Contents
Klinische voeding ................................................................................................................... 1
Dieetbehandelingsrichtlijn 17 Ondervoeding ........................................................................... 8
Begrippen: ....................................................................................................................... 12
Referentie waardes:.......................................................................................................... 12
Hoofdhals............................................................................................................................ 14
Dieetbehandelingsrichtlijn 43: Enterale en Parenterale voeding .......................................... 18
Slokdarm ............................................................................................................................. 21
Maag ................................................................................................................................... 26
Dieetbehandelingsrichtlijn 41: Bariatrische chirurgie bij obesitas II en III ............................. 32
IBD ...................................................................................................................................... 39
Dieetbehandelingsrichtlijn 2: Divertikelziekte en IBS ................ Error! Bookmark not defined.
Dieetbehandelingsrichtlijn 31: Inflammatoire darmziekten, 32: Ileostoma .......................... 45
Dieetbehandelingsrichtlijn 42: Short bowel syndroom ........................................................ 49
Dikke darm .......................................................................................................................... 51
Pancreas ............................................................................................................................. 56
Dieetbehandelingsrichtlijn 30: Acute en chronische pancreatitis, medische gegevens en
dieetbehandelplan ........................................................................................................... 63
Lever ................................................................................................................................... 65
Dieetbehandelingsrichtlijn 26: Leveraandoeningen .................. Error! Bookmark not defined.
Nieren ................................................................................................................................. 73
Klinische voeding
Wat bedoelen we met klinische voeding?
Wanneer we het in deze module hebben over klinische voeding, dan bedoelen we voeding in
relatie tot ziekte, trauma, herstel en ziekenhuisopname. Het gaat dus niet alleen om wat iemand
eet, maar vooral om:
• wat het lichaam nodig heeft
• wat het lichaam kan opnemen
• en wat ziekte doet met het metabolisme
Definitie ondervoeding
,Een acute of chronische toestand waarbij een tekort of disbalans van energie, eiwit en andere
voedingsstoffen leidt tot meetbare nadelige effecten op lichaamssamenstelling, functioneren
en klinische uitkomsten. (Belangrijk hierbij: het gaat niet alleen om gewicht, maar ook
functioneren, spiermassa en herstel tellen mee)
Hoe beoordelen we de voedingstoestand?
Als diëtist kijk je nooit maar naar één ding. Je combineert altijd meerdere onderdelen.
Denk aan de voedingstoestand
Je combineert:
• voedselinname
• lichaamssamenstelling
• nutriëntenreserves
• metabole en biochemische status
• ziektefactoren
• functioneren
Screening op ondervoeding
In de praktijk screen je iedere patiënt bij opname.
,Veelgebruikte instrumenten zijn:
• SNAQ
Vaststellen van ondervoeding: de GLIM-criteria
Van ondervoeding is sprake als er:
-Minstens 1 fenotypische (kenmerkend) criteria (wat zie je aan het lichaam?)
• onbedoeld gewichtsverlies
• lage BMI
• verminderde spiermassa
-Minstens 1 etiologische (oorzakelijk) criteria (waardoor komt het?)
• verminderde voedingsinname of -opname
• ziektelast en/of inflammatie
wat zie je versus waardoor komt het.
Ernstige ondervoeding
Bij ernstige ondervoeding zijn de fenotypische criteria ernstiger, bijvoorbeeld:
, Biochemische parameters – waarom zijn labwaarden belangrijk?
Labwaarden helpen ons begrijpen wat er in het lichaam gebeurt, maar ze laten niet altijd direct
ondervoeding zien.
Belangrijkste labwaarden die je moet kennen:
• CRP: marker voor ontsteking. normaal < 10 mg/L
• Albumine: Albumine is tevens een belangrijk transporteiwit voor onder andere bilirubine,
calcium, vrije vetzuren, hormonen en vele medicamenten. 35-55 g/l
• Prealbumine: een gevoelige indicator voor eiwitdeficiëntie en van de verbetering van de
eiwitstatus bij hervoeden. Prealbumine stijgt onder invloed van voedingstherapie, ook
als de ziekte niet verbetert. Het daalt snel bij lage energieintake, zelfs bij voldoende
eiwitintake.
• Transferrine: transport van ijzer/zink, nuttiger in thuissituatie
• hemoglobine: daalt bij ziekte, anemie
• Lymfocyten: trage marker voor eiwit-energie ondervoeding
• kreatinine: indicatie spiermassa (bij normale nierfunctie)
• Ureum: stijgt bij eiwitafbraak en stress
• puntdeficiënties (zoals zink en ijzer): Screening op puntdeficiënties op basis van
medische- en voedingsanamnese (bijvoorbeeld bij short bowel: Mg, Se, Zn). Pas bij
ernstige tekorten is aan de bloedparameters te zien dat bijvoorbeeld zink en ijzer zijn
gedaald.
Acute fase eiwitten
Bij ziekte of ontsteking reageert het lichaam met een acute fase respons.
Positieve acute fase eiwitten (stijgen bij ontsteking)
• CRP
• serum amyloid A
• haptoglobine
• fibrinogeen
Negatieve acute fase eiwitten (dalen bij ontsteking)
• albumine