1 INLEIDING
Eigentijdse geschiedenis is het enige tijdvak dat blijft groeien. De afstand met het
studieobject ontbreekt.
Paradoxale bronnenschaarste: we kunnen beroep doen op orale bronnen, maar
ze hebben geen toegang tot essentiële documenten vanwege te actueel en
gevoelig.
Eigentijdse geschiedenis loopt ondertussen verder, relevantie verandert (vb Peak
Oil Demand bleek niet waar).
1.1 Wat is eigentijdse geschiedenis?
Hoe deze periode afbakenen? Arbitrair
Eindpunt = bestaat niet
Begindatum = 1945
3 soorten afbakeningscriteria:
- Methodologisch/heuristisch argument: nieuwe audioviseule en digitale
bronnen, maar verschuiving van het probleem door het begin van de
eigentijdse periode aan de doorbraak v deze media vast te leggen, want
heel arbitrair!
Mondeling of orale bron maakt onderzoek naar deze periode anders,
historici kunnen nieuwe bron creëren maar vlottende begindatum als we
mondelinge bronnen als het onderscheidende criterium maken.
- Inhoudelijk argument:
‘Contemporary historu begins when the problems which are actual in the
world today first take visible shape.’ – Barraclough
Dit is opnieuw een elastische omschrijving van beginpunt. Volgens hemzelf
was dat 1980.
Kritiek:
o Problemen van onze (groot)ouders =/= problemen v hedendaagse
samenleving
o Vragen over causaliteit: als je oorzaak-gevolgketens consequent
volgt, is er geen causale reden om tijdvakken van elkaar te
onderscheiden
o Moeilijk om te weten wat dé fundamentele verschuivingen van onze
tijd zijn. Universele mijlpalen zijn moeilijk te vinden (problemen
Westen =/= 3de wereld landen) leidt tot vlottende begindatum
Andere Britse historici namen 1870 als beginpunt (= Frans-Duitse oorlog,
begin Brits-Franse rivaliteit)
Duitse historici namen Zeitsgeschichte vanaf 1917 (= intrede VS in Grote
Oorlog + Oktoberrevolutie in RU)
Franse historici namen histoire contemporaine vanaf 1789 (= Franse
Revolutie)
, Afbakeningen op basis van Barraclough zijn nog steeds contingent
1945 nemen als beginpunt: arbitrairin de zin dat vooroorlogse evoluties
blijven doorlopen, maar na WOII kwalitatieve en kwantitatieve
verschuivingen + ‘the great excellaration’
o Omkering internationaal migratiepatroon,
o Zwaartepunt in macht en rijkdom van Azië naar Europa en N-A
o Enorme versnelling in groei van wereldbevolking, groeivoet voor het
eerst >0,5%
o Snelste economische groei in geschiedenis
o Snelste groei in energieverbruik (zie sprong ’50 –’73)
o Snelste stijging in CO2-uitstoot
- Arbitrair argument
1.2 De geschiedenis van het vakdomein ‘eigentijdse
geschiedenis’
Relatief jong vakdomein. Historici hebben altijd al over hun eigen tijdvak
geschreven, maar door academisering en professionalisering vd historische
wereld in 19de E ontstaan nieuwe methodes om het verleden te analyseren.
Recente geschiedschrijving bestemd als onwetenschappelijk. Deze visie
veranderde in loop v 20ste E. De Grote Oorlog was eerste doorbraak in studie v
eigentijdse geschiedenis.
1.3 Globale samenhangen en de spanning tussen
globalisering en fragmentering
Twee rode draden doorheen deze cursus:
- De globale samenhang, er is interactie
- Spanning tussen globale integratie en fragmentatie op lokaal vlak.
Globalisering ‘De wereld wordt een dorp.’ In een steeds groter
geografisch gebied worden de verbindingen tss gemeenschappen steeds
talrijker, intenser, sneller en invloedrijker.
