Kritische pediatrische zorg –
Neonatologie
1.Neonatologie pathologie
1.1. Respiratoir Distress Syndroom (RDS)
Oorzaak: tekort aan surfactant + structureel onrijpe longen
o Alveoli zijn nog niet volledig ontwikkeld moeizame
gasuitwisseling
60-80% kans bij prematuren < 28w
Preventief: corticosteroïden toedienen aan mama
o Voordeel: bevordering longrijping + stimuleren
surfactantproductie
o Ideaal: min. 48u tussen toediening en geboorte optimale
werking
Symptomen: binnen 6u na geboorte een zeer progressief verloop
o Tachypneu (> 60), kreunen, neusvleugelen, headbobbing, opp.
AH, tirage, inspir. stridor, cyanose, apneu, reutelen, wheezing
o Kreunen= zorgt voor het ontstaan van een auto PEEP (einde
van expiratie)
Diagnose:
o Symptomen
o Bloedanalyse: respiratoire acidose
o RX-thorax: witte longen 4 stadia (progressief witter beeld op
RX)
Surfactant
= stof dat verlaagde oppervlaktespanning creëert longblaasjes
vallen niet samen tijdens uitademing
Productie: 24-26w 34-35w: adequate oppervlaktespanning
verlagende werking
Doel van surfactant:
o Makkelijker grote oppervlakten vormen
o Longblaasjes niet toevallen tijdens uitademing
o Versterking van longcompliance= de mate waarin de
longen/luchtwegen kunnen uitzetten en samentrekken in
reactie op ademhaling
Behandeling
Hoe?
o Respiratoire ondersteuning & toedienen surfactant
Doel van de behandeling
o Herstel van longfunctie met acceptabele gasuitwisseling
o Zo min mogelijke secundaire longschade
o Openen van gecollabeerde longblaasjes
o Voorkomen van opnieuw toevallen van longblaasjes
1
,1.1.1. Surfactant toediening
Wanneer?
Respiratoire ondersteuning onvoldoende
Hoge RDS-graad
Hoe toedienen?
= vloeibare surfactant rechtstreeks in longen (meestal 1-malige
toediening)
LISA: Less Invasive Surfactant Administration
o Geen rechtstreekse intubatie nodig + ondersteuning CPAP
o Via dunne endotracheale sonde (m.b.v. laryngoscoop)
INSURE: INtubation SUrfactant Rapid Extubation
Belangrijk
Goede longontplooiing nodig voor start behandeling
o Bereikt anders enkel de longblaasjes en niet de alveoli met
atelectase
Goede monitoring van belang
o Risico snelle verlaging van druk in de longen pneumothorax
o Belang controle betrouwbaarheid
o Zichtbaar: stijging O2 + opflakkering kind
1.2. Transiënte Tachypnoe van de Neonaat (TTN)
= Wet Lung Syndrome
Oorzaak:
o Sectio geen vaginale compressie vocht onvoldoende uit
longen
o Moeders met diabetes
Hypertroof linkerventrikel dysfunctie beperkte
vulling
Vaak macrosome kinderen vaker geboorte via sectio
Insuline= vertraagde rijping longen + vertraagde
resorptie vocht
Symptomen: binnen 24u na geboorte
o Tachypneu, kreunen, neusvleugelen, …
Behandeling:
o Automatische opflakkering binnen 24-72uur
o AH-ondersteuning en O2-therapie kan nodig zijn risico op
PPHN
1.3. Meconium Aspiratie Syndroom (MAS)
= intra-uterien meconiaal vruchtwater inademen
Oorzaak: baby krijgt het moeilijk tijdens de geboorte en vertoont
stress meconium lozing in het vruchtwater= meconiaal
vruchtwater (opzich niet ernstig)
Meconiaal vruchtwater is niet ernstig, MAS is wel ernstig
2
, o Meconium= zeer slijmerige, plakkerige stoelgang
o Meconium in trachea of dieper blijft vastzitten in
longblaasjes moeilijke gasuitwisseling hoge
beademingsdrukken nodig
Zeldzaam < 37w, meer frequent > 42w
o > 42w: grotere baby, minder vruchtwater, langer intra uterien,
…
Behandeling
Aspireren NIET tenzij…
o Vermoeden van tracheale obstructie
o Platte baby, hele slechte APGAR, bleek, slap, niet ademen
o Verloop: laryngoscopie aspiratie + plaatsen tube voor
beademing
Ventilatie mag niet uitgesteld worden!
