LES 1: Analysing Architecture. The Universal Language of Place-Making
1. universele taal van architectuur (Steven Unwin - Analysing Architecture
- Architectuur (en interieur) heeft een universele taal - een soort
grammatica
- door het werk van anderen te bestuderen, leer je die taal begrijpen en
toepassen
- elk ontwerp bouwt voort op bestaande kennis en experimenten
- deze theorien helpt om ontwrpen te analyseren én creëren
2. De rol van ontwerpers
- een ontwerper is vaak een autodidact: leert door observatie, studie en
oefening
- door te leren van eerdere projecten, ontwikkel je diepte en inzicht in je
eigen werk
- architectuur is een vorm van poëzie (ze drukt gevoelens, ervaring en
betekenis uit zonder woorden
Voorbeelden van ontwerpers en methodes
1. Peter Märkli (Zwitserland)
- bekijkt architectuur als een oude taal
met grammatica
- twee kernbegrippen:
- proportie → creëert harmonie
en ritme (objectieve regels)
- grammatica → verfijnde
toepassing van bouwonderdelen (muur, kolom, dak, platform)
- architectuur drukt de ‘genius loci’ uit: de geest van de plaats (klimaat,
licht, seizoenen, geschiedenis…)
- “You must learn the grammar of architecture before you can write in its
language”
2. Dom Hans van der Laan (Nederland/België 1904-1991)
- bekend om zijn theorie van het plastisch getal
- richtte zich op menselijke proporties in architectuur
- streefde naar een sobere, harmonische en menselijke architectuur
- Plastisch getal = verhouding 4:3, gebaseerd op hoe mensen
verschillen in ruimtelijke afmetingen waarnemen
- Toegepast op elk detail
- hoogte van deuren
- dikte van muren
- afstand tussen kolommen
1
, - 3 schaalniveaus in zijn gebouwen
1. intieme ruimte
(persoonlijke werkruimte)
2. loopruimte (ontmoetingen)
3. visueel veld (relatie met
buitenruimte)
Vb. Abdij Roosenberg (Waasmunster)
3. Pieter de Bruyne (België, 1931-1987)
- Meubelontwerper en interieurarchitect
- zocht naar universele ontwerpbeginselen en verhoudingen
- onderzocht oud-egyptische meubelkunst en
gebruikte die principes in modern design
- combineerde vorm, geometrie en symboliek
- werkte met contrasten (materiaal, kleur,
betekenis)
- “ elke grote architect is een ekster: hij
verzamelt ideeën van overal, speelt ermee en
maakt ze eigen”
Vb. kasten uit de jaren ‘70 en ‘80 o.a. 'Chantilly'
LES 2: Architecture as Intellectual Structure and Identification of Place
1. Architectuur als intellectuele structuur
- architectuur is meer dan bouwen of esthetiek, het is een intellectuele
organisatie van ruimte, materie en betekenis
- architectuur is een denksysteem dat vorm geeft aan hoe we leven en
ons oriënteren in de wereld
→ “Architecture is the conceptual organization of parts into a coherent
whole”
- belangrijke inzichten
- architectuur is niet zomaar vormgeving, maar structuur in
denken
- het geeft orde aan onze leefwereld
2
, - het bemiddelt tussen de fysieke werkelijkheid (zwaartekracht,
licht, materiaal, tijd) en de menselijke ervaring (gevoel,
herinnering, zintuigen)
- verschil architectuur en andere kunsten:
Architectuur Beeldende kunst / decoratie
Functioneel, Esthetisch, autonoom
contextgebonden
Reageert op realiteit Schept eigen wereld
Ordening in ruimte en tijd Vorm in één dimensie
- belangrijke voorbeelden:
- Fallingwater – Frank Lloyd Wright →
architectuur als integratie met natuur
- Guggenheim Museum Bilbao – Frank Gehry
→ vorm en plaats als één geheel
- Santa Maria Novella – Alberti → proportie en
orde
- Villa Savoye – Le Corbusier → rationele
structuur van modernisme
- Chiat/Day Offices – Gehry → identiteit van
plek in stedelijke context
2. Identificatie van plaats
“Place is the fundamental purpose of architecture.”
→ architectuur bestaat om plaatsen te maken, plekken waar
mensen zich kunnen oriënteren, wonen, werken, samenkomen
→ plaats is niet enkel een locatie, maar een ervaren ruimte met betekenis
Belang?
