GRONDSLAGEN VAN HET
RECHT
MAASTRICHT UNIVERSITY
,Week 1:
Jean Jacques Rousseau leeft in de 18e eeuw, tijdens de Franse revolutie.
IDEAAL – DIRECTE DEMOCRATIE
Rousseau’s ideaal is een natuurstaat. Hierin leeft de mens geïsoleerd, vrij en onafhankelijk,
zonder bezit, wetten of maatschappelijke verplichtingen. De mens kent geen kwaad of
hebzucht. De mens is van nature goed en moreel neutraal. Zijn handelen wordt geleid door
twee natuurlijke principes:
1. Zelfbehoud – de drang om te overleven.
2. Medelijden (Pitié) – aangeboren afkeer om anderen pijn te doen.
Belangrijkste punten van Rousseau:
1. Rationeel denken
2. Vrijheid – Rousseau wil vrij zijn en geen hiërarchie
3. Natuurstaat – mensen zijn van nature goed, maar de maatschappij/ maatschappelijke
invloeden maken de mens slecht
4. Soevereiniteit – macht. Bij een democratie ligt de macht (soevereiniteit) bij het volk
5. Zolang jij in een land blijft wonen, accepteer je de regels en moet je de wetten
naleven
In zijn natuurstaat is er geen privaatrecht, want er is geen eigendom. Er is geen strafrecht of
rechter, want de mens kent nog geen schuld of zonde. Bovendien is er ook geen
staatsstructuur nodig, omdat iedereen onafhankelijk en vrij leeft. Zonder enige onderlinge
hiërarchie of gehoorzaamheid.
Rousseau staat recht tegenover Hobbes, die zegt dat de mens van nature egoïstisch en
gewelddadig is (Hobbes leefde tijdens de Engelse burgeroorlog). Hij heeft een negatief
mensbeeld en zegt dat je macht nodig hebt om mensen in bedwang te houden (één persoon
heeft macht).
In de natuurstaat leeft de mens eenvoudig en volgt zijn instinct – voortplanten. Ze vormen
hierdoor kleine gezinnen en gemeenschappen. Dit is Rousseau’s idyllische tussenfase,
waarin de mens verbonden is, beperkt eigendom heeft, geen wetten, geen ongelijkheid. De
gelukkigste en stabielste fase.
Er wordt een taal gecreëerd, de mens krijgt bewustzijn en reflectie. Eigendomsrechten
ontstaan, dat is de eerste stap naar ongelijkheid. De landbouw- en metaalindustrie komt op,
wat leidt tot een arbeidsdeling en sociale hiërarchie. Nieuwe gevoelens, zoals: liefde, jaloezie
en eerzucht, zorgen voor meer afhankelijkheid.
Hierdoor groeit de ongelijkheid, tussen the haves (rijken) en the have nots (armen). Armen
gaan roven of onderwerpen zich. De rijken willen hun bezit beschermen. Hierdoor ontstaat
het sociale contract om de vrede te beschermen. Rousseau's sociaal contract is een
politiek-filosofische theorie, waarin hij stelt dat legitiem gezag voortkomt uit een
overeenkomst tussen vrije individuen. In ruil voor hun individuele vrijheid en het opgeven van
het recht om voor eigen rechter te spelen, sluiten mensen een contract en verenigen ze zich
onder een algemene wil. Dit is een democratisch ideaal waarbij de soevereiniteit bij het volk
ligt, die de wetten bepaalt voor het algemeen belang. Het is misleidend, omdat het vooral de
rechten van de rijken beschermd.
, De directe democratie is ideaal om de algemene wil (volonté générale) te destilleren.
Wetten zijn een uitwerking van de wil van het volk. Als dat niet zo is, maakt het een inbreuk
op jouw vrijheid.
Bestuursvormen volgens Rousseau:
1. Democratie – ideaal voor kleine staten (directe deelname)
2. Electieve aristocratie – geschikt voor middelgrote staten (efficiënt en minder corrupt)
3. Monarchie – praktisch in grote staten, maar riskant (kan de algemene wil
ondermijnen)
Voorkeur: directe democratie in kleine gemeenschappen, electieve aristocratie als
compromis.
Grondwet van 1793 – bevestigt de soevereiniteit van het volk, is sterk democratisch en
benadrukt juridische gelijkheid, openbare rechtspraak en rechtsorganisaties. Deze grondwet
had maar een kort leven, omdat Frankrijk in oorlog was en interne opstanden kende. De
regering besloot meer macht nodig te hebben dan de grondwet toeliet.