Direct respiratoire ondersteuning
o ECMO= Extra Corporale Membraan Oxygenatie
Doel: werking van de longen tijdelijk overnemen rust
en herstel
Hart-long machine: bloed extern door het toestel
voorzien van nodige O2 terug naar het lichaam
o Geen surfactant bij MAS
MAS is eerder bij aterme kinderen
Voordeel: surfactant zou meconium kunnen afbreken
Antibiotica: inflammatie veroorzaakt door meconium
Sedatie: vermijden dat ze tegenademen risico op pneumothorax
en PPHN
o Pneumothorax: ballonklepmechanisme overdruk in alveoli
door lucht dat niet weggeraakt alveolaire ruptuur
o PPHN: pulmonale vaatweerstand blijft hoog blijvende foetale
circulatie hypoxie + acidose + inflammatie
vasoconstrictie longvaten
1.4. Perinatale asfyxie
= zuurstoftekort (asfyxie) bij/vlak na de geboorte neurologische
problematiek
Oorzaak: moeilijke partus (Vb. placenta solutio, infecties,
navelomstrengeling, langdurige partus, vacuümextractie niet gelukt,
stuitbevalling, …)
Hypothermie behandeling
Lichaamstemp. naar 33,5° lichaam gaat minder functioneren
minder energie en O2 nodig neurologische schade beperken
Koeling binnen 6u opstarten gedurende 72u koelen
Intensieve ondersteuning: beademing, sedatie, pijnstilling,
blaassonde, hemodynamische ondersteuning CRM
Belang van rustige omgeving lichaam verliest geen onnodige
energie
Langzaam terug opwarmen
3
, Strenge inclusiecriteria voor opstart koeling
Stabiel? Scan om hersenschade te beoordelen
1.4.1. Inclusiecriteria koeling
APGAR-score op 5 minuten: < 5
o OF reanimatie gedurende 10min
o OF pH < 7.00 of BE < -16 of lactaat > 10 (via
navelstrengbloed)
EN Thompson score > 7 tussen 1 en 3 uur (nieuw: Sarnat score)
EN kind > 36w oud
EN koeling binnen 6u na geboorte starten
1.5. Broncho Pulmonale Dysplasie (BPD)
= chronische longaandoening Nood aan O2-toediening gedurende
28d= BPD
o Bijkomend element: op 36w nog AH-ondersteuning nodig
= ontwikkelingsprobleem longen (onrijpe alveoli, onrijpheid aanleg
bloedvaten)
o Drie verschillende gradaties
o S/ hoesten, kortademig, wheezing blijvende
ademhalingsproblemen
Meer voorkomend bij ELGAN’s (24-28w)
Preventieve antenatale corticosteroïden van belang voor longrijping
kind
1.6. Persisterende Pulmonale Hypertensie bij Neonaten (PPHN)
= aanhoudende verhoogde pulmonale druk (longvaatweerstand)
Meestal complicatie bij ander ziektebeeld:
o MAS, sepsis, hypoxie, pneumonie, hernia diafragmatica,
congenitale hartafwijkingen, longhypoplasie
(onderontwikkeling longen)
Uitlokkende factoren: koorts, pijn, angst, inspanning, respiratoire
infecties, hypercapnie, hypoxie, hypotensie, metabole acidose
Verloop
Pulmonale druk blijft verhoogt toename druk in arteria pulmonalis
reversibele vasoconstrictie in longvaten minder
longdoorbloeding (veneus bloed gaat niet door de longen) geen
O2 opname Re-Li shunt blijft bestaan
Vaak preductale meting > postductale meting
4
Neonatologie
1.Neonatologie pathologie
1.1. Respiratoir Distress Syndroom (RDS)
Oorzaak: tekort aan surfactant + structureel onrijpe longen
o Alveoli zijn nog niet volledig ontwikkeld moeizame
gasuitwisseling
60-80% kans bij prematuren < 28w
Preventief: corticosteroïden toedienen aan mama
o Voordeel: bevordering longrijping + stimuleren
surfactantproductie
o Ideaal: min. 48u tussen toediening en geboorte optimale
werking
Symptomen: binnen 6u na geboorte een zeer progressief verloop
o Tachypneu (> 60), kreunen, neusvleugelen, headbobbing, opp.
