RS0522-252622S – Schakelzone OU
Alle jurisprudentie van dit vak wordt in deze samenvatting uitgewerkt.
Inhoudsopgave
Leereenheid 4................................................................................................................. 2
ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379, JB 2014/202 (Stichting
bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio);....................................................2
ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, AB 2017/348 (Mestbassin
Mechelen).................................................................................................................... 3
Leereenheid 5................................................................................................................. 4
ABRvS 10 april 1995, AB 1995/498 (Long Lin);...........................................................4
ABRvS 6 mei 1997, JB 1997/118 (Van Vlodrop B.V.);..................................................5
ABRvS 3 oktober 1996, JB 1996/231 (N.V. Luchthaven Schiphol);...............................6
ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:697, AB 2016/211 (Inzet videoteam
Rotterdam);................................................................................................................. 7
ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222, AB 2017/340 (Tipgeld
bouwfraude)................................................................................................................ 8
Leereenheid 6............................................................................................................... 10
HR 21 oktober 2005, JB 2005/318 (Ludlage/Van Paradijs);........................................10
ABRvS 26 oktober 2016, AB 2016/447 (Inherente afwijkingsbevoegdheid
beleidsregels);........................................................................................................... 11
CBb 8 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:92, AB 2022/307 (Bijlage Besluit houders van
dieren)....................................................................................................................... 13
Leereenheid 7............................................................................................................... 15
HR 25 februari 1949, NJ 1949/558 (Doetinchemse woonruimteverordening);...........15
ABRvS 9 mei 1996, JB 1996/158, m.nt. Stroink (Kwantumhal Venlo);.......................16
ABRvS 29 mei 2019, JB 2019/124, m.nt. C.L.G.F.H. Albers (Dakopbouw Amsterdam);
.................................................................................................................................. 18
ABRvS 2 februari 2022, JB 2022/44 m.nt. R.J.N. Schlössels (Harderwijk)..................19
Leereenheid 9............................................................................................................... 21
ABRvS 9 mei 1996, JB 1996/158, m.nt. Stroink (Kwantumhal Venlo);........................21
ABRvS 11 juni 2008, JB 2008/165 (Hennes&Mauritz);................................................21
ABRvS 29 mei 2019, JB 2019/124, m.nt. C.L.G.F.H. Albers (Dakopbouw Amsterdam);
.................................................................................................................................. 23
ABRvS 2 februari 2022, JB 2022/44, m.nt. R.J.N. Schlössels (Harderwijk)..................23
Leereenheid 10............................................................................................................. 23
In leereenheid 1, 2 en 3 wordt geen jurisprudentie benoemd.
1
,Leereenheid 4
ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379, JB 2014/202 (Stichting
bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio);
Rechtsvraag: Is het bestuur van de Stichting BKLS een bestuursorgaan volgens
art. 1:1 lid 1 sub b Awb? Als dat zo is, dan kunnen besluiten van de stichting
worden aangevochten bij de bestuursrechter.
Essentie: De stichting geeft bepaalde voorzieningen in natura (dus geen geld,
maar bijvoorbeeld diensten of maatregelen). Zij doet dat aan de hand van criteria
die mede door de overheid zijn opgesteld, en de stichting wordt ook gedeeltelijk
betaald met overheidsgeld.
De vraag is: maakt dit haar tot een bestuursorgaan?
De rechtbank Noord-Holland had eerder gezegd: nee, want:
- Er is niet genoeg inhoudelijke invloed van de overheid op de besliscriteria,
én
- Er is niet genoeg financiële afhankelijkheid van de overheid.
Beide voorwaarden moeten namelijk tegelijk worden vervuld.
Rechtsregel: Een private organisatie (zoals een stichting) wordt alleen een
bestuursorgaan als twee voorwaarden tegelijk worden vervuld:
1. Inhoudelijke invloed (inhoudelijke vereiste): De overheid moet in
beslissende mate bepalen volgens welke regels of criteria de stichting geld
of voorzieningen verstrekt.
2. Financiële afhankelijkheid (financiële vereiste): De uitkeringen of
voorzieningen moeten voor het grootste deel (minstens 2/3) door de
overheid worden betaald.
Inhoud arrest: De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank: het
bestuur van de stichting is géén bestuursorgaan. Waarom niet?
1. Inhoudelijk vereiste niet vervuld: De criteria voor het verstrekken van
uitkeringen of voorzieningen worden door het bestuur van de stichting zelf
vastgesteld.
Er is geen beslissende sturing van publieke organen. De overheid kan dus
niet bepalen hoe de stichting haar middelen verdeelt.
2. Financieel vereiste niet vervuld: De financiering komt niet voor minimaal
twee derde van bestuursorganen. Een aanzienlijk deel is afkomstig van
private partijen, zoals Schiphol Group. Dus de overheid financiert de
stichting niet in overwegende mate.
Belangrijke toelichting door de Raad van State: Het enkele feit dat een stichting
een publieke taak uitvoert, betekent niet automatisch dat zij openbaar gezag
uitoefent of een bestuursorgaan is. Dit volgt pas uit de inhoudelijke en financiële
banden met de overheid — en die ontbreken hier in voldoende mate.
Gevolg: Omdat in dit geval niet aan beide vereisten wordt voldaan, is de
stichting geen bestuursorgaan. Daarom kunnen haar besluiten niet met beroep
bij de bestuursrechter worden aangevochten.
2
,ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, AB 2017/348 (Mestbassin
Mechelen).