Globalisering heeft 4 dimensies:
o Geografische extensie: globale netwerken breiden zich over een
steeds groter deel van de wereld uit
o Intensiteit: relaties binnen die netwerken worden hechter
o Snelheid: stromen binnen die netwerken worden sneller
o Impact: globale verbanden hebben een steeds grotere invloed op
lokale gemeenschappen
Spectrum van globalisering:
Thin globalization -------> expansive globalisation -------> thick globalization
Over het begin van globalisering is discussie.
, Gemeenschappelijk aan de verschillende visies is dat ze uitgaan van
economische integratieprocessen, maar heeft ook betrekking op
ecologische, politieke, sociale, culturele en technologische ontwikkelingen.
De periode na 1945 kenmerkt zich door een voortschrijdende integratie
op wereldvlak + groeiend globaal bewustzijn van deze onderlinge
verbondenheid.
Maar ook fragmentatie (zie KO, bipolaire geopolitieke situatie met
impact tot vandaag, problematiek in 3de wereld landen is vaak terug te
brengen naar handelingen v Europese landen in KO)
KO had ook anti-globalistische gevolgen bij gekoloniseerde landen
2 BIOSFEER ONDER DRUK: ECOLOGIE
De menselijke druk op het milieu is na 1945 aanzienlijk toegenomen.
2.1 Bodem
Pedosfeer (= dunne toplaag van de aardbol die uit grond bestaat) heeft heel wat
te verduren gekregen in loop van 20ste E.
- Verzouting door overvloedige irrigatie
- Verzuurd door bemesting
- Samengedrukt door zware machines
Drie bodemproblemen:
- Bodempollutie:
o Hangt samen met industrialisatie
o Twee grote sectoren die sinds WOII sterk gegroeid zijn: chemische
nijverheid en metallurgische nijverheid
o Afvalstoffen kunnen op 3 manieren grond binnendringen:
Luchtvervuilers die neerslaan via regen
Via afvalwater
Rechtstreekse insijpeling vanuit de bron
o Vanaf midden ’70 traden westerse overheden op onder impuls van
groeiend milieu- en gezondheidsbewustzijn
o Bodemvervuiling = duidelijk lokaliseerbaar probleem dat zich
beperkt tot enkele hotspots in verstedelijkte en geïndustrialiseerde
gebieden en mijnregio’s
- Bodemuitputting = gebrek aan nutriënten die plantengroei mogelijk maken
o Moeilijk lokaliseerbaar want hangt samen met landbouw
o Door verstedelijking, ontstond er een mestdeficit op het platteland
o Doorbraak in de bestrijding hiervan was uitvinding van kunstmest
- Bodemerosie:
o Moeilijk lokaliseerbaar want hangt samen met landbouw
o Geen probleem dat door mens gecreëerd is, maar heeft het wel
versneld
o Ontbossing als katalysator van bodemerosie omdat wortels van
bomen de bodem bij elkaar houden en de bladen van regendruppels
breken
, o Eerste golf (2000BCE-1000BCE): landbouw verspreidde zich over
Eurazië, loess-plateau van N-China erodeerde in deze periode
o Tweede golf (16de E-19de E): Europese kolonisatie, door ontginning
van graslanden met zwaardere ploegen in gematigde gebieden,
Europeanen introduceerden landbouwpraktijken die minder geschikt
waren voor plaatselijke omstandigheden
o Derde golf (na WOII): in tropische bosrijke gebieden, door de
landhonger die gevoed was door ongeziene bevolkingsexplosie en
integratie van plaatselijke economieën in wereldvoedselmarkt
Vandaag: 60%-80% van globale bodemerosie is te wijten aan de mens
2.2 Lucht
Voor IR was luchtvervuiling een lokaal probleem.
