Behavioral Therapies
, Cognitive Restructuring and Graded Behavioural Exposure for Delusional Appraisals of
Auditory Hallucinations and Comorbid Anxiety in Paranoid Schizophrenia (Mankiewicz &
Turner) 3
Cognitive behavioral therapy for psychosis in clinical practice (Sivec & Montesano, 2012)
4
How does EMDR work? (Van den Hout e.a., 2012) 8
Maximizing Exposure Therapy: An Inhibitory Learning Approach (Craske e.a., 2014) 10
From lab to clinic: Extinction of cued cravings to reduce overeating (Jansen e.a., 2016)14
Schema therapy for personality disorders: a qualitative study of patients and therapist
perspective (De Klerk e.a., 2016) 16
Principles and clinical application of schema therapy for patients with borderline
personality disorder (Nysaeter & Nordahl, 2008) 17
Mindfulness decouples the relation between automatic alcohol motivation and heavy
drinking (Ostafin e.a., 2012) 19
Mindfulness Meditation in Clinical Practice (Salmon e.a., 2004) 20
Suïcidepreventie modules 22
Module 2 22
Module 3 23
Arntz, A., Drost, J., van Genderen, H. (2009) E-book. Schema Therapy for Borderline
Personality Disorder. 171-177. 25
Acceptance and Commitment Therapy for Anxiety Disorders (Eifert e.a., 2009) 26
Behavioral interventions in cognitive behavior therapy: Practical guidance for putting theory
into action (Farmer & Chapman) 29
H1 Historical and Conceptual overview of Behavior and Cognitive Therapies 29
H2 Principles, goals and structure of initial assessment sessions 33
H3 Behavioral Case Formulation 39
H4 Treatment Planning and Implementation 42
H5 Changing behaviour by changing the environment 44
H8 Reducing distress and avoidance through exposure-based interventions 45
H11 Promoting Behavioral Activation 50
Cognitive Behavior Therapy, Basics and Beyond (Beck) 52
H1: Introduction to Cognitive Behavior Therapy 52
H3 Cognitive Conceptualization 54
H7 Activity scheduling 58
H12 Identifying automatic thoughts 59
H14 Evaluating automatic thoughts 61
H15 Responding to automatic thoughts 62
H17 Introduction to beliefs 63
,Cognitive Restructuring and Graded Behavioural Exposure for
Delusional Appraisals of Auditory Hallucinations and Comorbid
Anxiety in Paranoid Schizophrenia (Mankiewicz & Turner)
Specifieke oorzaken voor psychose-ervaringen blijven onduidelijk. De conclusie blijft dat
zowel de psychologische achtergrond van het individu, de omgeving en biologische aanleg
interacteren. De gen-stress interactie hypothese suggereert dat prolonged exposure aan
psychosociale distress (bv kindertrauma, life events, discriminatie) over tijd bijdraagt aan
disregulatie van het hypothalamus-pituitary-adrenaal axis leidt tot dopamine sensitisatie in
de mesolimbische gebieden en verhoogde stress-inductie. De individuele kwetsbaarheid
voor deze neurochemische verandering wordt als genetisch invloedbaar gezien. De
neurocognitieve hypothese van innerlijke spraak stelt dat sommige individuen door
neurochemische tekorten in self-monitoring incidenten van onkunde ervaren in het
herkennen van inner speech als zelf-geproduceerd en in plaats hiervan deze spraak als een
autonome stem waarnemen.
Ook is het breed erkend dat personen met psychosen hogere mate van alcohol en
drugsmisbruik doen, waardoor meer ernst van symptomen plaatsvindt. Cannabis is
bijvoorbeeld een psychoactieve substantie die niet alleen psychosen en angst verhoogt
maar ook symptomen kan vermeerderen.
De CBT-benadering beschrijft psychotische fenomenen door onderliggende cognitieve,
emotionele en gedragsprocessen. Dit komt vaak door psychologische gevolgen van distress,
overwelming en traumatische ervaringen. Veel patiënten met paranoïde schizofrenie hebben
ook stemmingsstoornissen. Een cruciale rol wordt toegekend aan de waardering van
ongebruikelijke fenomenen. De focus moet niet liggen op de aanwezigheid van
hallucinaties/delusies maar op de emotionele distress die het veroorzaakt voor een individu
en de copinmechanismen. CBT lijkt zowel postieve symptomen van psychosen als
emotionele distress te verminderen.