Terreur (1793-1794) – macht lag bij een kleine groep, er werd hard en snel opgetreden. In
zo’n klimaat kun je geen grondwet toepassen waarin rechters inspraak hebben.
De grondwet stond vol met ambitieuze plannen die aansloten op Rousseau’s denkbeeld
- Volk is de baas (volkssoevereiniteit)
- Nadruk lag op gelijkheid
- De staat moet zorgen voor onderwijs en ondersteuning. Zo kan iedereen echt vrij zijn.
Frankrijk had hier helemaal geen tijd voor. Er was oorlog en chaos. Er kwam een dictatuur-
achtige noodregering en de grondwet van 1793 is nooit gebruikt.
Haïtiaanse revolutie (1791-1804)
De ideeën van de Franse revolutie (1789) wakkerden conflict aan tussen slaven en plantage-
eigenaren. Ze wilden vrijheid en gelijkheid. In 1791 ontstond er een grote slavenopstand die
uitgroeide tot een brede oorlog met veel partijen. Dit resulteerde in een onafhankelijke staat
(1804) en de eerste succesvolle slavenopstand.
Frankrijk erkende Haïti niet en de koning eiste een enorme schadevergoeding (indemnity-
schuld) voor de plantage-eigenaren voor het verlies van eigendom inclusief de vroegere
slaven. Dat geld moest Haïti lenen van de Franse banken en raakte hiermee in de diepe,
langdurige schulden die de ontwikkeling van het land ernstig remde – extreme vorm van
koloniale afpersing.
De grondwet van Haïti (1805) bevatte progressieve elementen (zoals: afschaffing van de
slavernij, publieke scholen en bescherming van de landbouw), maar was tegelijk sterk
autoritair. De macht lag bij keizer Dessalines (uitsluiting blanken + doodstraf).
De Haïtiaanse revolutie had grote invloed wereldwijd. Denk aan: schrik bij slaveneigenaren,
inspiratie voor bevrijdingsbewegingen. De enorme schuld verzwakte Haïti en zorgden ervoor
dat zij heel lang in de schulden zaten en achterlagen qua ontwikkeling.
Casus Inuit volgens Fukuyama en Hoebel:
Vijf kenmerken voor de overkoepelende staatstructuren
RECHT
MAASTRICHT UNIVERSITY
,Week 1:
Jean Jacques Rousseau leeft in de 18e eeuw, tijdens de Franse revolutie.
IDEAAL – DIRECTE DEMOCRATIE
Rousseau’s ideaal is een natuurstaat. Hierin leeft de mens geïsoleerd, vrij en onafhankelijk,
zonder bezit, wetten of maatschappelijke verplichtingen. De mens kent geen kwaad of
hebzucht. De mens is van nature goed en moreel neutraal. Zijn handelen wordt geleid door
twee natuurlijke principes:
1. Zelfbehoud – de drang om te overleven.
2. Medelijden (Pitié) – aangeboren afkeer om anderen pijn te doen.
Belangrijkste punten van Rousseau:
1. Rationeel denken
2. Vrijheid – Rousseau wil vrij zijn en geen hiërarchie
3. Natuurstaat – mensen zijn van nature goed, maar de maatschappij/ maatschappelijke
invloeden maken de mens slecht
4. Soevereiniteit – macht. Bij een democratie ligt de macht (soevereiniteit) bij het volk
5. Zolang jij in een land blijft wonen, accepteer je de regels en moet je de wetten
naleven
In zijn natuurstaat is er geen privaatrecht, want er is geen eigendom. Er is geen strafrecht of
rechter, want de mens kent nog geen schuld of zonde. Bovendien is er ook geen
staatsstructuur nodig, omdat iedereen onafhankelijk en vrij leeft. Zonder enige onderlinge
hiërarchie of gehoorzaamheid.
Rousseau staat recht tegenover Hobbes, die zegt dat de mens van nature egoïstisch en
gewelddadig is (Hobbes leefde tijdens de Engelse burgeroorlog). Hij heeft een negatief
mensbeeld en zegt dat je macht nodig hebt om mensen in bedwang te houden (één persoon
heeft macht).
In de natuurstaat leeft de mens eenvoudig en volgt zijn instinct – voortplanten. Ze vormen
hierdoor kleine gezinnen en gemeenschappen. Dit is Rousseau’s idyllische tussenfase,
waarin de mens verbonden is, beperkt eigendom heeft, geen wetten, geen ongelijkheid. De
gelukkigste en stabielste fase.
