Opdracht (40’):
Ter voorbereiding van deze les heb je je verdiept in de geneesmiddelenwet en in de rol
van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Het CBG houdt zich bezig met
de beoordeling, bewaking en goed gebruik van geneesmiddelen. Zo bepaalt het CBG ook
voor elk medicijn wanneer een recept nodig is. Sommige medicijnen (UR-geneesmiddelen)
zijn alleen verkrijgbaar als een arts ze voorschrijft. Andere medicijnen kunnen gewoon bij
de apotheek, drogist of supermarkt gekocht worden. In de geneesmiddelenwet staat
vermeld wie medicijnen mag voorschrijven.
a. Maak met je groepje een presentatie van minimaal 4 en maximaal 5 minuten waarin
jullie bespreken wie volgens de geneesmiddelenwet een geneesmiddel mag
voorschrijven.
- Artsen en tandartsen mogen geneesmiddelen voorschrijven.
- Verloskundigen mogen geneesmiddelen voorschrijven op hun
deskundigheidsgebied.
- Verpleegkundig specialisten en physician assistants mogen voorschrijven op hun
deskundigheidsgebied.
- Verpleegkundigen kunnen van de minister een (tijdelijke) voorschrijfbevoegdheid
krijgen.
b. Leg ook uit aan welke wettelijke eisen een recept moet voldoen.
- Naam voorschrijver, liefst met adres en telefoonnummer.
- Datum van voorschrijven.
- Naam, geslacht, geboortedatum en adres van de patiënt (bij kinderen
lichaamsgewicht/lengte erbij vermelden).
- Paraaf (handtekening bij opiumwetgeneesmiddelen).
LET OP: Iedere groep mag zelf bedenken op welke manier de uitwerking van deze
opdrachten gepresenteerd wordt (bijvoorbeeld een of twee dia’s in PowerPoint, een
A4’tje als handout, een flyer, etc.), maar de informatie moet wel op de een of andere
manier schriftelijk gedeeld worden omdat de uitwerking van deze opdrachten tot de
toetsstof behoort.
In het laatste deel van de les presenteert ieder groepje zijn opdracht en is er ruimte om
vragen aan elkaar te stellen.