JAAR 1, PERIODE 2; GEDRAG IN ORGANISATIES, H2,3,4,5,7,8 EN H17 (PARAGRAAF 17.5 EN 17.6)
TOETS MEERKEUZE VRAGEN
COLLEGE 1 - H2 EN H3 ROBBINS EN JUDGE
ARBEIDSPSYCHOLOGIE
Wat maakt een manager een goede leidinggevende:
- Betrokkenheid
- Beschikbaar zijn
- Rechtvaardigheden
Wat maakt een collega een goede collega:
- Communicatie
- Vertrouwen
- Communicatie
Is gedrag voorspelbaar?
Arbeidspsychologie = wetenschap met fundamentele wetmatigheden door overeenkomstige
patronen in het gedrag van individuen.
H2: ATTITUDES, WERKTEVREDENHEID
Kennen tentamen:
1. De drie componenten van attitudes toe te lichten en het verband tussen attitude en gedrag uit te leggen
2. De belangrijkste attitudes ten opzichte van werk te beschrijven
3. Werktevredenheid te definiëren en aan te geven hoe dit begrip gemeten kan worden en de voornaamste
bronnen van werktevredenheid te noemen
4. De vier soorten reacties van werknemers bij ontevredenheid op te sommen en de effecten van
werk(on)tevredenheid op aspecten van werkgedrag te benoemen
5. De drie uitkomsten van werktevredenheid te noemen
6. Aan te geven hoe het management kan bevorderen dat mensen de gewenste attitudes ontwikkelen en het
verschil tussen bevlogenheid en betrokkenheid uit te leggen.
, ATTITUDES
Theorie van Fishbein en Ajzen (2010)
- Een positieve of negatieve houding tegenover dingen, mensen of gebeurtenissen
- Geeft aan hoe iemand ergens over denkt
Steeds weer bepalen we onze mening, houding en gedrag.
Dit gebeurd op allerlei fronten – fundamenteel menselijke eigenschap
Drie factoren:
- Houding
- Geloof in eigen kunnen
- Sociale druk
Drie vragen die we gaan beantwoorden:
1. Wat zijn de belangrijkste componenten van attitudes?
2. Is gedrag altijd het gevolg van attitudes?
3. Wat zijn de voornaamste attitudes ten aanzien van werk?
1. Drie componenten attitude
Cognitief = evaluatie
Affectief = gevoel
Gedrag = actie
Waarom kijken we naar intentie i.p.v. gedrag: de intentie kan goed zijn maar het gedrag kan verkeerd gaan.
Iemand kan heel negatief zijn over zijn werk terwijl de intentie goed kan zijn.
2. Komt gedrag altijd voort uit attitudes
➔ (nee het hoeft niet) Cognitieve dissonantie (Leon Festinger (1960))
o Je vindt dit en dit, maar laat een ander gedrag zien.
o Het ervaren gevoel dat bij dingen die je doet, denkt of voelt zijn in strijd met je eigen overtuigingen.
Bijvoorbeeld: als twee van jou gedachten of gedragingen elkaar tegenspreken.
o Bijvoorbeeld: je zegt dat je nooit drinkt en dat het slecht is, maar als je op een feestje bent dan vindt je het
opeens wel oké om te drinken.
, 3. Voornaamste attitudes ten aanzien van werk
- Werktevredenheid: een positief gevoel over het werk op basis van een beoordeling van de kenmerken
ervan
o Werk zelf: hangt het sterkste samen met een hoog tevredenheidspeil
o Salaris
o Promotie
o Superieuren
o Collega’s
o Algemeen
Twee methodes om werktevredenheid te meten:
1. Een enkelvoudige algemene score op basis van een gering aantal algemene vragen.
De enkelvoudige algemene score is niet meer dan een respons op een paas algemene vragen.
2. Een optelscore op basis ban een oordeel over allerlei verschillende werkfacetten.
De optelscore is een optelling van werkfacetten. Daarin worden de belangrijkste elementen van een baan
vastgesteld en vervolgens wordt aan werknemers gevraagd hoe tevreden ze zijn over die afzonderlijke elementen.
- Werkbetrokkenheid:
Betrokkenheid: houden van de organisatie; band met je organisatie
➔ Hoe iemand zich voelt bij de organisatie
o
- Bevlogenheid:
Bevlogenheid: zetten graag extra stap; energie in je werk
➔ Hoe iemand zich voelt in het werk
o Positieve toestand van opperste voldoening
o Model van bevlogenheid; Job demans Resources model (bakker en demerouti 2008)
▪ De 2 groende kaders zijn belangrijk, hierbij wordt gekeken naar welke hulpbronnen ben ik nodig.
Belangrijke onderdelen bij bevlogenheid volgens Schaufeli & Bakker, 2008:
1. Vitaliteit - Bruisend van energie, onvermoeibaar
2. Toewijding - Sterke betrokkenheid bij het werk
3. Absorptie - Opgaan in je werk, tijd staat stil (het tegenovergestelde is elk kwartier op de klok kijken of het
al 17:00 is.)
, Job Demands Resources model, Bakker & Demerouti (2008)
• Taakeisen (rood): Werkdruk, complexiteit.
• Werkgerelateerde hulpbronnen (groen): Autonomie, feedback, sociale steun, coaching.
• Persoonlijke hulpbronnen (groen): Optimisme, eigen effectiviteit, stressbestendigheid, eigenwaarde.
• Bevlogenheid (geel) → leidt tot betere prestaties (geel).
BEVLOGENHEID vs. BETROKKENHEID -> https://youtu.be/JyKab3cBW04
WERKONTEVREDENHEID
Belangrijk voor tentamen, kijken hoe je iemand indeelt
Vier reacties op ontevredenheid op de werkvloer:
1. Exitreactie: iemand die weg gaat (actief/destructief)
2. Stemreactie: kritisch; uit zijn mening over onvrede: spreekt zicht uit (actief/constructief)
3. Loyaliteit Loyaliteitsreactie: iemand die denkt dat er wel redenen zijn van het management en hoopt op
betere tijden (passief/constructief)
4. Verwaarlozingsreactie: het zal mijn tijd wel duren, onder de radar, te laat komen (passief/destructief)
Wat zijn voorspellers:
- Ongewenst werkgedrag: signalen
- Afstemming werk en mens
- Relatie met omgeving: team en sfeer
- Ontslag of activiteiten om werkgever ‘betaald te zetten’
o Perceptie: heeft te maken dat iedereen anders naar een situatie kijkt
o Balans
o Verzuim/ verloop