→ de mens heeft een natuurlijke drang om plaatsen te identificeren, om orde
en betekenis te brengen in zijn omgeving
→ architectuur maakt deze zichtbaar door:
3
, - afbakening (muur, dak, grens, pad)
- organisatie (hoe ruimtes elkaar verbinden)
- betekenis (hoe en plek aanvoelt en gebruikt wordt)
⇒ architectuur = het creëren van betekenisvolle plaatsen
waar mensen zich kunnen herkennen, herinneren en verbinden
vb. Een tent die bescherming biedt → creëert al “plaats”.
Een muur of plein → maakt ruimte herkenbaar en bruikbaar.
Fuji Kindergarten (Tezuka Architects) → kinderen beleven vrijheid en
gemeenschap = sterke plaatsidentiteit.
3. De condities van architectuur
Architectuur ontstaat nooit in het luchtledige
→ ze reageert altijd op drie soorten condities
1. Fysieke condities
→ zwaartekracht, licht, klimaat, materiaal, tijd
vb. Zaha Hadid, Havenhuis
2. menselijke condities
→ behoeften, emoties, zintuigen (tast, geur,
geluid, licht)
vb. Fuji Kindergarten, kindgericht, open,
natuurlijk
3. Sociale/Politieke condities
→ economie, macht, beleid, opdrachtgever,
ideologie
vb. Kopenhagen Opera House, door
invloedrijke sponsor bepaald; Bouwshift van
Vlaanderen, politiek stuurt ruimtegebruik
→ een goede architect begrijpt hoe deze drie samenkomen in ontwerp
4. Architectuur en de mens
Arch bestaat pas echt door menselijk gebruik en ervaring
- zonder mensen → geen arch, enkel constructie
- mensen beleven, vullen, herinneren en gebruiken gebouwen
- de aanwezigheid van mensen geeft betekenis aan de
ruimte
vb.
- Tietgen Dormitory (Kopenhagen) → architectuur
stimuleert gemeenschap
- Grand Parc Bordeaux (Lacaton & Vassal) → renovatie
met respect voor bewoners = sociaal betekenisvol
“Architecture houses life”
4
1. universele taal van architectuur (Steven Unwin - Analysing Architecture
- Architectuur (en interieur) heeft een universele taal - een soort
grammatica
- door het werk van anderen te bestuderen, leer je die taal begrijpen en
toepassen
- elk ontwerp bouwt voort op bestaande kennis en experimenten
- deze theorien helpt om ontwrpen te analyseren én creëren
2. De rol van ontwerpers
- een ontwerper is vaak een autodidact: leert door observatie, studie en
oefening
- door te leren van eerdere projecten, ontwikkel je diepte en inzicht in je
eigen werk
- architectuur is een vorm van poëzie (ze drukt gevoelens, ervaring en
betekenis uit zonder woorden
Voorbeelden van ontwerpers en methodes
1. Peter Märkli (Zwitserland)
- bekijkt architectuur als een oude taal
met grammatica
- twee kernbegrippen:
- proportie → creëert harmonie
en ritme (objectieve regels)
- grammatica → verfijnde
toepassing van bouwonderdelen (muur, kolom, dak, platform)
- architectuur drukt de ‘genius loci’ uit: de geest van de plaats (klimaat,
licht, seizoenen, geschiedenis…)
- “You must learn the grammar of architecture before you can write in its
language”
2. Dom Hans van der Laan (Nederland/België 1904-1991)
- bekend om zijn theorie van het plastisch getal
- richtte zich op menselijke proporties in architectuur
- streefde naar een sobere, harmonische en menselijke architectuur
- Plastisch getal = verhouding 4:3, gebaseerd op hoe mensen
verschillen in ruimtelijke afmetingen waarnemen
- Toegepast op elk detail
- hoogte van deuren
- dikte van muren
- afstand tussen kolommen
1
, - 3 schaalniveaus in zijn gebouwen
1. intieme ruimte
(persoonlijke werkruimte)
2. loopruimte (ontmoetingen)
3. visueel veld (relatie met
buitenruimte)
Vb. Abdij Roosenberg (Waasmunster)
3. Pieter de Bruyne (België, 1931-1987)
- Meubelontwerper en interieurarchitect
- zocht naar universele ontwerpbeginselen en verhoudingen