19de en 20ste E: luchtvervuiling groeide exponentieel door de toegenomen vraag
naar fossiele brandstoffen. oversteeg lokaal niveau
Toch nam luchtkwaliteit in de steden van 1ste wereld toe door:
- Energievoorziening schakelde massaal over van steenkool op olie
- N-AM, JA, W-E (vanaf 1960): mentaliteitswijziging, groeiend
milieubewustzijn, strengere uitstootnormen en -regelementen
- Na 1945: fabrieken trokken weg uit de steden, industrie verspreidde zich
over grotere oppervlakte, waardoor vervuiling ‘verdund’ werd over groter
gebied
Pos evolutie: vermindering van energie-intensiteit (= hoeveelheid energie die
nodig is om bepaalde eenheid te produceren).
MAAR pos trend teniet gedaan door enorme absolute groei van industrie
Uitstoot is alleen maar toegenomen
Luchtvervuiling in voormalig Oostblok en ontwikkelingslanden verergerde in 2 de
helt van 20ste E omdat zij in toenemende mate industrialiseerde en urbaniseerde.
Bevolkingsexplosie in 3de wereld creëerde megasteden die groei niet aankonden.
Afwezigheid van publieke middelen en afdoend politiek en legaal systeem zorgde
voor enorme stijging van luchtvervuiling.
Zure regen = uitstoot van zwavelzuur dat vrijkomt bij de verbranding van fossiele
brandstoffen
2de helft van de 20ste E: luchtvervuiling is voor het eerst een globaal probleem
door verhoogde uitstoot van broeikasgassen en uitputting van ozonlaag in
stratosfeer.
Belangrijkste trace gases of sporengassen voor eigentijdse geschiedenis:
- CO2 en methaan: broeikasgassen die temperatuur op aarde regelen
- Ozon: absorbeert hoog in stratosfeer schadelijke UV-straling van de zon
- Zwaveldioxide: belangrijkste bestanddeel van zure regen dat vrijkomt bij
verbranding van fossiele brandstoffen en het smelten van erts
- CFK’s (chloorfluorkoostofverbindingen): schadelijk voor ozonlaag
Eigentijdse geschiedenis is het enige tijdvak dat blijft groeien. De afstand met het
studieobject ontbreekt.
Paradoxale bronnenschaarste: we kunnen beroep doen op orale bronnen, maar
ze hebben geen toegang tot essentiële documenten vanwege te actueel en
gevoelig.
Eigentijdse geschiedenis loopt ondertussen verder, relevantie verandert (vb Peak
Oil Demand bleek niet waar).
1.1 Wat is eigentijdse geschiedenis?
Hoe deze periode afbakenen? Arbitrair
Eindpunt = bestaat niet
Begindatum = 1945
3 soorten afbakeningscriteria:
- Methodologisch/heuristisch argument: nieuwe audioviseule en digitale
bronnen, maar verschuiving van het probleem door het begin van de
eigentijdse periode aan de doorbraak v deze media vast te leggen, want
heel arbitrair!
Mondeling of orale bron maakt onderzoek naar deze periode anders,
historici kunnen nieuwe bron creëren maar vlottende begindatum als we
mondelinge bronnen als het onderscheidende criterium maken.
- Inhoudelijk argument:
‘Contemporary historu begins when the problems which are actual in the
world today first take visible shape.’ – Barraclough
Dit is opnieuw een elastische omschrijving van beginpunt. Volgens hemzelf
was dat 1980.
