1 LES 1 INLEIDING
Hypoplasie: kwantitatief ontwikkelingsdefect→ dunner glazuur
Hypomineralisatie: kwalitatief ontwikkelingsdefect → glazuur minder goed ontwikkelt
Ecologie orale caviteit=Dynamiek van de wisselwerking tussen organismen met hun levensgemeenschappen
en populaties, de abiotische omgeving en de wisselwerking daartussen binnen een afgebakende eenheid.
Gebitsontwikkeling/wisselfase:
▪ Eerste doorbraak: 6 -8maand
▪ Volledig melkgebit: 2,5 jr.
▪ Eerste wisselfase: 6-9 jaar
▪ Rustperiode: 9-10 jaar.
▪ Tweede wisselfase: 10-12 jaar
Cariës: gevolg van interactie tussen (alle drie effectief aanwezig)
- Tanden
- Suiker
- Micro-organismen
Cariësgevoelige plaatsen (voorkeursplaatsen):
1. Melkgebit: occlusaal, approximaal.
2. Definitief gebit: occlusaal, foramen caecum, later: approximaal,
3. Ouderen: worteloppervlakken.
o Net onder contactpunt(vlak), hoe breder, hoe sneller. Molaren: concaaf (hol).
Foramen caecum: Uitmonding van de mesio-buccaal interlobulaire groeve die doorloopt in het
buccale vlak dat uitmondt in een dieper gelegen putje in het buccale vlak.
o Intersegmentale fissuren= fissuren tussen lobben (knobbels)
o Margino-segmentale fissuren= mesio/disto- marginale fissuur
Amelogenesis
- Gevormd door ameloblasten
1. Secretoire fase: secretie van proteïne + partiële vervanging door mineraal
2. Meerjarige fase (maturatie): grootste deel proteïne wordt vervangen door mineraal.
3. Einde = net voor doorbraak
Apatiet kristallen
- Gewicht: 97% anorganisch,
- Volume: 86% anorganisch, 12 % water.
- Calciumfosfaat:
o Kleinste entiteit: hydroxyapatiet (HAP)
o HAP= Ca5 (PO4 )3 (OH)
- Varianten mogelijk door substitutie van OH-
o FHAP (fluor, zeldzaam bij mens)
o CHAP (Carbonaat gemodificeerd)
o MHAP (Magnesium-gemodificeerd)
, ▪ Oplosbaarheid (laag naar hoog) → FHAP < HAP < CHAP/MHAP
▪ Moleculen zitten dichter op elkaar bij fluorapatiet(minst), fluorhydorxyapatiet,
hydroxyapatiet. (meest)
Kristal = solide substantie waarin atomen/moleculen/ionen in een zich herhalend patroon zijn gerangschikt en
dit in 3 dimensies.
Structuur kristallen
- De kristallen vormen staafjes of prisma’s (d: 4-5 μm)
- Prima’s lopen van dentine naar tandoppervlak
- Kristallen lopen grotendeels parallel met de prisma’s
<- Glazuurprisma’s
Interkristallijne ruimtes: Alligatie overal identiek behalve aan de periferie, de
ruimtes zijn perifeer dus groter. Zwakke gedeelte glazuur, dus bij melkgebit
gevoeliger voor cariës.
Interprismatische ruimtes: ruimte tussen prisma
Glazuur
- Goed gemineraliseerd glazuur is translucent, onderliggende dentine bepaald de kleur.
- Wanneer het volume van interkristallijne ruimtes vergroot, wordt het licht gescattered en gereflecteerd
waardoor een wittere kleur ontstaat.
- Melktanden zijn poreuzer (kristallijnen meer door elkaar) dan definitieve →
Wittere kleur
- Toont microscopisch anatomische ruwheden → Tome’s process pits (komen
overeen met ameloblasten)
- Oplosbaar in zuur pH < 5,5
Dentine
- Continue formatie secundair dentine→ reductie pulpakamer
- Vitaal
- Gewicht:
→ Organisch deel (18%) = 90% collageen
→ Anorganisch deel (70%) + HAP kristallen =
kleiner dan in glazuur
→ Water (12%)
- Cariës gaan sneller in dentine door groter
organisch materiaal.
- Rond de tubuli het meest gemineraliseerd
Pulpa
- Gewicht:
→ Organisch (25%): fibroblasten, collageen, grondsubstanties
→ Water (75%)
- Arteriën en venen via accessoire wortelkanalen → Vasculariteit daalt met
leeftijd tgv secundair dentine
- Nervi volgen bloedvaten
→ Extensies zenuwvezels samen met Od-uitlopers in dentinetubuli: Pijn
Wortelcement
, - Minst gemineraliseerd
- Gewicht: 65% HAP/FHAP of andere vormen
- Grootste deel organische matrix: collageen 23%
→ Speelt een rol in aanhechting parodontaal ligament
2 LES 2 SPEEKSEL
Hoeveelheid:
- In rust:
→ Overdag: 0,3ml/min
→ ‘S nachts: 0,1ml/min
o 500 ml/dag (65% submandibulair)
- Gestimuleerd:
→ 4-5ml/min (50% parotis, 35% submandibulair)
▪ Samengevat: 0,7 à 1,5L/dag
(Belangrijkste) Functies:
1) Beschermen mondweefsels (mucinen)
2) Initiëren spijsvertering (amylase)
3) Binnenkomende MO onschadelijk maken (immuunglobulinen)
o Klaring
o Oplosbaarheid voedsel
o Facilitatie bolusformatie (door mucine, smeermiddel)
o Initiëren spijsvertering (bevat enzymen zoals lipiden en amylase)
o Lubricatie van zachte weefsels
o Facilitatie slikken/spreken
o Antibacteriële werking door lysozyme en peroxidase
Speekselklieren:
1. Parotis:
o Sereus (dun/waterig) + amylase (zetmeel → suiker)
2. Submandibulair:
o viskeus, veel mucine (lubricans)
3. Sublinguaal:
o viskeus (dik, slijmerig)
Mondvloeistof
1. Klierspeeksel
2. Serum
3. Creviculaire vloeistof
Klaring = het oplossen en de eliminatie van substanties in de orale
caviteit (snel of traag).
- Beïnvloedbaar? → ja, speekselstimulatie door kauwen.
Samenstelling speeksel:
- Water (99%)
- Anorganisch deel (elektrolyten: calcium, bicarbonaat en anorganisch fosfaat.)
→ Neutralisatie van zuren door buffering
- Organisch deel (proteïnen, glycoproteïnen, enzymen)
pH: Potential for hydrogen.