Economie: de economische
brillen
Defi niti e en begripsafb akening (Les 1)
WAT IS ECONOMIE? (SLIDE 3 – 11)
Definitie:
- Komt van ‘oikos = huis ‘en ‘nemein =besturen’ ‘huishouding’, hoe gaan de mensen om met
hun middelen.
- De wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert als relatie tussen doelen en schaarse
middelen die op verschillende manieren worden aangewend.
Schaarste:
- De omstandigheden dat iets in onvoldoende hoeveelheid beschikbaar is dus niet iedereen
kan al zijn behoeftes tegelijkertijd bevredigen (geen schaarse geen keuze geen eco)
- ≠ zeldzaam (een absoluut te kort)
- Relatief (afhankelijk van de tijd/ruimte/voorkeuren/zelfbeheersing … die verschillen van
persoon tot persoon)
Definitie gebaseerd op Homo economicus idee mens is een rationeel wezen, handelt uit
eigenbelang, streeft naar et bevredigen van behoeften met schaarse middelen.
Kritiek? Menselijk gedrag gaat niet altijd uit vanuit eigenbelang en rationaliteit!
De institutionele economie leiden door instinctieve, biologische, sociale, culturele + morele
factoren. (Daniel Kahneman, gedrag niet logisch en instinctief/intuïtief & Amartya Sen, in keuzes
leiden door gevoelens van rechtvaardigheid.
Uitgangspunten klassieke economie:
- Mens wezen met onbeperkt #verlangens (behoeften)
- Middelen om te bevredigen zijn in beperkte maten voorhanden (schaarste)
- Economische handelende mens zal de schaarste middelen zodanig aanwenden, zo kan zoveel
mogelijk behoeften voorzien. Motor handelen is eigenbelang
Meest succesvol is die over meeste geld beschikt, hij kan zich de meeste schaarse middelen
aanschaffen en dus de meeste behoeften kan bevredigen.
BEHOEFTEN (SLIDE 12 – 17)
Definitie: Het aanvoelen van een welvaartstekort en het zoeken naar een concreet middel om in dit
tekort voorzien.
Soorten behoeften:
- Individuele behoeften: gerangschikt volgens de graad van noodzakelijkheid
Primaire behoeften = streven naar zelfbehoud en overleven
Hogere behoeften = ontplooiing en sociaal leven
, - Collectieve behoeften: aanleggen van wegen, collectieve zelfverdediging (defensie),
organiseren van onderwijs, … mens leeft in groep en is een sociaal wezen
- Economische behoeften (betalen)
Economische goederen = stoffelijk Vraagt inspanning
Economische diensten = onstoffelijk (arbeid/tijd/geld)
- Niet – economische behoeften
Vrije goederen = geen inspanning
!!! Door schaarste wordt niet economische
behoeften economische behoeften!!!
Kenmerk van behoeften:
- Aangeboren en aangeleerd
- Onbeperkt karakter = tijdelijk verzadigbaar maar herhalen
- Veranderlijk
- Waardevrij? = alles staat op gelijke hoogte maar in praktijk kan over gediscussieerd worden
ALLOCATIEVRAAGSTUK (SLIDE 18 – 19)
= onbeperkte hoeveelheden aan behoeften die met schaarse middelen moet worden bevredigd,
houdt de overheid zich mee bezig (allocatie = toebedelen)
Met schaarse middelen oneindige behoeften bevredigen geeft een keuzeprobleem
Technische doelmatig: min. Middelen en max. productie (efficiëntie, belang aan de consument)
Economische doelmatig: eindproductie max. bevrediging, eindproducten de wensen van de
consumenten moet weerspiegelen (effectiviteit, zo veel mogelijk bevrijding)
PRODUCTIEFACTOREN (SLIDE 20 – 22)
= economische goederen worden geproduceerd m.b.v. productiefactoren
1. NATUUR: natuurlijke hulpbronnen (ongelijk verdeeld)
in combinatie met arbeid/kapitaal
economische goederen kunnen creëren oorspronkelijke
2. ARBEID: menselijke activiteiten in productieproces
geleverd worden productiefactoren
(Geschoold/ongeschoold/uitvoerend/leidinggevend/…)
Menselijk kapitaal = kennis, vaardigheden en
ervaring van arbeidskrachten (via onderwijs, vorming, training en opleiding
3. KAPITAAL: dr mens voortgebracht productiemiddel of kapitaalgoederen afgeleide
(afgeleide productiefactor zoals geld en machines) productiefactoren
ECONOMISCHE HUISHOUDINGEN (SLIDE 23)
, 1. Gezinnen: consumeren goederen en diensten + productiefactor (arbeid/kapitaal) + ook soms