Er wordt een taal gecreëerd, de mens krijgt bewustzijn en reflectie. Eigendomsrechten
ontstaan, dat is de eerste stap naar ongelijkheid. De landbouw- en metaalindustrie komt op,
wat leidt tot een arbeidsdeling en sociale hiërarchie. Nieuwe gevoelens, zoals: liefde, jaloezie
en eerzucht, zorgen voor meer afhankelijkheid.
Hierdoor groeit de ongelijkheid, tussen the haves (rijken) en the have nots (armen). Armen
gaan roven of onderwerpen zich. De rijken willen hun bezit beschermen. Hierdoor ontstaat
het sociale contract om de vrede te beschermen. Rousseau's sociaal contract is een
politiek-filosofische theorie, waarin hij stelt dat legitiem gezag voortkomt uit een
overeenkomst tussen vrije individuen. In ruil voor hun individuele vrijheid en het opgeven van
het recht om voor eigen rechter te spelen, sluiten mensen een contract en verenigen ze zich
onder een algemene wil. Dit is een democratisch ideaal waarbij de soevereiniteit bij het volk
ligt, die de wetten bepaalt voor het algemeen belang. Het is misleidend, omdat het vooral de
rechten van de rijken beschermd.
, De directe democratie is ideaal om de algemene wil (volonté générale) te destilleren.
Wetten zijn een uitwerking van de wil van het volk. Als dat niet zo is, maakt het een inbreuk
op jouw vrijheid.
Bestuursvormen volgens Rousseau:
1. Democratie – ideaal voor kleine staten (directe deelname)
2. Electieve aristocratie – geschikt voor middelgrote staten (efficiënt en minder corrupt)
3. Monarchie – praktisch in grote staten, maar riskant (kan de algemene wil
ondermijnen)
Voorkeur: directe democratie in kleine gemeenschappen, electieve aristocratie als
compromis.
Grondwet van 1793 – bevestigt de soevereiniteit van het volk, is sterk democratisch en
benadrukt juridische gelijkheid, openbare rechtspraak en rechtsorganisaties. Deze grondwet
had maar een kort leven, omdat Frankrijk in oorlog was en interne opstanden kende. De
regering besloot meer macht nodig te hebben dan de grondwet toeliet.
Terreur (1793-1794) – macht lag bij een kleine groep, er werd hard en snel opgetreden. In
zo’n klimaat kun je geen grondwet toepassen waarin rechters inspraak hebben.
De grondwet stond vol met ambitieuze plannen die aansloten op Rousseau’s denkbeeld
- Volk is de baas (volkssoevereiniteit)
- Nadruk lag op gelijkheid
- De staat moet zorgen voor onderwijs en ondersteuning. Zo kan iedereen echt vrij zijn.
Frankrijk had hier helemaal geen tijd voor. Er was oorlog en chaos. Er kwam een dictatuur-
achtige noodregering en de grondwet van 1793 is nooit gebruikt.
Haïtiaanse revolutie (1791-1804)
De ideeën van de Franse revolutie (1789) wakkerden conflict aan tussen slaven en plantage-
eigenaren. Ze wilden vrijheid en gelijkheid. In 1791 ontstond er een grote slavenopstand die
uitgroeide tot een brede oorlog met veel partijen. Dit resulteerde in een onafhankelijke staat
(1804) en de eerste succesvolle slavenopstand.
Frankrijk erkende Haïti niet en de koning eiste een enorme schadevergoeding (indemnity-
schuld) voor de plantage-eigenaren voor het verlies van eigendom inclusief de vroegere
slaven. Dat geld moest Haïti lenen van de Franse banken en raakte hiermee in de diepe,
langdurige schulden die de ontwikkeling van het land ernstig remde – extreme vorm van
koloniale afpersing.
De grondwet van Haïti (1805) bevatte progressieve elementen (zoals: afschaffing van de
slavernij, publieke scholen en bescherming van de landbouw), maar was tegelijk sterk
autoritair. De macht lag bij keizer Dessalines (uitsluiting blanken + doodstraf).
De Haïtiaanse revolutie had grote invloed wereldwijd. Denk aan: schrik bij slaveneigenaren,
inspiratie voor bevrijdingsbewegingen. De enorme schuld verzwakte Haïti en zorgden ervoor
dat zij heel lang in de schulden zaten en achterlagen qua ontwikkeling.
Casus Inuit volgens Fukuyama en Hoebel:
Vijf kenmerken voor de overkoepelende staatstructuren