Tijd van jagers en boeren
Er hebben verschillende menssoorten ontstaan. Homo sapiens is de enige
overgebleven mensensoort. Deze verspreidde zich vanuit Afrika over de
rest van de wereld. Ongeveer 40.000 jaar geleden verscheen Homo
sapiens ook in Europa. Zij leefden, als jagers-verzamelaars, van alles
wat de natuur hen opbracht.
Het klimaat had veel invloed op het leven van de jagers en verzamelaars.
Ongeveer 13.000 jaar geleden verdween de extreme kou van de ijstijd en
maakte plaats voor een toendraklimaat. In West-Europa trokken toen
rendierjagers rond. Zij leefden als nomaden, omdat ze rekening
moesten houden met het trekgedrag van de rendieren. Deze leverden hun
voedsel, gereedschap en huiden. Er werd ook vuursteen gebruikt om
gereedschappen en wapens te maken. Jagers-verzamelaars leefden in
kleine groepen en hadden weinig bezittingen. Er zijn dan ook weinig
archeologische sporen teruggevonden.
Door verdere opwarming van het klimaat raakte het gebied begroeid met
planten en bomen waar allerlei dieren op af kwamen. Er ontstonden meren
en rivieren met vis. Rond 7000 v Chr. Konden jagers-verzamelaars
voldoende voedsel vinden om langer op 1 plaats te wonen. Ze leefden
half-nomadisch in een zomer- en winterkamp. In 1 van deze
jagerskampen werd het skelet van een vrouw uit 5000 voor Chr.
Opgegraven. De archeologen noemden haar Trijntje.
Tussen 10.000 en 9.000 v chr. gingen de eerste mensen over op
landbouw. Dit gebeurde in het Midden-Oosten. De overgang van jaren-
verzamelen naar landbouw bracht veel nieuwe mogelijkheden en
veranderingen. Daarom wordt gesproken van een Agrarische revolutie.
Boeren zetten de natuur naar hun land door het kappen van bos of graven
van irrigatiekanalen. Ze woonden op een vaste plaats en begroeven hun
doden met grafschriften in de buurt van de nederzetting. Ze produceerden
veel voedsel. Dat leidde tot bevolkingsgroei, daarom moesten er nieuwe
gebieden worden veroverd. Niet iedereen hoefde op het land te werken.
Dat leidde tot specialisaties als ambachtslieden, soldaten en priesters. Er
werd in de loop van tijd nieuwe technieken en uitvindingen
ontwikkeld, zoals spinnen en weven van wol en het gebruik van metalen.
De landbouw verspreidde zich in de loop van 4000 jaar naar West-Europa.
De eerste landbouwcultuur in West-Europa was de
Bandkeramiekcultuur, genoemd naar de potten die in graven werden
gevonden. Deze boeren bouwden grote boerderijen op de vruchtbare
lössgrond van Zuid-Limburg.
De bekendste landbouwcultuur is de Trechterbekercultuur, genoemd
naar de trechtervormige potten in de hunebedden. Deze grafkelder,
gemaakt van grote zwerfstenen uit een ijstijd, vinden we in Drenthe.
Er zijn geen schriftelijke bronnen uit dit tijdvak. We weten niet wat mensen
toen dachten. Toch wordt aangenomen dat zij een religieus besef of
geloof hadden. Voorbeelden zijn: grottekeningen in Frankrijk en Spanje,
, grafschriften in hunebedden en begraven voorwerpen die als
offergraven worden gezien.
De prehistorie is de tijd waaruit geen geschreven bronnen bekend zijn.
Onze kennis is vooral gebaseerd op archeologisch onderzoek.
Tijd van Grieken en Romeinen
Rond 3000 v. Chr. Woonden mensen met gespecialiseerde beroepen in
steden die het omliggende gebied bestuurden. Deze stadstaten
veroverden omliggende vruchtbare gebieden en groeiden soms uit tot
grote rijken. Er ontstond een gelaagde samenleving met aan top een
koning en onderaan de mensen die na veroveringen tot slaven werden
gemaakt. In de stadstaten werd belasting geadministreerd met
schrifttekens. Hieruit ontstonden geschreven teksten op kleitabletten.
Hierdoor kwam rond 3000 v chr. In het Midden-Oosten een eind aan de
prehistorie.
