Hoorcollege 1
VBA: Belemmerende + faciliterende factoren voor behandeling (systeem + kind factoren)
VR: effecten die verwacht van een behandeling. “als ik …., dan zal kind…..”
- Het gaat om verwachtinen over directe effecten van concrete instructies reacties.
- Korte termijn: reactie kind op actie van behandelaar
- Lange termijn: voorspellen op basis van kennis over effectivitetisonderzoek
TB: tijdens behandeling blijven toetsen of hypothesen werken + tussentijdse doelen behaald. Merk ik
dat behandeling werkt?
- Voormeting – instructie – nameting – follow up
EGD: Huidige behandeling + proces sluit aan bij cliënt? Werken we nog aan het grote doel? (is VR wel
of niet richting globale doel)
- Afsluiting, nazorg, follow-up
ROM:
- Alleen effectief als het op de juiste manier is, welke effecten je verwacht en structureel
- ROM moet passend zijn bij de doelen die je hebt opgesteld bij client
- Vanuit de ingevulde ROM kijken welke doelen zijn al bereikt en welke doelen moeten we nog
bereiken? Vanuit hier bepalen of cliënt on trach of off track. Bij off-track doelen bijstellen.
- Hoge implimentatiegraad ROM + dosis-respons-effect + naarmate implemtatie-index hoger
was -> Positief effect (effect ROM hoger). TT
- ROM heeft meerwaarde bij cliënten die niet goed reageren op hun behandeling -> not-on-
track (NOT-behandeling)
- Cliënten bij wie behandeling ‘on-track’ OT is zijn behandelingen korter
SMART:
- Specifiek: 6 W-vragen. Doel moet geformuleerd zijn in eindtermen, niet in procestermen.
Situatie specifiek.
- Meetbaar: objectiveerbaarheid. Meetlatten
- Acceptabel: aanvaardbaar. Activerend en actiegericht. Positief geformuleerd in termen van
gewenst gedrag of gewenste situatie en in taal van jeugdige.
- Realistisch
- Tijdsgebonden: deadline
Hoorcollege 2 & 3 - Ontwikkelingsproblemen:
Gedrag = interactie tussen omgeving en individu
3 leerprocessen:
1. Operante coniditionering → gedrag dat iets vervelend opvolgt dan dooft gedrag uit. Gedrag
wordt in standgehouden door de consequenties die er op volgen. Straffen/belonen
2. Habituatie: reflexen; ingebouwde responsen die mensen bij specifieke stimuli laten zien. Op
een gegeven moment went je oog aan je lenzen, dus went aan dat proces. Je hebt hier geen
invloed op.
3. Klassieke conditionering: eetgewoontes → bijvoorbeeld altijd popcorn tijdens film → je zet
film aan en hebt zin in popcorn. Vaak gekoppeld aan primaire reacties (angst, boosheid,
schaamte)
1
,Positieve bekrachtiging versus negatieve bekrachtiging → wordt iets toegevoegd omdat jij dat doet
krijg je een knuffel, geef ik je aandacht, krijg je toegang tot eten (positieve bekrachtiging) →
negatieve bekrachtiging wordt iets weggenomen → bijvoorbeeld bij verslaving
Bekrachtiging intern (niet sociaal) of extern (sociaal). Sociaal → je hebt de ander nodig. Anderen zijn
er bij betrokken. Knuffel, aandacht, geven van speelgoed.
Niet-sociaal → eigen interne prikkels en gebruik je gedrag om pijn te verdoven of spanning te
reguleren of fijn gevoel te krijgen. Stressregulatie, geur, smaak, prikkels
Stimulus – respons – consequentie
Als je een functionele analyse doet → groter effect op probleemgedrag en gewenst gedrag → je ziet
minder probleemgedrag en meer gewenst gedrag → beter resultaat
Value altering + context maakt of gedrag belonende is. Je hebt lang niet gedronken dan is eerste
slokje water lekkerder dan heel de fles.
Functionele analyse - Zes stappen:
1. Probleemgedrag definiëren:
Je begint met een verkennend gesprek → je wilt weten waar heeft iemand last van is er een
aanleiding voor gedrag → wanneer is gedrag ontstaan en waarom vraag je nu om hulp → je
gaat vragen naar welke factoren lokken het gedrag uit en in welke situaties zie je het gedrag
minder → waar denk jij dat gedrag vandaan komt, wat levert dit ander op → geeft inzicht
over hoe zij op het gedrag leren → draagkracht in het gezin.
2
, Gedrag beschrijven in concreet waarneembare handelingen van het individu (eventueel
tijdsaspect toevoegen.
- Observatie & gesprekken
- KA
2. Organische oorzaken uitsluiten
Als je met elkaar hebt gesproken dit is gedrag dan ga je daarna naar stap 2. Uitsluiten
organische factoren → je kan met elkaar afspreken we geven geen aandacht meer aan het
gedrag → bijvoorbeeld kind slaat elke keer op zijn oor → maar kan bijvoorbeeld
oorontsteking hebben dit wil je hebben uitgesloten → organische factoren bijvoorbeeld
epilepsie dit moet je in dit stadium uit sluiten → kan er iets organisch onder liggen wat
moeten aanpakken → je moet zeker weten om het gedrag gaat
WE noemen hier geen DSM-diagnoses.