- onderzocht oud-egyptische meubelkunst en
gebruikte die principes in modern design
- combineerde vorm, geometrie en symboliek
- werkte met contrasten (materiaal, kleur,
betekenis)
- “ elke grote architect is een ekster: hij
verzamelt ideeën van overal, speelt ermee en
maakt ze eigen”
Vb. kasten uit de jaren ‘70 en ‘80 o.a. 'Chantilly'
LES 2: Architecture as Intellectual Structure and Identification of Place
1. Architectuur als intellectuele structuur
- architectuur is meer dan bouwen of esthetiek, het is een intellectuele
organisatie van ruimte, materie en betekenis
- architectuur is een denksysteem dat vorm geeft aan hoe we leven en
ons oriënteren in de wereld
→ “Architecture is the conceptual organization of parts into a coherent
whole”
- belangrijke inzichten
- architectuur is niet zomaar vormgeving, maar structuur in
denken
- het geeft orde aan onze leefwereld
2
, - het bemiddelt tussen de fysieke werkelijkheid (zwaartekracht,
licht, materiaal, tijd) en de menselijke ervaring (gevoel,
herinnering, zintuigen)
- verschil architectuur en andere kunsten:
Architectuur Beeldende kunst / decoratie
Functioneel, Esthetisch, autonoom
contextgebonden
Reageert op realiteit Schept eigen wereld
Ordening in ruimte en tijd Vorm in één dimensie
- belangrijke voorbeelden:
- Fallingwater – Frank Lloyd Wright →
architectuur als integratie met natuur
- Guggenheim Museum Bilbao – Frank Gehry
→ vorm en plaats als één geheel
- Santa Maria Novella – Alberti → proportie en
orde
- Villa Savoye – Le Corbusier → rationele
structuur van modernisme
- Chiat/Day Offices – Gehry → identiteit van
plek in stedelijke context
2. Identificatie van plaats
“Place is the fundamental purpose of architecture.”
→ architectuur bestaat om plaatsen te maken, plekken waar
mensen zich kunnen oriënteren, wonen, werken, samenkomen
→ plaats is niet enkel een locatie, maar een ervaren ruimte met betekenis
Belang?
→ de mens heeft een natuurlijke drang om plaatsen te identificeren, om orde
en betekenis te brengen in zijn omgeving
→ architectuur maakt deze zichtbaar door:
3
, - afbakening (muur, dak, grens, pad)
- organisatie (hoe ruimtes elkaar verbinden)
- betekenis (hoe en plek aanvoelt en gebruikt wordt)
⇒ architectuur = het creëren van betekenisvolle plaatsen
waar mensen zich kunnen herkennen, herinneren en verbinden
vb. Een tent die bescherming biedt → creëert al “plaats”.
Een muur of plein → maakt ruimte herkenbaar en bruikbaar.
Fuji Kindergarten (Tezuka Architects) → kinderen beleven vrijheid en
gemeenschap = sterke plaatsidentiteit.
3. De condities van architectuur
Architectuur ontstaat nooit in het luchtledige
→ ze reageert altijd op drie soorten condities
1. Fysieke condities
→ zwaartekracht, licht, klimaat, materiaal, tijd
vb. Zaha Hadid, Havenhuis
2. menselijke condities
→ behoeften, emoties, zintuigen (tast, geur,
geluid, licht)
vb. Fuji Kindergarten, kindgericht, open,
natuurlijk
3. Sociale/Politieke condities
→ economie, macht, beleid, opdrachtgever,
ideologie
vb. Kopenhagen Opera House, door
invloedrijke sponsor bepaald; Bouwshift van
Vlaanderen, politiek stuurt ruimtegebruik
→ een goede architect begrijpt hoe deze drie samenkomen in ontwerp
4. Architectuur en de mens
Arch bestaat pas echt door menselijk gebruik en ervaring
- zonder mensen → geen arch, enkel constructie
- mensen beleven, vullen, herinneren en gebruiken gebouwen
- de aanwezigheid van mensen geeft betekenis aan de
ruimte
vb.
- Tietgen Dormitory (Kopenhagen) → architectuur
stimuleert gemeenschap
- Grand Parc Bordeaux (Lacaton & Vassal) → renovatie
met respect voor bewoners = sociaal betekenisvol
“Architecture houses life”
4