Tijdvak 1: Tijd van jagers en boeren >3000 v.chr
Geen schriftelijke bronnen.
Nomadisch bestaan: verzamelen van voedsel en afhankelijk van
natuur> rondtrekken.
Nomaden: rendierjagers.
1e landbouw ontstond in midden Oosten. I.p.v. rond te trekken,
vestigden mensen zich nu op een vaste plek.
1e landbouwers in de lage landen waren de Bandkeramiekers. (naam
door hun aardewerk)
1e agrarische samenleving boven de grote rivieren was die van
hunebedbouwers. Zij behoorden tot de Trechterbekercultuur (naam
door hun aardewerk).
, Tijdvak 2: Tijd van Grieken en Romeinen 3000 v.chr – 500
Grieks Romeinse cultuur werd de heersende cultuur in de landen
aan de Middellandse Zee en in Europa.
Restanten Grieks-Romeinse cultuur: aquaducten, badhuizen,
theaters.
Romeinen geloofden in vele goden die zij in tempels vereerden.
Slavernij was een belangrijk onderdeel van de Romeinse
samenleving.
Door veroveringen groeide Rome uit tot een machtig wereldrijk.
Julius Caesar speelde hierin met zijn verovering van Gallië een
belangrijke rol.
Door de verbeterde veiligheid nam de handel toe en ontstonden
steeds meer ambachten.
De agrarische cultuur van de Germanen veranderde in een
agrarische-stedelijke cultuur.
De invloed van de Romeinse cultuur op niet-Romeinse volkeren
wordt romanisatie genoemd.
Door geschreven bronnen kwam er een einde aan de prehistorie in
de Lage landen.
In Palestina (Israël) ontstond het christendom op basis van de
boodschap van Jezus die in de bijbel is opgenomen.
In de vierde eeuw na Christus werd het christendom in het Romeinse
Rijk toegestaan door keizer Constantijn.
Tijdvak 3: Tijd van monniken en ridders 500 – 1000
Missionarissen probeerden het christendom vanuit het huidige
Engeland naar de lage landen te brengen.
2 beroemde zendelingen waren Willibrord (hij werkte in de omgeving
van Utrecht) en Bonifatius (hij werkte in Friesland).
Er werden kerken en kloosters gebouwd van waaruit het
christendom zich verbreidde.
De Franken waren het eerste Germaanse volk dat zich bekeerde tot
het christendom.
Door veroveringen kreeg dit volk de macht over een groot gebied.
Zo verspreidde het christendom zich in grote delen van West-
Europa.
In het jaar 622 ontstond in Mekka de Islam. De stichter van dit geloof
was de Arabische koopman Mohammed.
Door de invallen van Germaanse stammen uit het noorden en
oosten moest het Romeinse leger zich uit de veroverde gebieden
terugtrekken. Deze tijd wordt ook wel de tijd van de
volksverhuizingen genoemd.
Omstreeks 800 kwam Karel de Grote, een belangrijke Frankische
vorst, aan de macht.
Deze vorst wist zijn rijk enorm uit te breiden. Het was opgedeeld in
gebieden die bestuurd werden door edelen en bisschoppen, die als