3. Functionele analuse uitvoeren: data verzamelen
Je hebt je voorwerk gedaan -> weten waar we aan willen werken, overeenstemming dan
gaan we vertragen maar eerst kijken waar het vandaan komt en we hebben uitgesloten dat
er een medische oorzaak ten grondslag ligt → gedrag wordt dus in stand gehouden door
omgeving → dan start functionele analyse.
4. Hypothese formuleren t.a.v. functie van het gedrag
Omschrijving van probleemgedrag van een persoon wordt in stand gehouden door
(positieve/negatieve bekrachtiging van (niet) sociale aard.
5. Procedure selecteren o.b.v. hypothese
Op basis van competing behavior model. Hierna kies je de interventie en die koppel je aan de
4 gebieden van het model
Positieve bekrachtiging sociale aard: token systeem & time-out
- Niet sociale aard: responsblocking, negatieve oefening, positieve oefening.
Negatieve bekrachtiging sociale aard: fading, desentiatie
- Niet sociale aard: relactietraining, flooding, desentisatie
6. Hypothese toetsen d.m.v. try-out procedure
Doen + meten
1. Matson, J.L. (2012). Functional assessment for challenging behaviors. New York: Springer.
a. Hoofdstuk 2: Pp. 8-11 (over de functies van gedrag)
Negatieve bekrachtiging: De negatieve bekrachtigingshypothese stelde dat afwijkend gedrag
aangeleerd gedrag was, versterkt door het ontsnappen of vermijden van een aversieve stimulus of
situatie. Er wordt iets van je ontnomen.
Automatische bekrachtiging: Automatische bekrachtiging wordt soms omschreven als bekrachtiging
die inherent is aan het gedrag zelf. Een voorbeeld: het jeukende gevoel dat het gedrag van het
krabben aan een insectenbeet veroorzaakt. Het is ook belangrijk op te merken dat stereotiep gedrag,
gedrag dat herhaaldelijk op dezelfde manier voorkomt, vaak wordt verondersteld automatisch te
worden versterkt. Om deze reden is het waarschijnlijk dat stereotypie vaak ‘zelfstimulerend’ gedrag
wordt genoemd, een term die ervan uitgaat dat het gedrag in stand wordt gehouden door
automatische bekrachtiging. – bijvoorbeeld jeuk nadat je bent geprikt door een mug!
3
, Uitdagend gedrag komt vaak voor bij mensen met ontwikkelingsstoornissen (DD) en verstandelijke
beperkingen (ID) en ook bij typisch ontwikkelen van kinderen met emotionele en gedragsproblemen.
SIB is zelfbeschadigend gedrag zichzelf slaan, hoofdbonken, huidplukken etc.
Functionele beoordelingsmethoden
Directe methoden: De eerste reeks functionele beoordelingsmethoden worden de directe
methoden genoemd. Dit komt omdat het gedrag wordt waargenomen in hun natuurlijke omgeving
en er doorgaans geen manipulatie van het gedrag plaatsvindt.
- Scatterplots/spreidingdiagrammen: De scatterplot-methode heeft tot doel
gebeurtenissen in de natuurlijke omgeving te correleren met bepaalde tijdstippen van de
dag. Specifiek interval
- ABC-diagramman: Bij deze methode verzamelt de waarnemer gegevens over A (het
antecedent), B (het gedrag) en C (de consequentie/het gevoel). Het antecedent omvat
gebeurtenissen die plaatsvonden voor het doelgedrag, terwijl het gedrag de doelactie
van zorg is. De consequentie omvat alles wat er gebeurt nadat het gedrag zich heeft
voorgedaan, of het nu gaat om een actie van het individu of andere mensen in de
omgeving.
Analoge methoden: De meest gebruikelijke methode voor analoge beoordeling is de EFA.
EFA wordt beschouwd als een analoge beoordeling omdat de beoordelingen worden
uitgevoerd in een gecontroleerde omgeving waarin de therapeut ook aanwezig is.
Indirecte methoden: Worden indirect genoemd omdat er geen directe observatie of interactie met
het betreffende gedrag plaatsvindt. In plaats daarvan wordt informatie verkregen via een derde
partij, zoals een ouder, verzorger of leraar.
- Functionele beoordelingsgesprekken (Functional Assessment Interviews): Een van de
meest gebruikte en uitgebreide interview is het Functional Assessment Interview (FAI).
De open vragen in de FAI maken het mogelijk om verder te onderzoeken wanneer
aanvullende informatie nodig is.
Twee van de meest gebruikte functionele beoordelingsschalen zijn de Questions About
Behaviou Function (QABF) en de Motivation Assessment Scale (MAS).
Motivation Assessment Scale (MAS)
Bestaat uit 16 items die door de informant worden beoordeeld op een zevenpunt Likertschaal. De
meest voorkomende informaten zijn leraren en ouders.
Questions About Behaviou Function (QABF)
Deze beoordelingsschaal is ontworpen om te helpen bij het bepalen van de functie van uitdagend
gedrag bij mensen met DD (ontwikkelingsstoornissen) door informatie te verkrijgen van informaten
zoals ouders of verzorgers. De 25 items worden door informaten beoordeeld op een vierpunts
Likertschaal: nooit, zelden, soms of vaak.
Matson, J.L. (2012). Functional assessment for challenging behaviors. New York: Springer.
Identificeren van de functie van het uitdagend gedrag van een persoon onderzoekers kan helpen een
effectieve, op functies gebaseerde interventie te ontwikkelen. Onderzoekers hebben aangetoond dat
functiegebaseerde interventies (richt zich op de functie van gedrag zoals antecedentstrategieën)
4