Hoofdstuk 6: Langetermijngeheugen (Goldstein).............................................2
Hoofdstuk 7: Langetermijngeheugen (Goldstein).............................................4
Hoofdstuk 8: Dagelijks geheugen en geheugenfouten (Goldstein)....................7
Hoofdstuk 9: Kennis (Goldstein)....................................................................10
Hoofdstuk 11: Taal (Goldstein)......................................................................13
Hoofdstuk 12: Probleem oplossen (Goldstein)................................................17
Hoofdstuk 13: Oordeel, redenering en beslissingen (Goldstein)......................20
Module 12.3: Informatie opslaan in het zenuwstelsel (Kalat)..........................23
Hoofdstuk 8: Het adaptieve brein (Cacioppo).................................................26
Toegepaste cognitieve psychologie...............................................................29
Neuropsychologie.........................................................................................30
1
, Hoofdstuk 6: Langetermijngeheugen (Goldstein)
Korte- en langetermijngeheugenprocessen vergelijken
Langetermijngeheugen (LTM) = systeem dat verantwoordelijk is voor het
opslaan van informatie over een lange periode. Het zorgt ervoor dat we
kunnen verwijzen naar gebeurtenissen uit het verleden en houdt
achtergrondinformatie die we constant raadplegen.
- Gebruiken werkgeheugen om contact te maken met wat er op een
bepaald moment gebeurt.
Serial position curve geeft aan dat geheugen beter is voor woorden aan
het begin en einde van de lijst dan in het midden van de lijst. Primacy
effect = beter geheugen voor woorden begin lijst, meer herhaling.
Recency effect = beter geheugen voor woorden einde lijst, meest recente
woorden nog in STM.
- Bij een korte vertraging bij recall periode (30 sec) → recency effect
weg.
Coding verwijst naar de vorm waarin stimuli worden weergegeven.
Visuele coding in STM om visuele patronen te onthouden, in LTM wanneer
je een plaatje creëert in je gedachten van een persoon etc. Auditory
coding in STM bij phonological loop, in LTM wanneer je een liedje afspeelt
in gedachten. Semantic coding (betekenis) in LTM algemene betekenis
onthouden, in STM herinneren woorden snel na horen → proactieve
inferentie.
- Vrijlating van proactieve interferentie: woorden plaatsen in
categorieën, omvat betekenis van woorden.
Auditieve codering is het overheersende type codering in het STM.
Semantische codering is de meest waarschijnlijke vorm van codering voor
langetermijngeheugentaken
Patiënt H.M. verwijderen mediale temporale kwab (incl. hippocampus) →
geen nieuwe lange termijn herinneringen aanmaken, STM intact: dus wel
herinneren wat er net gebeurd is, maar niet opslaan in LTM.
- Hippocampus rol in vormen lange termijn herinneringen & LTM en
STM gebruiken aparte brein regio’s.
Clive schade delen mediale temporale kwab (hippocampus & amygdala) →
hij herinnert zich wat er net is gebeurd en vergeet al het andere.
K.F. schade aan gebied boven auditieve cortex → STM beperkt LTM intact,
digit span laag.
- Probleem met het STM-systeem in het algemeen of een tekort in
auditieve codering en het phonological herhaling proces in het
bijzonder, wat zeer schadelijk is voor STM, maar veel minder voor
LTM.
Episodisch en semantisch geheugen
Episodisch geheugen = geheugen voor specifieke ervaringen in het
verleden. Semantisch geheugen = geheugen voor feiten.
2
,Tulving (1985): mental time travel = de ervaring van terug in de tijd reizen
om opnieuw contact te maken met gebeurtenissen die in het verleden zijn
gebeurd.
- Episodisch geheugen ook wat wordt gemeten in laboratoriumtaken
die bewuste herinnering of herkenning van eerder gepresenteerd
materiaal vereisen.
Semantisch geheugen reizen we niet terug naar een specifieke
gebeurtenis uit ons verleden, maar hebben we toegang tot dingen die we
kennen.