In het huidige Griekenland ontstonden vanaf 800 v chr., ook stadstaten,
zoals Athene, Thebe en Sparta. Athene werd niet door een koning
bestuurd, maar door een democratisch bestuur van vrije mannen. In de
Griekse stadstaten ontwikkelden zich literatuur, een kenmerkende
bouwstijl van tempels met zuilen, beeldhouwkunst en wetenschappelijk
denken door het stellen van kritische vragen.
De stadstaat Rome ontstond rond 750 v chr. en was 270 v chr. uitgegroeid
tot een Romeins rijk langs de Middellandse zee. Rond 50 v chr. Veroverde
de romeinse veldheer Julius Caesar grote delen van Noordwest-Europa
en een deel van het huidige Nederland. De romeinse cultuur nam religie,
wetenschap, beeldhouwkunst en bouwstijlen uit de Griekse cultuur over.
Daarom wordt gesproken van een Grieks-Romeinse cultuur. Het
Romeinse rijk werd vanaf het begin van de christelijke jaartelling
bestuurd door een Keizer. Er was een efficiënt bestuur met een
belastingsysteem, wetgeving en zorg voor veiligheid. Bovendien was er
een uitstekende infrastructuur met wegen, mijlpalen en bruggen. Dit
alles bevorderde de handel in het rijk. Er werden nieuwe steden gebouwd
met amfitheaters, aquaducten, badhuizen, tempels en triomfbogen
ter herinnering aan veroveringen. Grote gebouwen werden vaak gebouwd
met boogconstructies en versierd met beeldhouwwerk en
mozaïekvloeren. De economie was afhankelijk van slaven als
arbeidskrachten. De bevolking van veroverde gebieden werd vaak tot slaaf
gemaakt en verkocht.
In 395 werd het Romeinse rijk in 2 delen verdeeld met ieder een eigen
keizer: het West-Romeinse rijk met als hoofdstad Rome en het Oost-
Romeinse rijk met als hoofdstad Constantinopel. In 402 trokken de legers
weg van de grens om Rome te beschermen. In 476 werd de laatste keizer
in Rome afgezet. Dit was het einde van het West-Romeinse rijk.
Er zijn 3 oorzaken voor de ondergang van het West-Romeinse rijk:
1. De opvolging van keizers leidde regelmatig tot burgeroorlogen.
Er hebben verschillende menssoorten ontstaan. Homo sapiens is de enige
overgebleven mensensoort. Deze verspreidde zich vanuit Afrika over de
rest van de wereld. Ongeveer 40.000 jaar geleden verscheen Homo
sapiens ook in Europa. Zij leefden, als jagers-verzamelaars, van alles
wat de natuur hen opbracht.
Het klimaat had veel invloed op het leven van de jagers en verzamelaars.
Ongeveer 13.000 jaar geleden verdween de extreme kou van de ijstijd en
maakte plaats voor een toendraklimaat. In West-Europa trokken toen
rendierjagers rond. Zij leefden als nomaden, omdat ze rekening
moesten houden met het trekgedrag van de rendieren. Deze leverden hun
voedsel, gereedschap en huiden. Er werd ook vuursteen gebruikt om
gereedschappen en wapens te maken. Jagers-verzamelaars leefden in
kleine groepen en hadden weinig bezittingen. Er zijn dan ook weinig
archeologische sporen teruggevonden.
Door verdere opwarming van het klimaat raakte het gebied begroeid met
planten en bomen waar allerlei dieren op af kwamen. Er ontstonden meren
en rivieren met vis. Rond 7000 v Chr. Konden jagers-verzamelaars
voldoende voedsel vinden om langer op 1 plaats te wonen. Ze leefden
half-nomadisch in een zomer- en winterkamp. In 1 van deze
jagerskampen werd het skelet van een vrouw uit 5000 voor Chr.
Opgegraven. De archeologen noemden haar Trijntje.
Tussen 10.000 en 9.000 v chr. gingen de eerste mensen over op
landbouw. Dit gebeurde in het Midden-Oosten. De overgang van jaren-
verzamelen naar landbouw bracht veel nieuwe mogelijkheden en
veranderingen. Daarom wordt gesproken van een Agrarische revolutie.
Boeren zetten de natuur naar hun land door het kappen van bos of graven
van irrigatiekanalen. Ze woonden op een vaste plaats en begroeven hun
doden met grafschriften in de buurt van de nederzetting. Ze produceerden
veel voedsel. Dat leidde tot bevolkingsgroei, daarom moesten er nieuwe
gebieden worden veroverd. Niet iedereen hoefde op het land te werken.