Rechtvraag: Wanneer ben je belanghebbende volgens art. 1:2 lid 1 Awb?
Specifiek: Wanneer zijn de gevolgen van een besluit “van enige betekenis”? Als
de gevolgen te klein zijn, ben je geen belanghebbende.
Essentie: De Raad van State legt in dit arrest uit wanneer iemand genoeg hinder
of andere effecten ervaart om als belanghebbende te worden gezien.
Hoofdregel: wie feitelijke gevolgen ervaart van een besluit, is belanghebbende.
Maar: als die gevolgen zo klein of onbetekenend zijn dat je er eigenlijk niets van
merkt, dan telt het niet. Het arrest verduidelijkt dat je moet kijken naar factoren
zoals afstand, zicht, geur, geluid, trilling, hoe vaak de hinder voorkomt, hoe sterk
die is, enzovoort.
Rechtsregel:
Hoofdregel: Je bent belanghebbende als je rechtstreeks gevolgen
ondervindt van wat een besluit mogelijk maakt.
Uitzondering: Je bent géén belanghebbende als die gevolgen te gering zijn.
De rechter kijkt dan naar o.a.:
- Hoe ver je van de activiteit woont,
- Of je het kunt zien of ruiken,
- Hoeveel geur, geluid of andere overlast er is,
- Hoe vaak en hoe intens de hinder voorkomt.
Deze factoren moeten samen worden bekeken; er is geen vaste afstand of vaste
grens.
Belangrijk: Dat een activiteit aan milieunormen voldoet (bijv. afstandseisen
of geurgrenswaarden) betekent niet automatisch dat iemand géén
belanghebbende is.
Normen zijn pas belangrijk bij de inhoudelijke beoordeling, niet bij de vraag wie
mag klagen?
Inhoud arrest:
1. Feiten: Bij een mestbassin in Mechelen klaagden omwonenden over
geurhinder.
Sommigen woonden meer dan 250 meter verderop.
De gemeente vond dat deze mensen geen belanghebbenden waren,
omdat ze te ver weg woonden.
2. Oordeel van de Raad van State: De Raad van State keek naar de
daadwerkelijke gevolgen:
- De geur was regelmatig merkbaar,
- Vooral bij bepaalde windrichtingen en wanneer het bassin werd gevuld,
- De hinder was substantieel genoeg om serieus te nemen.
Dus ook op meer dan 250 meter afstand konden de gevolgen van enige
betekenis zijn.
3. Uitspraak:
- De omwonenden zijn wél belanghebbenden.
- Het besluit van de gemeente om hen niet-ontvankelijk te verklaren werd
vernietigd.
- De gemeente moest opnieuw naar het handhavingsverzoek kijken, mét
hun belangen erbij.
3
, Leereenheid 5
ABRvS 10 april 1995, AB 1995/498 (Long Lin);
Rechtsvraag: Mocht de minister een beschadigd schip de toegang tot de
Nederlandse territoriale wateren weigeren en daar strenge financiële
voorwaarden aan verbinden?
En: is zo’n beslissing een besluit in de zin van het bestuursrecht?
Essentie: een beslissing over toegang tot territoriale wateren een
publiekrechtelijk besluit kan zijn; ook als er financiële (privaatrechtelijke)
voorwaarden aan zijn verbonden;
en dat de overheid bij noodsituaties een zorgvuldige belangenafweging moet
maken en haar besluit goed moet motiveren. Het arrest wordt vaak gebruikt bij:
de vraag wanneer iets een besluit is, en hoe ver het publieke-taakcriterium reikt.
Hoofdregel: Een beslissing die voortvloeit uit een publieke taak van de overheid
kan een publiekrechtelijke beschikking zijn, ook als daarin privaatrechtelijke
elementen voorkomen.
Maar Zo’n besluit moet: zorgvuldig zijn voorbereid, proportioneel zijn, en goed
gemotiveerd. Is dat niet zo, dan is het besluit onrechtmatig.
Rechtsregel: Een besluit hoeft niet altijd op een expliciete wettelijke
bevoegdheid te steunen om als beschikking te gelden. Als het besluit voortvloeit
uit een publiekrechtelijke taak (zoals bescherming van de kust en veiligheid), kan
het tóch een publiekrechtelijke beschikking zijn.
Voorwaarden die aan zo’n besluit worden verbonden (zoals financiële garanties)
moeten:
redelijk zijn, proportioneel, en deugdelijk gemotiveerd.
Inhoud van het arrest:
1. Feiten: Het schip Long Lin was zwaar beschadigd door een aanvaring. Het
schip vroeg toegang tot Nederlandse territoriale wateren om reparaties uit te
voeren.
De minister: stelde technische voorwaarden; eiste een hoge financiële garantie
(eerst 20 miljoen gulden, later 10 miljoen). Omdat de garantie niet volledig werd
geaccepteerd, werd de toegang geweigerd.
2. Oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak: De weigering van toegang was
een publiekrechtelijke beschikking: zij vloeide voort uit de publieke taak van de
Staat (bescherming van de kust en veiligheid); ook al had de financiële garantie
een privaatrechtelijk karakter.
De minister mocht voorwaarden stellen, maar: hij legde niet goed uit waarom de
garantie zo hoog moest zijn; hij maakte niet duidelijk welke kosten ermee werden
gedekt; hij woog de noodsituatie van het schip onvoldoende mee. Daardoor was
het besluit onvoldoende gemotiveerd.
4