Onderwijssysteem
Hoorcollege 2.1: Onderwijs, toen, nu en later
Kenmerken van onderwijs: (wat betekent onderwijzen?)
Het woord ‘’school’’ betekent in het oud Grieks ‘’vrije tijd’’. In die tijd
werkte je vrijwel altijd; de tijd die niet aan arbeid werd besteed, gebruikte
je om te leren en je te ontwikkelen. Leren was dus een waardevolle
besteding van je vrije tijd.
- Ervaringskennis (impliciet) = Iedereen leert automatisch door
dingen te doen. Maar om deze kennis goed te begrijpen en met
anderen te kunnen delen, heb je onderwijs nodig: docent, uitleg,
boeken of theorie. Zo wordt vage ervaring duidelijke kennis.
- Biesta (formeel, intentioneel) (persoonsvorming) Biesta zegt
dat onderwijs drie doelen heeft: (onderwijs is dus bedoeld en
gepland, niet toevallig)
o Kwalificatie = kennis en vaardigheden leren
o Socialisatie = leren hoe je met anderen samenleeft
o Subjectificatie = leren jezelf te worden
- Edu-cere = Iets in iemand naar buiten halen. Onderwijs moet dus
niet alleen kennisgeven, maar ook:
o Talenten ontdekken
o Iemand helpen groeien
- Talenten/ sociale vaardigheden Op school leer je niet alleen
rekenen of taal. Je leert ook: samenwerken, praten met anderen,
creatief denken en omgaan met emoties. Deze vaardigheden helpen
je later in werk en maatschappij.
- Lerende houding LLL Levens Lang Leren = je stopt nooit met
leren. Je leert op school, maar ook later op werk en thuis. Wat heb je
daarvoor nodig?: Nieuwsgierigheid, zelf kunnen plannen, kunnen
omgaan met veranderingen, feedback geven en ontvangen, kunnen
samenwerken, digitale vaardigheden.
,Oude illustratie van een klaslokaal, rond 17e-18e eeuw. Je ziet een leraar
op een verhoogde stoel terwijl kinderen op de grond en tegen de muren
zitten. Het lijkt een drukke, rommelige ruimte waar veel kinderen tegelijk
les krijgen in eenvoudige omstandigheden.
De afbeelding laat een klas uit de middeleeuwen/ vroegmoderne tijd. De
kinderen zitten aan eenvoudige houten banken met schrijfplanken voor
zich. Ze lijken geconcentreerd te werken. Links staat de docent. De ruimte
is sober: stenen muren, houten balken en weinig licht. De schalen op de
tafels suggereren dat eten en lesgeven in dezelfde ruimte plaatsvonden.
Als je ‘’de pechvogel kreeg’’, betekende dat dat jij op dat moment pech
had: je had je werk niet af, je had te veel fouten gemaakt of je was niet
oplettend geweest. De leraar legde of gooide dat vogeltjes op je tafel
zodat iedereen kon zien dat jij degene was met ‘’pech’’. Het was dus een
symbolische straf, bedoeld om te beschamen en aan te sporen tot beter te
gaan werken.
19e eeuw Nederland als natiestaat
In de 19e eeuw begon Nederland zich te vormen tot een echte natiestaat,
en de overheid zette sterk in op staatscholen waar alle kinderen
hetzelfde onderwijs moesten krijgen. Rond 1830 ontstond daar stevige
kritiek op, vooral van protestantse ouders en leerkrachten.
,Het belangrijkste punt:
Het godsdienstonderwijs (RE) in de staatscholen sloot niet aan bij wat
thuis werd geleerd. De lessen waren volgens hen te algemeen, te weinig
Bijbels en te ver verwijderd van hun eigen geloofsbeleving. Ouders waren
bang dat hun kinderen zo losraakten van de opvoeding thuis.
Gevolg van de onvrede:
Ze namen het heft in eigen handen en begonnen zelf scholen op te richten
die wél aansloten bij hun overtuigingen. Deze scholen werden niet door de
staat betaald; ouders en leerkrachten betaalden ze uit eigen zak. Dat was
een grote stap, want onderwijs was duur. Toch vonden ze het belangrijk
genoeg om er geld, tijd en energie in te steken.