Dat leidde tot specialisaties als ambachtslieden, soldaten en priesters. Er
werd in de loop van tijd nieuwe technieken en uitvindingen
ontwikkeld, zoals spinnen en weven van wol en het gebruik van metalen.
De landbouw verspreidde zich in de loop van 4000 jaar naar West-Europa.
De eerste landbouwcultuur in West-Europa was de
Bandkeramiekcultuur, genoemd naar de potten die in graven werden
gevonden. Deze boeren bouwden grote boerderijen op de vruchtbare
lössgrond van Zuid-Limburg.
De bekendste landbouwcultuur is de Trechterbekercultuur, genoemd
naar de trechtervormige potten in de hunebedden. Deze grafkelder,
gemaakt van grote zwerfstenen uit een ijstijd, vinden we in Drenthe.
Er zijn geen schriftelijke bronnen uit dit tijdvak. We weten niet wat mensen
toen dachten. Toch wordt aangenomen dat zij een religieus besef of
geloof hadden. Voorbeelden zijn: grottekeningen in Frankrijk en Spanje,
, grafschriften in hunebedden en begraven voorwerpen die als
offergraven worden gezien.
De prehistorie is de tijd waaruit geen geschreven bronnen bekend zijn.
Onze kennis is vooral gebaseerd op archeologisch onderzoek.
Tijd van Grieken en Romeinen
Rond 3000 v. Chr. Woonden mensen met gespecialiseerde beroepen in
steden die het omliggende gebied bestuurden. Deze stadstaten
veroverden omliggende vruchtbare gebieden en groeiden soms uit tot
grote rijken. Er ontstond een gelaagde samenleving met aan top een
koning en onderaan de mensen die na veroveringen tot slaven werden
gemaakt. In de stadstaten werd belasting geadministreerd met
schrifttekens. Hieruit ontstonden geschreven teksten op kleitabletten.
Hierdoor kwam rond 3000 v chr. In het Midden-Oosten een eind aan de
prehistorie.
In het huidige Griekenland ontstonden vanaf 800 v chr., ook stadstaten,
zoals Athene, Thebe en Sparta. Athene werd niet door een koning
bestuurd, maar door een democratisch bestuur van vrije mannen. In de
Griekse stadstaten ontwikkelden zich literatuur, een kenmerkende
bouwstijl van tempels met zuilen, beeldhouwkunst en wetenschappelijk
denken door het stellen van kritische vragen.
De stadstaat Rome ontstond rond 750 v chr. en was 270 v chr. uitgegroeid
tot een Romeins rijk langs de Middellandse zee. Rond 50 v chr. Veroverde
de romeinse veldheer Julius Caesar grote delen van Noordwest-Europa
en een deel van het huidige Nederland. De romeinse cultuur nam religie,
wetenschap, beeldhouwkunst en bouwstijlen uit de Griekse cultuur over.
Daarom wordt gesproken van een Grieks-Romeinse cultuur. Het
Romeinse rijk werd vanaf het begin van de christelijke jaartelling
bestuurd door een Keizer. Er was een efficiënt bestuur met een
belastingsysteem, wetgeving en zorg voor veiligheid. Bovendien was er
een uitstekende infrastructuur met wegen, mijlpalen en bruggen. Dit
alles bevorderde de handel in het rijk. Er werden nieuwe steden gebouwd
met amfitheaters, aquaducten, badhuizen, tempels en triomfbogen
ter herinnering aan veroveringen. Grote gebouwen werden vaak gebouwd
met boogconstructies en versierd met beeldhouwwerk en
mozaïekvloeren. De economie was afhankelijk van slaven als
arbeidskrachten. De bevolking van veroverde gebieden werd vaak tot slaaf
gemaakt en verkocht.
In 395 werd het Romeinse rijk in 2 delen verdeeld met ieder een eigen
keizer: het West-Romeinse rijk met als hoofdstad Rome en het Oost-
Romeinse rijk met als hoofdstad Constantinopel. In 402 trokken de legers
weg van de grens om Rome te beschermen. In 476 werd de laatste keizer
in Rome afgezet. Dit was het einde van het West-Romeinse rijk.
Er zijn 3 oorzaken voor de ondergang van het West-Romeinse rijk:
1. De opvolging van keizers leidde regelmatig tot burgeroorlogen.