gemeenschappen (vzw’s)
2. Bedrijven: produceren goederen en diensten + gebruiken productiefactoren + profit (winst)
als non profit (vb oxfam = fair trade, eerlijke handel vaak met subsidies + eigendom van de
overheid)
5p’s = planet, people, prosperity, partnership and peace (ze maken nier alleen maar winst
maar hebben ook aandacht voor het sociale en ecologische klimaat)
3. Overheden: leggen spelregels op
SOORTEN ECONOMIEËN (SLIDE 24 – 25)
Vrije markt economie:
- Individuele vrijheid belangrijk, beslissing op individueel niveau
- Beslissing decentraal
- Goederen die erg schaars zijn worden duur,
- Concurrentie tussen consumenten en producenten (eco, niet bereid om te betalen voor
goederen die nier aan hun wensen beantwoorden en techno, manier om prijs van producten
laag te houden)
- Allocatie o.b.v. prijsmachine (criterium van prijs)
Centraal geleide economie:
- Groep belangrijk, consumenten minder vrij (enkel producten die de overheid nuttig vindt)
- Beslissing centraal (communisme)
- vergoedingen en prijzen door overheid , verloning gebeurt o.b.v noden en niet prestaties en
overheid prijzen kan opleggen
- stabielere economie met minder welvaartsverschillen (mensen minder gemotiveerd om te
presteren of initiatief te nemen)
- overheid bepaald hvl en productie in handen
Gemengde/gecorrigeerde economie:
- naast individuele vrijheid ook solidariteit en verantwoordelijkheid belangrijk
- beslissing decentraal / centraal
- Overheid aantal zaken bijsturen
- concurrentie tussen consumenten en producenten (eco en techno)
- allocatie o.b.v. prijsmachine
- overheid bepaald wie en hoe maar inspraak burgers (middenveld, opkomen voor belangen
van mensen)
- collectieve goederen produceren.
Het protectionisme
- specifieke vorm van correctie op de vrije markt
- vroeger : welvaart hangt af van hvl kapitalisme in dat land en totale hvl kapitalisme op de
wereld onveranderlijk
- later : infant industry denken = eigen industrie bevoordelen en buitenlandse bedrijven
tegenhouden
, - nu: oneerlijk beschouwde concurrentie met lage loonlanden of als wederkerig argument
tegen landen die zelf industrie afschermen
Een kapitalisti sche vrije markt economie (Les 2)
VRIJE MARKT ECONOMIE (SLIDE 3 – 6)
Definitie:
- niet door de overheid gestuurd, economie is vrij (individu beste om behoeftebevredigingen
na te streven)
- overheid enkel instaan voor orde en veiligheid anders in nadeel van burger (min mogelijk
belastingen anders markt verstoord)
- producenten en consumenten komen samen
- ≠ overheid geplande economie
Waarom een illusie?
Er zijn een tal van regels die hun vrijheid inperken die ook door de vrijemarkteconomen van harde
lijn niet betwist worden (vb. geen medicijnen voor procedure getest). Geen regels mogen worden
opgelegd maar is in de praktijk onhoudbaar --> Ruimte en tijdsgebonden constructie
politieke keuzes bepalen de grenzen van de markt (wanneer de overheid al dan niet tussen beide
komt)
verschillen:
Vrije markt planeconomie Gemengde economie
Visie liberaal collectivisme Liberaal + coll
(soc/christendemo)
Beslissingsniveau decentraal centraal Gemengd
Drijfveren en prikkels Eigen belang + finan Coll belang + niet gemengd
finan
coörinatiemechanism geld plan Door overheid
e gereguleerd en
gecorrigeerde markt
Pro’s en contra’s
Vrije markt economie Planeconomie
Pro’s - Wederzijdse aanpassing - Stabiliteit
- Innovatie/ efficiëntie - Verdeling van welvaart
- Vraaggericht - Hefboomeffect
Contra’s Marktfalen Bureaucratie
- 4 voorwaarden niet ingevuld - Weinig innovatie
- Geen afdoende juridische kader - Weinig motivatie /
- Tekort aan collectieve goederen vrijheid van individu
- Externe effecten (samenleving verbeteren - Overheidsfalen
door cultuur) -
- Verdelingsprobleem (welvaart niet naar
iedereen)
brillen
Defi niti e en begripsafb akening (Les 1)
WAT IS ECONOMIE? (SLIDE 3 – 11)
Definitie:
- Komt van ‘oikos = huis ‘en ‘nemein =besturen’ ‘huishouding’, hoe gaan de mensen om met
hun middelen.
