beleggen
7.2 Forfaitair rendement
7.2.3 Berekening inkomen box 3
De forfaitaire heffing in box 3 vindt plaats aan de hand van de daadwerkelijk samenstelling
van het vermogen. De onderverdeling vindt plaats op:
- Banktegoeden: (deposito’s, aandelen in een VvE of in een derdengeldenrekening
van een notaris of deurwaarder).
- Overige bezittingen: aandelen, obligaties, opties, vorderingen, beleggingsvastgoed,
en een tweede woning
- Schulden
Voor iedere categorie geldt een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage:
Forfait voor banktegoeden: wordt vastgesteld aan de hand van het gemiddelde rendement
van het lopende jaar die zijn behaald over jan t/m nov, waarbij de maand nov dubbel wordt
geteld (art. 10.6ter lid 2)
Forfait voor schulden: geldt eenzelfde berekening systematiek (art. 10.6ter lid 4)
Forfait voor overige bezittingen: Is voor 2024 een percentage van 6.04% (art. 5.2 lid 2
Wet IB). Hierbij geldt het lange termijn rendement van zowel onroerende zaken, aandelen
als obligaties.
De volgende percentages dienen gebruikt te worden (art.9.5a Wet IB) (voorlopige
aanslagen 2024).
Vermogenscategorie Forfaitair rendementspercentage
Banktegoeden 1.03 %
Overige bezittingen 6.04 %
Schulden 2,47 %
Rendementsgrondslag (art. 5.3 lid 1 Wet IB): De waarde van de bezittingen minus de
waarde van de schulden. (banktegoeden + overige bezittingen – schulden)
Voor de bepaling van de grondslag sparen en beleggen (art. 5.5 Wet IB): Mag op de
berekende rendementsgrondslag het heffingsvrij vermogen per belastingplichtige in
mindering worden gebracht.
Het voordeel uit sparen en beleggen (art. 5.2 lid 1 Wet IB) : Effectief
rendementsgrondslag x grondslag uit sparen en beleggen.
7.2.4 Peildatum
Iemands vermogen op 1 januari 0.00 uur van het belastingjaar. Ook wel de
rendementsgrondslag.
Als een belastingplichtige anders dan door overlijden niet het gehele kalenderjaar in
NL woonde: Eerst wordt het berekend alsof de belastingplichtige het gehele jaar in NL
woonde, vervolgens x het aantal volle maanden dat de Belastingplichtige in NL woonde : 12
(art. 5.2 lid 6 Wet IB)
, 7.2.5 Heffingsvrij vermogen
De rendementsgrondslag wordt op basis van (art. 5.5 Wet IB) verminderd met het
heffingsvrijvermogen van € 57.000.
Dan krijg je: grondslag voor sparen en beleggen.(minstens € 0 euro, mag niet in de min)
(art. 5.2 lid 1 tweede volzin Wet IB) (art. 5.2 lid 5 Wet IB voor fiscale partners:
De grondslag voor sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het
kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt als het
heffingsvrijvermogen.
Fiscale partners op grond van (art. 2.17 lid 2 Wet IB) Mogen zelf bepalen welk deel van de
gezamenlijke grondslag sparen en beleggen bij elk van hen in aanmerking wordt genomen.
Geen keus gemaakt? Dan ieder 50%
7.2.6 Persoonsgebonden aftrek
Het bedrag van het voordeel uit sparen en beleggen wordt zo nodig verminderd met (het
resterende deel van) de persoonsgebonden aftrek. Het verschil is het belastbaar inkomen uit
sparen en beleggen (art. 5.1 Wet IB)
7.2.6 Tarief
Het tarief: 36% over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (art.2.13 Wet IB)
Stap 1 / stap 2 x 100%
Stap 1 – heff ver
Stap 3 x stap 4