Case report
Raymond (40 y/o): paranoïde schizofrenie en comorbide angststoornis (niet anders
gespecificeerd) met auditieve hallucinaties, paranoïde delusions, hoge angstniveaus en
sociale vermijding. Al jong gebruikte hij excessieve hoeveelheden alcohol en cannabinoïdes
om te conformeren aan peer pressure. Hij ervaarde ook veel stress thuis door een strenge
vader. Op zijn 30e hoorde hij voor het eerst stemmen, in 2e episode op dagelijkse basis. BSI
op paranoïde ideatie en angst. Triggers blijken vervelen thuis, stilte, ‘nothing on his mind’.
Vooral ‘s avonds/’s nachts. Stemmen schreeuwen dreigende opmerkingen. Behandelplan:
psychoeducatie, cognitieve herstructurering van de delusional appraisals of voices,
gedragstraining (graded exposure), cognitieve therapie voor secundaire symptomen
(comorbide angst) en self-management planning (relapse prevention). Tijdens cognitieve
reconstruering ontdekte hij dat hij nooit was aangevallen door die jaren heen. Hij leerde de
fucntionele associaties tussen stemmen en cognities te herkennen. Ook kreeg hij positievere
zelfstatements. Tijdens graded exposure ging hij weer steeds beter psychosociaal
functioneren. Tijdens de relapse prevention leerde hij in eerste istantie
waarschuweingssignalen van antecendenten voor stemmen herkennen. Uiteindelijk werd
verveling de focus van therapie en hoe hij hiermee om kon gaan.
, Cognitive behavioral therapy for psychosis in clinical practice
(Sivec & Montesano, 2012)
CBT-P lijkt de meest veelbelovende therapie voor psychose, CBT-P is dan ook de
aanbevolen therapie voor schizofrenie. Drie factoren blijken uitkomsten van onderzoeken
naar effectiviteit te beïnvloeden:
1. Procedures met betrekking tot beoordelaars die niet op de hoogte zijn van de
groepstoewijzing
Er wordt een kleinere effect size gevonden bij onderzoeken die masking procedures
gebruikten.
2. Inclusie van een follow-up assessment enkele maanden na de posttreatment
assessment
In sommige onderzoeken lijkt het tijdstip van de follow-upmeting invloed te hebben op de
gevonden effecten van cognitieve gedragstherapie voor psychose (CBT-P). Het effect
wisselt: soms is het na een kortere en soms na langere tijd tussen de follow-up sterker.
3. Inclusie van een actieve controle groep
Gebruik van een actieve controlegroep beïnvloedt de uitkomst ook. Het laat vaak kleinere
effecten zien.
CBT-P (cognitieve gedragstherapie voor psychose) laat een bescheiden maar significant
positief effect zien op positieve symptomen van psychose, met een gemiddelde effectgrootte
van 0,35–0,40 in gecontroleerde studies.
● Vergeleken met een actieve therapie-controle is het voordeel wat kleiner (gemiddelde
effectgrootte ~0,20), wat wijst op het belang van gemeenschappelijke therapeutische
factoren die bijdragen aan het effect.
● Ondanks de bescheiden grootte ondersteunt dit bewijs het idee dat CBT-P, en
mogelijk psychologische therapie in het algemeen, een toegevoegde waarde biedt
boven medicatie voor mensen met aanhoudende positieve symptomen.
● Binnen deze categorie is CBT-P de meest ontwikkelde en grondig geteste individuele
psychologische therapie voor psychosesymptomen.
CBT-P en relapse prevention
Er blijkt veel variantie tussen verschillende onderzoeken te zijn met betrekking tot relapse
preventie. Ook in de definitie van relapse zit verschil: verandering in zorg,
ziekenhuisopname of toename in positieve symptomen binnen een specifieke tijdsperiode.
CBT-P groepen blijken wel vaak lagere relapse te hebben en minder lange
ziekenhuisopname, maar breed gezien heeft het niet echt een voordeel qua relapse.
CBT-P en Specifieke Symptomen
Hallucinaties
● Kortetermijneffect: CBT-P vermindert hallucinaties en hun ernst aan het einde van de
behandeling (effectgrootte g ≈ 0,34).