- De wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert als relatie tussen doelen en schaarse
middelen die op verschillende manieren worden aangewend.
Schaarste:
- De omstandigheden dat iets in onvoldoende hoeveelheid beschikbaar is dus niet iedereen
kan al zijn behoeftes tegelijkertijd bevredigen (geen schaarse geen keuze geen eco)
- ≠ zeldzaam (een absoluut te kort)
- Relatief (afhankelijk van de tijd/ruimte/voorkeuren/zelfbeheersing … die verschillen van
persoon tot persoon)
Definitie gebaseerd op Homo economicus idee mens is een rationeel wezen, handelt uit
eigenbelang, streeft naar et bevredigen van behoeften met schaarse middelen.
Kritiek? Menselijk gedrag gaat niet altijd uit vanuit eigenbelang en rationaliteit!
De institutionele economie leiden door instinctieve, biologische, sociale, culturele + morele
factoren. (Daniel Kahneman, gedrag niet logisch en instinctief/intuïtief & Amartya Sen, in keuzes
leiden door gevoelens van rechtvaardigheid.
Uitgangspunten klassieke economie:
- Mens wezen met onbeperkt #verlangens (behoeften)
- Middelen om te bevredigen zijn in beperkte maten voorhanden (schaarste)
- Economische handelende mens zal de schaarste middelen zodanig aanwenden, zo kan zoveel
mogelijk behoeften voorzien. Motor handelen is eigenbelang
Meest succesvol is die over meeste geld beschikt, hij kan zich de meeste schaarse middelen
aanschaffen en dus de meeste behoeften kan bevredigen.
BEHOEFTEN (SLIDE 12 – 17)
Definitie: Het aanvoelen van een welvaartstekort en het zoeken naar een concreet middel om in dit
tekort voorzien.
Soorten behoeften:
- Individuele behoeften: gerangschikt volgens de graad van noodzakelijkheid
Primaire behoeften = streven naar zelfbehoud en overleven
Hogere behoeften = ontplooiing en sociaal leven
, - Collectieve behoeften: aanleggen van wegen, collectieve zelfverdediging (defensie),
organiseren van onderwijs, … mens leeft in groep en is een sociaal wezen
- Economische behoeften (betalen)
Economische goederen = stoffelijk Vraagt inspanning
Economische diensten = onstoffelijk (arbeid/tijd/geld)
- Niet – economische behoeften
Vrije goederen = geen inspanning
!!! Door schaarste wordt niet economische
behoeften economische behoeften!!!
Kenmerk van behoeften:
- Aangeboren en aangeleerd
- Onbeperkt karakter = tijdelijk verzadigbaar maar herhalen
- Veranderlijk
- Waardevrij? = alles staat op gelijke hoogte maar in praktijk kan over gediscussieerd worden
ALLOCATIEVRAAGSTUK (SLIDE 18 – 19)
= onbeperkte hoeveelheden aan behoeften die met schaarse middelen moet worden bevredigd,
houdt de overheid zich mee bezig (allocatie = toebedelen)
Met schaarse middelen oneindige behoeften bevredigen geeft een keuzeprobleem
Technische doelmatig: min. Middelen en max. productie (efficiëntie, belang aan de consument)
Economische doelmatig: eindproductie max. bevrediging, eindproducten de wensen van de
consumenten moet weerspiegelen (effectiviteit, zo veel mogelijk bevrijding)
PRODUCTIEFACTOREN (SLIDE 20 – 22)
= economische goederen worden geproduceerd m.b.v. productiefactoren
1. NATUUR: natuurlijke hulpbronnen (ongelijk verdeeld)
in combinatie met arbeid/kapitaal
economische goederen kunnen creëren oorspronkelijke
2. ARBEID: menselijke activiteiten in productieproces
geleverd worden productiefactoren
(Geschoold/ongeschoold/uitvoerend/leidinggevend/…)
Menselijk kapitaal = kennis, vaardigheden en
ervaring van arbeidskrachten (via onderwijs, vorming, training en opleiding
3. KAPITAAL: dr mens voortgebracht productiemiddel of kapitaalgoederen afgeleide
(afgeleide productiefactor zoals geld en machines) productiefactoren
ECONOMISCHE HUISHOUDINGEN (SLIDE 23)
, 1. Gezinnen: consumeren goederen en diensten + productiefactor (arbeid/kapitaal) + ook soms
