Samenvatting celbiologie
Inhoud
Ch1.........................................................................................................................................................1
Ch2 Bindingen........................................................................................................................................2
Ch4 Week 3 Eiwitten structuur en functies.............................................................................................5
Ch5 Membranen.....................................................................................................................................7
Ch12 Membraantransport bijeenkomst 5.............................................................................................11
Week 6 Intracellulair transport.............................................................................................................12
Ch17.....................................................................................................................................................16
Histologie..............................................................................................................................................19
Ch1
Celtheorie: Alles (levend) vindt zijn origine uit cellen
Alle levende cellen zijn gevormd uit deling van een al bestaande cel
Belangrijkste onderdelen eukaryote cel”
Kern: het informatie en besturingssysteem van de cel
Mitoschindrien: Maken bruikbare energie in de vorm van ATP om de cel te voorzien. (ATP
synthese) Heeft eigen DNA
Chloroplast: Bladgroenkorrel. Kan dmv fotosynthese lichtenerie opslaan als glucose. Heeft
eigen DNA
ER: Blaasjes maken voor export en locatie voor vaste ribosomen (die dus niet echt vast zitten)
Golgiapparaat: Scheiden van inkomende blaasjes en verwerken van eiwitten voor transport
naarbuiten de cel.
Lysosoom: Klein. Intracellulaire vertering. Kunnen ook opnemen. Afbreken voor recycling en
excretie. PH5 Er zit een H+ pomp in H+ naar binnen te pompen om PH 5 te kunnen houden.
Peroxisoom. Waterstofperoxide afbraak. Detoxificering.
Endosoom: Blaasje van buiten de cel naar binnen in de cel
Exosoom: Blaasje van binnen naar buiten de cel.
Cytoskelet
1. Behouden van de vorm
1. Faciliteren van intracelulair transport
Filamenten
1. Intermediaire filamenten
1. Microtubuli
1. Actinefilamenten
DNA
Drager van erfelijke eigenschappen. Genen dragen de bouw van verschillende eiwitten voor
eiwitsynthese.
Genexpressie:
Sommige cellen hebben andere chemische stoffen in de histonen dat er voor zorgt dat sommige
delen van het DNA wel en andere niet worden afgelezen voor eiwitsynthese
, Variatie tussen deze chemische stoffen zorgt in variatie tussen cellen, weefsels
De chemische samenstelling kan door externe stimuli geregeld worden.
Eiwitsynthese
DNA RNA Eiwit
Transcriptie Translatie
Membraan:
1. Dubbele lipiedlaag. Dit is om hem selectief te maken. Een deel is niet waterdoorlaadbaar. Hier gaan
stoffen niet goed doorheen.
2. Tussen intracellilair en extracellulair.
Selectieve permeabiliteit
- Doorgan van bepaalde moleculen reguleren
- Intern milieu controleren en reguleren
- Zorgt voor homeostase
Methyl CH3
Hydrofyl 0-H
Carboxyl COOH
Carbonyl C=O
Phosfofyl PO4
Amino NH2
Oxidatie= electronen accepteren
Substraat staat electron af
Reductie (electrondonor)
Redoxreactie = reactie tussen moleculen en atomen, waarbij ionen worden uitgewisseld
Hydrolyse = Toevoeging van water
Condensatiereactie ? + ?OH ? + H2O
Fosforilering
Ch2 Bindingen
Van zwak naar sterk
Van der waals binding Binding tussen moleculen i.p.v. atomen. Kookpunt hangt vaak af van o.a.
hoeveel vanderwaalsbindingen. Moleculen trekken elkaar altijd aan.
Hydrofobe interacties. Vet trekt vet aan.
Inhoud
Ch1.........................................................................................................................................................1
Ch2 Bindingen........................................................................................................................................2
Ch4 Week 3 Eiwitten structuur en functies.............................................................................................5
Ch5 Membranen.....................................................................................................................................7
Ch12 Membraantransport bijeenkomst 5.............................................................................................11
Week 6 Intracellulair transport.............................................................................................................12
Ch17.....................................................................................................................................................16
Histologie..............................................................................................................................................19
Ch1
Celtheorie: Alles (levend) vindt zijn origine uit cellen
Alle levende cellen zijn gevormd uit deling van een al bestaande cel
Belangrijkste onderdelen eukaryote cel”
Kern: het informatie en besturingssysteem van de cel
Mitoschindrien: Maken bruikbare energie in de vorm van ATP om de cel te voorzien. (ATP
synthese) Heeft eigen DNA
Chloroplast: Bladgroenkorrel. Kan dmv fotosynthese lichtenerie opslaan als glucose. Heeft
eigen DNA
ER: Blaasjes maken voor export en locatie voor vaste ribosomen (die dus niet echt vast zitten)
Golgiapparaat: Scheiden van inkomende blaasjes en verwerken van eiwitten voor transport
naarbuiten de cel.
Lysosoom: Klein. Intracellulaire vertering. Kunnen ook opnemen. Afbreken voor recycling en
excretie. PH5 Er zit een H+ pomp in H+ naar binnen te pompen om PH 5 te kunnen houden.
Peroxisoom. Waterstofperoxide afbraak. Detoxificering.
Endosoom: Blaasje van buiten de cel naar binnen in de cel
Exosoom: Blaasje van binnen naar buiten de cel.
Cytoskelet
1. Behouden van de vorm
1. Faciliteren van intracelulair transport
Filamenten
1. Intermediaire filamenten
1. Microtubuli
1. Actinefilamenten
DNA
Drager van erfelijke eigenschappen. Genen dragen de bouw van verschillende eiwitten voor
eiwitsynthese.
Genexpressie:
Sommige cellen hebben andere chemische stoffen in de histonen dat er voor zorgt dat sommige
delen van het DNA wel en andere niet worden afgelezen voor eiwitsynthese
, Variatie tussen deze chemische stoffen zorgt in variatie tussen cellen, weefsels
De chemische samenstelling kan door externe stimuli geregeld worden.
Eiwitsynthese
DNA RNA Eiwit
Transcriptie Translatie
Membraan:
1. Dubbele lipiedlaag. Dit is om hem selectief te maken. Een deel is niet waterdoorlaadbaar. Hier gaan
stoffen niet goed doorheen.
2. Tussen intracellilair en extracellulair.
Selectieve permeabiliteit
- Doorgan van bepaalde moleculen reguleren
- Intern milieu controleren en reguleren
- Zorgt voor homeostase
Methyl CH3
Hydrofyl 0-H
Carboxyl COOH
Carbonyl C=O
Phosfofyl PO4
Amino NH2
Oxidatie= electronen accepteren
Substraat staat electron af
Reductie (electrondonor)
Redoxreactie = reactie tussen moleculen en atomen, waarbij ionen worden uitgewisseld
Hydrolyse = Toevoeging van water
Condensatiereactie ? + ?OH ? + H2O
Fosforilering
Ch2 Bindingen
Van zwak naar sterk
Van der waals binding Binding tussen moleculen i.p.v. atomen. Kookpunt hangt vaak af van o.a.
hoeveel vanderwaalsbindingen. Moleculen trekken elkaar altijd aan.
Hydrofobe interacties. Vet trekt vet aan.