Semantisch geheugen neemt toe tot 60-65 jaar, terwijl impliciet of niet-
declaratief geheugen weinig verandering vertoont van vroege tot late
volwassenheid. Vooral het episodische geheugen blijkt snel te
verslechteren met ouderdom, stabiel tot 35-60 jaar.
o Onze kennis (semantisch geheugen) leidt onze ervaring, en dit
beïnvloedt op zijn beurt de episodische herinneringen die uit die
ervaring voortvloeien.
Autobiografisch geheugen = geheugen voor specifieke ervaringen uit ons
leven, die zowel episodische als semantische componenten kunnen
omvatten.
- Semantische componenten heten hierbij personal semantic
memories (feiten met persoonlijke ervaring).
Vertrouwdheid geassocieerd met semantisch geheugen (wordt niet
geassocieerd met de omstandigheden). Herinnering wordt geassocieerd
met episodische herinnering (bevat details over wat er gebeurde toen de
kennis werd verworven) → deze manieren van onthouden zijn gemeten
met behulp van de herinnering/weten-procedure.
- Stimulus en antwoord geven: remember, know, don’t know.
Remember antwoord verminderd meer dan know → herinneringen van 40-
50 jaar verloren veel van hen episodische karakter = semanticization of
remote memories.
Procedureel geheugen, priming en conditionering
Episodisch en semantisch geheugen vallen onder expliciete herinneringen
= herinneringen waarvan we op de hoogte zijn en waar we over kunnen
praten.
- Soms worden het ook declaratieve herinneringen genoemd.
Impliciete herinneringen = treedt op wanneer leren van ervaring niet
gepaard gaat met bewust herinneren. → procedureel geheugen/skill
geheugen = geheugen voor dingen doen die meestal geleerde
vaardigheden met zich meebrengen.
(Impliciet) Priming = wanneer de presentatie van een stimulus (de priming
stimulus) de manier verandert waarop een persoon reageert op een
andere stimulus.
- Repetition priming = wanneer de teststimulus hetzelfde is als, of lijkt
op, de priming stimulus. Impliciet, omdat priming effect kan
voorkomen ondanks participanten oorspronkelijke presentatie van de
stimuli niet bewust herinneren.
3
, Bijvoorbeeld in een lexicale beslissingstaak = deelnemers zo snel mogelijk
moeten aangeven of een gepresenteerde letterreeks een woord is.
Word completion test = test van impliciet geheugen, bevatte eerste drie
letters van woorden die ze eerder hadden gezien+ eerste drie letters van
woorden die ze niet eerder hadden gezien.
Propaganda-effect = eerder geneigd om uitspraken die ze eerder hebben
gelezen of gehoord als waar te beoordelen, simpelweg omdat ze er eerder
aan zijn blootgesteld.
- Omvat impliciet geheugen.
Klassieke conditionering treedt op wanneer de volgende twee stimuli
worden gekoppeld: (1) een neutrale stimulus die eerst niet resulteert in
een reactie, (2) een conditionerende stimulus die wel resulteert in een
reactie.
Hoofdstuk 7: Langetermijngeheugen (Goldstein)
Encoding = het proces van het verwerven van informatie en het
overbrengen naar LTM.
- Codering = verwijzing naar de vorm waarin informatie wordt
weergegeven.
- Encoding = naar het proces dat wordt gebruikt om informatie in LTM
te krijgen.
Retrieval = proces van het overbrengen van informatie van LTM naar
werkgeheugen.
Encoding: informatie in het langetermijngeheugen krijgen
Maintenance rehearsal = op keer te herhalen van informatie, zonder enige
overweging van betekenis of verbanden leggen met andere informatie. →
slecht resultaat later.
Elaborative rehearsal = je vindt een manier om informatie te relateren aan
iets zinvols.
Levels of processing theorie = geheugen hangt af van de diepte van de
verwerking die een item ontvangt. Depth of processing:
- Shallow processing = weinig aandacht voor de betekenis.
- Deep processing = aandacht, focussen op de betekenis van een item
en het relateren aan iets anders.
Volgens de niveaus van de verwerkingstheorie resulteert diepe verwerking
in een beter geheugen dan oppervlakkige verwerking.
Bower&Winzenz (1970): paired-associate learning → participanten die
beelden in hoofd hadden gemaakt, herinnerden zich meer woorden als
degene die alleen de woordparen hadden herhaald. Picture-superiority
effect = beelden beter onthouden dan woorden.
4