Deze beweging legde uiteindelijk de basis voor wat later zou uitgroeien tot
het bekende Nederlandse stelsel van bijzondere scholen, dat pas veel
later, na de schoolstrijd, gelijk werd bekostigd door de overheid.
19e eeuw de ‘’schoolstrijd’’
Het doel was dat religieuze scholen hetzelfde geld van de overheid kregen
als neutrale staatscholen. Ouders die een protestants, katholieke of
anderszins bijzondere school wilden, hoefden die dan niet meer zelf te
betalen. Dat voelde eerlijker: elke ouder betaalt belasting, dus elke school
zou gelijke steun moeten krijgen.
Maar er zat een keerzijde aan. Doordat religieuze scholen nu ook
bekostiging kregen, konden ze volop groeien. Ouders kozen massaal voor
een school die bij hun eigen achtergrond paste. Daardoor ontstonden
steeds duidelijkere lijnen tussen groepen kinderen: protestantse,
katholieke, openbare en later ook islamitische scholen.
Dat leidde tot sterke segregatie: kinderen kwam vooral terecht tussen
leeftijdsgenoten met dezelfde achtergrond, waardoor groepen in de
samenleving minder met elkaar in aanraking kwamen.
De 21e eeuw
In de verzuilde periode had elke zuil (protestants, katholiek, socialistisch,
liberaal) zijn eigen scholen. De overheid bleef wél verantwoordelijk voor de
kwaliteit, dus ze stelde richtlijnen en kerndoelen vast: wat elk kind
minimaal moet leren. Die regels gingen bewust niet over geloof of
levensbeschouwing. De staat bemoeide zich dus niet met hoe een school
tegen het leven aankijkt.
, Na 1960 veranderde er veel. De invloed van de kerk werd kleiner. Ze trok
zich terug uit het dagelijks bestuur van scholen en werd vooral
faciliterend: aanwezig, maar minder sturend.
Daardoor werden bijzondere scholen opener. Je hoeft niet meer bij een
bepaalde zuil te horen om toegelaten te worden. Iedereen mag zich
inschrijven, ook als je niet gelooft.
Skeie noemt Nederland een pluriforme, ‘’zwakke’’ oplossing. Daarmee
bedoelt hij dat:
- er veel soorten scholen naast elkaar bestaan
- maar religieus onderwijs (RE) niet verplicht is voor alle kinderen
- scholen mogen zelf bepalen hoe ze levensbeschouwing invullen
Dat is anders dan landen zoals Frankrijk, waar door laïcité religie
(scheiding kerk en staat) juist helemaal buiten het onderwijs wordt
gehouden. In Nederland is het anders: hier bestaan nog gewoon
confessionele scholen, en ouders kunnen kiezen voor onderwijs met een
religieuze achtergrond. De staat bemoeit zich niet actief met religie, maar
religie mag wél een plek hebben in het onderwijs en andere instellingen.
Scheffer ziet dat sommige groepen migranten generaties lang economisch
en sociaal achterblijven, waardoor er een soort etnische onderklasse
ontstaat. Dat legt een druk op de samenleving en roept vragen op over
integratie en cohesie.
- ‘’Het achterblijven van hele generaties allochtonen en de vorming
van een etnische onderklasse.’’
Over religieus onderwijs: het is belangrijk voor identiteit en
waardenoverdracht, maar er bestaat ook angst dat het segregatie
versterkt als kinderen vooral in hun eigen geloofsgemeenschap blijven.
Het gaat dus om een balans tussen vrijheid van onderwijs en sociale
cohesie.
De angst voor religie en migratie werd versterkt door gebeurtenissen en
personen die bedreigend werden gezien: de aanslagen van 9/11, Theo van
Gogh (vermoord vanwege zijn kritiek op religie) en Pim Fortuyn (politicus
die waarschuwde voor de invloed van Islam). Deze gebeurtenissen
maakten het debat over integratie en religie in Nederland gevoeliger en
verdeelden de samenleving.
De 21e eeuw na ‘’9/11’’: een tegengeluid
Job Cohen benadrukte dat religie een belangrijke verbindende rol kan
hebben. Dit zette een hernieuwd debat over religieus onderwijs (RE) in
gang: sommige minderheden wilden religie uit de scholen halen, maar de