Zes elementen die een organisatiestructuur definiëren:
- Werkspecialisatie (taakverdeling)
- Departementalisering
- Chain of command (beslissingsbevoegdheid)
- Span of Control
- Centralisatie/Decentralisatie
- Formalisatie
Werkspecialisatie: Iemand is gespecialiseerd in bepaalde taken
- Veel focus
- Veel kwaliteit
- Makkelijker personeel te vinden.
Departementalisering: Functies worden gegroepeerd naar afdelingen.
Bijvoorbeeld:
- HR
- ICT
- Sales
Maar er kan ook worden gegroepeerd op geografie:
- Continent
- Land
- Regio
Chain of command (Beslssingsbevoegheid): Een traditionele
commandostructuur waarin wordt aangegeven wie aan wie rapporteert.
Veel verschillende niveaus zoals:
- CEO
- Regionale Managers
- Afdelingshoofden
- Mid-level managers
Span of Control: Hoeveel werknemers een manager efficiënt en effectief
kan aansturen. Ideaal is 5-6 werknemers per manager.
,Centralisatie vs decentralisatie
Centralisatie: beslissingsbevoegheid en autoriteit liggen bij het hoogste
managementniveau.
Decentralisatie: Dagelijkse activiteiten en besluitvormingen worden door
het topmanagement gedelegeerd aan het middenkader.
Formalisatie: Het creëren van een reeks regels, procedures en richtlijnen
die weergeven hoe taken moeten worden uitgevoerd en hoe beslissingen
moeten worden genomen.
- Bijvoorbeeld dmv functiebeschrijvingen
- Vermindert de kans op fouten en misverstanden, omdat alles overal
op exact dezelfde manier gaat.
Informele organisatiestructuur: Dingen die buiten de formele
organisatiestructuur gebeuren. Bijvoorbeeld medewerkers die taken gaan
doen, die buiten hun werkzaamheden vallen.
Taakroulatie: Medewerkers wisselen regelmatig van taken of functies, op
hetzelfde niveau binnen de organisatie:
- Voorkomen van saai of eenzijdig werk
- Medewerkers worden breed inzetbaar
, Taakverruiming: Meer taken, zonder extra verantwoordelijkheid of
beslissingsbevoegdheid:
- Meer taken
- Zelfde functieniveau
- Bijv: Eerst alleen producten verpakken, na verruiming: Verpakken,
controleren en labelen.
Taakverrijking: Meer verantwoordelijkheid en bevoegdheden:
- Meer verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en vaak ook
beslissingsbevoegheid
- Vergroot motivatie en betrokkenheid
Organisatiestructuren:
- Simpele structuur
- Hiërarchische structuur
- Functionele structuur
- Matrixstructuur
Simpele structuur:
- Vlak, eenvoudig.
- Alle werknemers rapporteren direct aan de leidinggevende.
- Vooral van toepassing bij start-ups.
Hiërarchische structuur (Lijn-structuur):
- Top-down structuur
- Hoogste functie/beslissingsbevogdheid bovenaan.
- Formalisatie wordt vaak gebruikt voor duidelijke communicatielijnen