gemeenschappen (vzw’s)
2. Bedrijven: produceren goederen en diensten + gebruiken productiefactoren + profit (winst)
als non profit (vb oxfam = fair trade, eerlijke handel vaak met subsidies + eigendom van de
overheid)
5p’s = planet, people, prosperity, partnership and peace (ze maken nier alleen maar winst
maar hebben ook aandacht voor het sociale en ecologische klimaat)
3. Overheden: leggen spelregels op
SOORTEN ECONOMIEËN (SLIDE 24 – 25)
Vrije markt economie:
- Individuele vrijheid belangrijk, beslissing op individueel niveau
- Beslissing decentraal
- Goederen die erg schaars zijn worden duur,
- Concurrentie tussen consumenten en producenten (eco, niet bereid om te betalen voor
goederen die nier aan hun wensen beantwoorden en techno, manier om prijs van producten
laag te houden)
- Allocatie o.b.v. prijsmachine (criterium van prijs)
Centraal geleide economie:
- Groep belangrijk, consumenten minder vrij (enkel producten die de overheid nuttig vindt)
- Beslissing centraal (communisme)
- vergoedingen en prijzen door overheid , verloning gebeurt o.b.v noden en niet prestaties en
overheid prijzen kan opleggen
- stabielere economie met minder welvaartsverschillen (mensen minder gemotiveerd om te
presteren of initiatief te nemen)
- overheid bepaald hvl en productie in handen
Gemengde/gecorrigeerde economie:
- naast individuele vrijheid ook solidariteit en verantwoordelijkheid belangrijk
- beslissing decentraal / centraal
- Overheid aantal zaken bijsturen
- concurrentie tussen consumenten en producenten (eco en techno)
- allocatie o.b.v. prijsmachine
- overheid bepaald wie en hoe maar inspraak burgers (middenveld, opkomen voor belangen
van mensen)
- collectieve goederen produceren.
Het protectionisme
- specifieke vorm van correctie op de vrije markt
- vroeger : welvaart hangt af van hvl kapitalisme in dat land en totale hvl kapitalisme op de
wereld onveranderlijk
- later : infant industry denken = eigen industrie bevoordelen en buitenlandse bedrijven
tegenhouden
, - nu: oneerlijk beschouwde concurrentie met lage loonlanden of als wederkerig argument
tegen landen die zelf industrie afschermen
Een kapitalisti sche vrije markt economie (Les 2)
VRIJE MARKT ECONOMIE (SLIDE 3 – 6)
Definitie:
- niet door de overheid gestuurd, economie is vrij (individu beste om behoeftebevredigingen
na te streven)
- overheid enkel instaan voor orde en veiligheid anders in nadeel van burger (min mogelijk
belastingen anders markt verstoord)
- producenten en consumenten komen samen
- ≠ overheid geplande economie
Waarom een illusie?
Er zijn een tal van regels die hun vrijheid inperken die ook door de vrijemarkteconomen van harde
lijn niet betwist worden (vb. geen medicijnen voor procedure getest). Geen regels mogen worden
opgelegd maar is in de praktijk onhoudbaar --> Ruimte en tijdsgebonden constructie
politieke keuzes bepalen de grenzen van de markt (wanneer de overheid al dan niet tussen beide
komt)
verschillen:
Vrije markt planeconomie Gemengde economie
Visie liberaal collectivisme Liberaal + coll
(soc/christendemo)
Beslissingsniveau decentraal centraal Gemengd
Drijfveren en prikkels Eigen belang + finan Coll belang + niet gemengd
finan
coörinatiemechanism geld plan Door overheid
e gereguleerd en
gecorrigeerde markt
Pro’s en contra’s
Vrije markt economie Planeconomie
Pro’s - Wederzijdse aanpassing - Stabiliteit
- Innovatie/ efficiëntie - Verdeling van welvaart
- Vraaggericht - Hefboomeffect
Contra’s Marktfalen Bureaucratie
- 4 voorwaarden niet ingevuld - Weinig innovatie
- Geen afdoende juridische kader - Weinig motivatie /
- Tekort aan collectieve goederen vrijheid van individu
- Externe effecten (samenleving verbeteren - Overheidsfalen
door cultuur) -
- Verdelingsprobleem (welvaart niet naar
iedereen)