AH, tirage, inspir. stridor, cyanose, apneu, reutelen, wheezing
o Kreunen= zorgt voor het ontstaan van een auto PEEP (einde
van expiratie)
Diagnose:
o Symptomen
o Bloedanalyse: respiratoire acidose
o RX-thorax: witte longen 4 stadia (progressief witter beeld op
RX)
Surfactant
= stof dat verlaagde oppervlaktespanning creëert longblaasjes
vallen niet samen tijdens uitademing
Productie: 24-26w 34-35w: adequate oppervlaktespanning
verlagende werking
Doel van surfactant:
o Makkelijker grote oppervlakten vormen
o Longblaasjes niet toevallen tijdens uitademing
o Versterking van longcompliance= de mate waarin de
longen/luchtwegen kunnen uitzetten en samentrekken in
reactie op ademhaling
Behandeling
Hoe?
o Respiratoire ondersteuning & toedienen surfactant
Doel van de behandeling
o Herstel van longfunctie met acceptabele gasuitwisseling
o Zo min mogelijke secundaire longschade
o Openen van gecollabeerde longblaasjes
o Voorkomen van opnieuw toevallen van longblaasjes
1
,1.1.1. Surfactant toediening
Wanneer?
Respiratoire ondersteuning onvoldoende
Hoge RDS-graad
Hoe toedienen?
= vloeibare surfactant rechtstreeks in longen (meestal 1-malige
toediening)
LISA: Less Invasive Surfactant Administration
o Geen rechtstreekse intubatie nodig + ondersteuning CPAP
o Via dunne endotracheale sonde (m.b.v. laryngoscoop)
INSURE: INtubation SUrfactant Rapid Extubation
Belangrijk
Goede longontplooiing nodig voor start behandeling
o Bereikt anders enkel de longblaasjes en niet de alveoli met
atelectase
Goede monitoring van belang
o Risico snelle verlaging van druk in de longen pneumothorax
o Belang controle betrouwbaarheid
o Zichtbaar: stijging O2 + opflakkering kind
1.2. Transiënte Tachypnoe van de Neonaat (TTN)
= Wet Lung Syndrome
Oorzaak:
o Sectio geen vaginale compressie vocht onvoldoende uit
longen
o Moeders met diabetes
Hypertroof linkerventrikel dysfunctie beperkte
vulling
Vaak macrosome kinderen vaker geboorte via sectio
Insuline= vertraagde rijping longen + vertraagde
resorptie vocht
Symptomen: binnen 24u na geboorte
o Tachypneu, kreunen, neusvleugelen, …
Behandeling:
o Automatische opflakkering binnen 24-72uur
o AH-ondersteuning en O2-therapie kan nodig zijn risico op
PPHN
1.3. Meconium Aspiratie Syndroom (MAS)
= intra-uterien meconiaal vruchtwater inademen
Oorzaak: baby krijgt het moeilijk tijdens de geboorte en vertoont
stress meconium lozing in het vruchtwater= meconiaal
vruchtwater (opzich niet ernstig)
Meconiaal vruchtwater is niet ernstig, MAS is wel ernstig
2
, o Meconium= zeer slijmerige, plakkerige stoelgang
o Meconium in trachea of dieper blijft vastzitten in
longblaasjes moeilijke gasuitwisseling hoge
beademingsdrukken nodig
Zeldzaam < 37w, meer frequent > 42w
o > 42w: grotere baby, minder vruchtwater, langer intra uterien,
…
Behandeling
Aspireren NIET tenzij…
o Vermoeden van tracheale obstructie
o Platte baby, hele slechte APGAR, bleek, slap, niet ademen
o Verloop: laryngoscopie aspiratie + plaatsen tube voor
beademing
Ventilatie mag niet uitgesteld worden!
