gaat grotendeels over de ‘vormen’ van politiek
Politiek kan variëren:
• Variatie in soorten samenlevingen
• Variëren naargelang de inhoud en reikwijdte van politiek
• Politiek kan zeer verschillende vormen aannemen
*Wat doet een politicoloog?
• Doel = regelmaat ontdekken in fenomenen
• = complexe fenomenen vereenvoudigen
• Sociale werkelijkheid = complex (reflexief)
o Politiek & sociale werkelijkheid beïnvloeden elkaar
o Vb. peiling: na peiling zijn voorzitters van partijen opgestapt
• Werkelijkheid ‘formaliseren’ in variabelen/ analytisch
4