Kritiek:
o Problemen van onze (groot)ouders =/= problemen v hedendaagse
samenleving
o Vragen over causaliteit: als je oorzaak-gevolgketens consequent
volgt, is er geen causale reden om tijdvakken van elkaar te
onderscheiden
o Moeilijk om te weten wat dé fundamentele verschuivingen van onze
tijd zijn. Universele mijlpalen zijn moeilijk te vinden (problemen
Westen =/= 3de wereld landen) leidt tot vlottende begindatum
Andere Britse historici namen 1870 als beginpunt (= Frans-Duitse oorlog,
begin Brits-Franse rivaliteit)
Duitse historici namen Zeitsgeschichte vanaf 1917 (= intrede VS in Grote
Oorlog + Oktoberrevolutie in RU)
Franse historici namen histoire contemporaine vanaf 1789 (= Franse
Revolutie)
, Afbakeningen op basis van Barraclough zijn nog steeds contingent
1945 nemen als beginpunt: arbitrairin de zin dat vooroorlogse evoluties
blijven doorlopen, maar na WOII kwalitatieve en kwantitatieve
verschuivingen + ‘the great excellaration’
o Omkering internationaal migratiepatroon,
o Zwaartepunt in macht en rijkdom van Azië naar Europa en N-A
o Enorme versnelling in groei van wereldbevolking, groeivoet voor het
eerst >0,5%
o Snelste economische groei in geschiedenis
o Snelste groei in energieverbruik (zie sprong ’50 –’73)
o Snelste stijging in CO2-uitstoot
- Arbitrair argument
1.2 De geschiedenis van het vakdomein ‘eigentijdse
geschiedenis’
Relatief jong vakdomein. Historici hebben altijd al over hun eigen tijdvak
geschreven, maar door academisering en professionalisering vd historische
wereld in 19de E ontstaan nieuwe methodes om het verleden te analyseren.
Recente geschiedschrijving bestemd als onwetenschappelijk. Deze visie
veranderde in loop v 20ste E. De Grote Oorlog was eerste doorbraak in studie v
eigentijdse geschiedenis.
1.3 Globale samenhangen en de spanning tussen
globalisering en fragmentering
Twee rode draden doorheen deze cursus:
- De globale samenhang, er is interactie
- Spanning tussen globale integratie en fragmentatie op lokaal vlak.
Globalisering ‘De wereld wordt een dorp.’ In een steeds groter
geografisch gebied worden de verbindingen tss gemeenschappen steeds
talrijker, intenser, sneller en invloedrijker.
Globalisering heeft 4 dimensies:
o Geografische extensie: globale netwerken breiden zich over een
steeds groter deel van de wereld uit
o Intensiteit: relaties binnen die netwerken worden hechter
o Snelheid: stromen binnen die netwerken worden sneller
o Impact: globale verbanden hebben een steeds grotere invloed op
lokale gemeenschappen
Spectrum van globalisering:
Thin globalization -------> expansive globalisation -------> thick globalization
Over het begin van globalisering is discussie.
, Gemeenschappelijk aan de verschillende visies is dat ze uitgaan van
economische integratieprocessen, maar heeft ook betrekking op
ecologische, politieke, sociale, culturele en technologische ontwikkelingen.
De periode na 1945 kenmerkt zich door een voortschrijdende integratie
op wereldvlak + groeiend globaal bewustzijn van deze onderlinge
verbondenheid.
Maar ook fragmentatie (zie KO, bipolaire geopolitieke situatie met
impact tot vandaag, problematiek in 3de wereld landen is vaak terug te
brengen naar handelingen v Europese landen in KO)
KO had ook anti-globalistische gevolgen bij gekoloniseerde landen
2 BIOSFEER ONDER DRUK: ECOLOGIE
De menselijke druk op het milieu is na 1945 aanzienlijk toegenomen.
2.1 Bodem
Pedosfeer (= dunne toplaag van de aardbol die uit grond bestaat) heeft heel wat
te verduren gekregen in loop van 20ste E.