Direct respiratoire ondersteuning
o ECMO= Extra Corporale Membraan Oxygenatie
Doel: werking van de longen tijdelijk overnemen rust
en herstel
Hart-long machine: bloed extern door het toestel
voorzien van nodige O2 terug naar het lichaam
o Geen surfactant bij MAS
MAS is eerder bij aterme kinderen
Voordeel: surfactant zou meconium kunnen afbreken
Antibiotica: inflammatie veroorzaakt door meconium
Sedatie: vermijden dat ze tegenademen risico op pneumothorax
en PPHN
o Pneumothorax: ballonklepmechanisme overdruk in alveoli
door lucht dat niet weggeraakt alveolaire ruptuur
o PPHN: pulmonale vaatweerstand blijft hoog blijvende foetale
circulatie hypoxie + acidose + inflammatie
vasoconstrictie longvaten
1.4. Perinatale asfyxie
= zuurstoftekort (asfyxie) bij/vlak na de geboorte neurologische
problematiek
Oorzaak: moeilijke partus (Vb. placenta solutio, infecties,
navelomstrengeling, langdurige partus, vacuümextractie niet gelukt,
stuitbevalling, …)
Hypothermie behandeling
Lichaamstemp. naar 33,5° lichaam gaat minder functioneren
minder energie en O2 nodig neurologische schade beperken
Koeling binnen 6u opstarten gedurende 72u koelen
Intensieve ondersteuning: beademing, sedatie, pijnstilling,
blaassonde, hemodynamische ondersteuning CRM
Belang van rustige omgeving lichaam verliest geen onnodige
energie
Langzaam terug opwarmen
3
, Strenge inclusiecriteria voor opstart koeling
Stabiel? Scan om hersenschade te beoordelen
1.4.1. Inclusiecriteria koeling
APGAR-score op 5 minuten: < 5
o OF reanimatie gedurende 10min
o OF pH < 7.00 of BE < -16 of lactaat > 10 (via
navelstrengbloed)
EN Thompson score > 7 tussen 1 en 3 uur (nieuw: Sarnat score)
EN kind > 36w oud
EN koeling binnen 6u na geboorte starten
1.5. Broncho Pulmonale Dysplasie (BPD)
= chronische longaandoening Nood aan O2-toediening gedurende
28d= BPD
o Bijkomend element: op 36w nog AH-ondersteuning nodig
= ontwikkelingsprobleem longen (onrijpe alveoli, onrijpheid aanleg
bloedvaten)
o Drie verschillende gradaties
o S/ hoesten, kortademig, wheezing blijvende
ademhalingsproblemen
Meer voorkomend bij ELGAN’s (24-28w)
Preventieve antenatale corticosteroïden van belang voor longrijping
kind
1.6. Persisterende Pulmonale Hypertensie bij Neonaten (PPHN)
= aanhoudende verhoogde pulmonale druk (longvaatweerstand)
Meestal complicatie bij ander ziektebeeld:
o MAS, sepsis, hypoxie, pneumonie, hernia diafragmatica,
congenitale hartafwijkingen, longhypoplasie
(onderontwikkeling longen)
Uitlokkende factoren: koorts, pijn, angst, inspanning, respiratoire
infecties, hypercapnie, hypoxie, hypotensie, metabole acidose
Verloop
Pulmonale druk blijft verhoogt toename druk in arteria pulmonalis
reversibele vasoconstrictie in longvaten minder
longdoorbloeding (veneus bloed gaat niet door de longen) geen
O2 opname Re-Li shunt blijft bestaan
Vaak preductale meting > postductale meting
4