- Verzouting door overvloedige irrigatie
- Verzuurd door bemesting
- Samengedrukt door zware machines
Drie bodemproblemen:
- Bodempollutie:
o Hangt samen met industrialisatie
o Twee grote sectoren die sinds WOII sterk gegroeid zijn: chemische
nijverheid en metallurgische nijverheid
o Afvalstoffen kunnen op 3 manieren grond binnendringen:
Luchtvervuilers die neerslaan via regen
Via afvalwater
Rechtstreekse insijpeling vanuit de bron
o Vanaf midden ’70 traden westerse overheden op onder impuls van
groeiend milieu- en gezondheidsbewustzijn
o Bodemvervuiling = duidelijk lokaliseerbaar probleem dat zich
beperkt tot enkele hotspots in verstedelijkte en geïndustrialiseerde
gebieden en mijnregio’s
- Bodemuitputting = gebrek aan nutriënten die plantengroei mogelijk maken
o Moeilijk lokaliseerbaar want hangt samen met landbouw
o Door verstedelijking, ontstond er een mestdeficit op het platteland
o Doorbraak in de bestrijding hiervan was uitvinding van kunstmest
- Bodemerosie:
o Moeilijk lokaliseerbaar want hangt samen met landbouw
o Geen probleem dat door mens gecreëerd is, maar heeft het wel
versneld
o Ontbossing als katalysator van bodemerosie omdat wortels van
bomen de bodem bij elkaar houden en de bladen van regendruppels
breken
, o Eerste golf (2000BCE-1000BCE): landbouw verspreidde zich over
Eurazië, loess-plateau van N-China erodeerde in deze periode
o Tweede golf (16de E-19de E): Europese kolonisatie, door ontginning
van graslanden met zwaardere ploegen in gematigde gebieden,
Europeanen introduceerden landbouwpraktijken die minder geschikt
waren voor plaatselijke omstandigheden
o Derde golf (na WOII): in tropische bosrijke gebieden, door de
landhonger die gevoed was door ongeziene bevolkingsexplosie en
integratie van plaatselijke economieën in wereldvoedselmarkt
Vandaag: 60%-80% van globale bodemerosie is te wijten aan de mens
2.2 Lucht
Voor IR was luchtvervuiling een lokaal probleem.
19de en 20ste E: luchtvervuiling groeide exponentieel door de toegenomen vraag
naar fossiele brandstoffen. oversteeg lokaal niveau
Toch nam luchtkwaliteit in de steden van 1ste wereld toe door:
- Energievoorziening schakelde massaal over van steenkool op olie
- N-AM, JA, W-E (vanaf 1960): mentaliteitswijziging, groeiend
milieubewustzijn, strengere uitstootnormen en -regelementen
- Na 1945: fabrieken trokken weg uit de steden, industrie verspreidde zich
over grotere oppervlakte, waardoor vervuiling ‘verdund’ werd over groter
gebied
Pos evolutie: vermindering van energie-intensiteit (= hoeveelheid energie die
nodig is om bepaalde eenheid te produceren).
MAAR pos trend teniet gedaan door enorme absolute groei van industrie
Uitstoot is alleen maar toegenomen
Luchtvervuiling in voormalig Oostblok en ontwikkelingslanden verergerde in 2 de
helt van 20ste E omdat zij in toenemende mate industrialiseerde en urbaniseerde.
Bevolkingsexplosie in 3de wereld creëerde megasteden die groei niet aankonden.
Afwezigheid van publieke middelen en afdoend politiek en legaal systeem zorgde
voor enorme stijging van luchtvervuiling.
Zure regen = uitstoot van zwavelzuur dat vrijkomt bij de verbranding van fossiele
brandstoffen
2de helft van de 20ste E: luchtvervuiling is voor het eerst een globaal probleem
door verhoogde uitstoot van broeikasgassen en uitputting van ozonlaag in
stratosfeer.
Belangrijkste trace gases of sporengassen voor eigentijdse geschiedenis:
- CO2 en methaan: broeikasgassen die temperatuur op aarde regelen
- Ozon: absorbeert hoog in stratosfeer schadelijke UV-straling van de zon
- Zwaveldioxide: belangrijkste bestanddeel van zure regen dat vrijkomt bij
verbranding van fossiele brandstoffen en het smelten van erts
- CFK’s (chloorfluorkoostofverbindingen): schadelijk voor ozonlaag