Pathologie
Inhoud
H1: Inleidende begrippen ........................................................................................................................................................... 2
Geschiedenis ................................................................................................................................................................................... 2
Epidemiologie ................................................................................................................................................................................. 2
Etiologie en pathogenese ............................................................................................................................................................... 3
Classificatie naar oorzaak ................................................................................................................................................................ 3
ENDOGENE ZIEKTEOORZAKEN .................................................................................................................................................... 3
EXOGENE ZIEKTEOORZAKEN ....................................................................................................................................................... 5
H2: Ziektemechanismen ............................................................................................................................................................. 8
Cel schade ....................................................................................................................................................................................... 8
MECHANISME VAN CELBESCHADIGING ...................................................................................................................................... 8
CELLULAIRE REACTIE ................................................................................................................................................................. 10
CELVEROUDERING .................................................................................................................................................................... 14
Weefselschade .............................................................................................................................................................................. 14
WONDGENEZING ...................................................................................................................................................................... 14
Circulatiestoornissen .................................................................................................................................................................... 18
ATHEROSCLEROSE ..................................................................................................................................................................... 18
ARTERIËLE TROMBOSE .............................................................................................................................................................. 22
VENEUZE TROMBOSE ................................................................................................................................................................ 22
Tumorpathologie .......................................................................................................................................................................... 23
DEFINITIE VAN KANKER: ............................................................................................................................................................ 23
EPIDEMIOLOGIE ........................................................................................................................................................................ 23
ETIOLOGIE ................................................................................................................................................................................. 24
KLINISCHE ASPECTEN ................................................................................................................................................................ 28
BEHANDELING ........................................................................................................................................................................... 31
PROGNOSE ................................................................................................................................................................................ 32
H3: Pathologie van de orgaanstelsels ....................................................................................................................................... 33
Skelet, gewrichten en spieren ....................................................................................................................................................... 33
OSTEOPOROSE .......................................................................................................................................................................... 33
1
,H1: Inleidende begrippen
Pathologie: Pathos (lijden) + logos (lees) = de wetenschappelijke studie van ziekte
Geschiedenis
Humorale pathologie:
- Empedocles: Het universum is opgebouwd uit de 4 elementen:
- Vuur - Aarde
- Water - Lucht
- Hippocrates: Het lichaam is opgebouwd uit de 4 lichaamssappen:
- Bloed - Gele gal
- Slijm - Zwarte gal
- Galenus: Het lichaam is opgebouwd uit de 4 lichaamssappen:
- Bloed is warm en vochtig - Gele gal is warm en droog
- Slijm is koud en vochtig - Zwarte gal is koud en droog
- Ziekte = verstoring van het evenwicht tussen deze vloeistoffen
Cellulaire pathologie:
- Arts Virchow
- Cel: kleinste functionele eenheid in het lichaam
- Ziekte = beschadiging van de cel
Epidemiologie
= Studie van het vóórkomen en de verspreiding van ziekten onder de bevolking
1) Incidentie:
= Het aantal nieuwe gevallen van een ziekte per tijdseenheid, per aantal van de bevolking
- Meestal per 1000 personen / jaar
- Nut van in kaart brengen:
- Opsporen oorzaken: Leefgewoonten, milieu, voeding, hygiëne, …
- Preventie
- Leren over het mechanisme van de ziekte
2) Prevalentie:
= Het aantal gevallen per 1000 of per 100.000 op een specifiek moment in de bevolking
3) Morbiditeit:
= Het aantal personen van een bepaalde bevolkingsgroep dat binnen een bepaalde tijdsperiode door een bepaalde
ziekte getroffen wordt
4) Mortaliteit:
= Het aantal sterfgevallen in de bevolking als gevolg van een bepaalde ziekte, medicijn- of drugsgebruik, verkeer,
gedurende een bepaalde tijdsperiode
2
,Etiologie en pathogenese
Etiologie = Oorzaak van een ziekte
Pathogenese = Het stapsgewijze ontstaan, ontwikkelen en verloop van een aandoening of ziekte
Oorzaken van een ziekte:
- Genetisch - Straling
- Infecties - Mechanisch
- Chemisch
Classificatie naar oorzaak
ENDOGENE ZIEKTEOORZAKEN
= erfelijke aandoeningen of aangeboren, niet erfelijke aandoeningen
- Zuurstoftekort, gedrag van de moeder, infecties, …
1) Erfelijke aandoeningen:
- Fout in DNA: Numeriek, structureel
- Fout in chromosomen (info over onze functies en eigenschappen)
Patausyndroom:
- Bijna niet levensvatbaar
- Chr. 13 te veel
- Karyotype: 47 , xy , 13+ OF 47, xx, 13+
Edwards syndroom:
- Korte levensduur
- Gespleten gehemelte
- Chr. 18 te veel
- Karyotype: 47 , xy , 18+ OF 47, xx , 18+
Turnersyndroom:
- Enkel bij meisjes
- Fertiliteitsproblemen
- X Chr. te weinig
- Karyotype: 45, x,
Klinefelter:
- Enkel bij jongens
- Meisjesachtige kenmerken
- X Chr. te veel
- Karyotype: 47 , xxy
VCFS of Catch 22:
- Deletie in Chr. 22
- Cardial disease
- Abnormal facies
- Hypoplasie Thymus (DIA 35)
- Cleft polet (DIA 34)
- Hypocalciëmie
FISH analyse: Fluorescent in situ hybridisatie:
- Men ziet het chromosoom met de deletie, insertie, … dmv een fluorescent merker
3
p.9: “Structurele chromosomale afwijkingen”
, 2) Aangeboren, niet-erfelijke aandoeningen:
Schadelijke inwerking op de foetus:
- Infecties (Rubella)
- Stralen (RX)
- Chemisch (Softenon)
- Zuurstoftekort
- Erythroblastosis foetalis (geelzucht)
CMV: Cyto Megalo Virus:
- Aangeboren, niet erfelijk
- Virus in snot van kleine kinderen
- In contact met zwangere vrouw -> Infectie -> Afwijkingen bij embryo
Het is erger om in het begin v/e zwangerschap een infectie op te lopen omdat er in deze embryonale fase alles ontwikkeld moet
worden. De kans op een infectie in het begin is wel klein aangezien de placenta klein is.
Softenon / Thalidomide:
- Ochtendmisselijkheid
- Medicatie
- Kinderen geboren met korte armen of benen Vascular Endothelial Growth Factor
- Actieve component werd toegediend aan deze vrouwen -> Blokkeert promotor van VEGF gen -> Invloed op
groei van endotheelcellen -> Endotheelcellen naar ledematen toe groeiden niet verder -> Korte armen / benen
- Gebruikt men nu bij de behandeling van kanker: werkt in op groeifactor van de bloedvaten
ZONDER Thalidomide MET Thalidomide
1. Kankercellen sturen signaal naar BV 1. Kankercellen sturen signaal naar BV
2. Vorming nieuwe BV door VEGF 2. Thalidomide blokkeert VEGF
3. Angiogenese 3. Geen vorming van nieuwe BV
4. Kankercellen krijgen geen O2
5. Kankercellen sterven af
Rhesusfactor:
- Antigen op RBC
- Rh- mama, Rh+ baby: Bij geboorte komt bloed van mama in contact met bloed van kind.
-> Lichaam van de mama kent bloed niet -> Maakt antilichamen aan -> Memory B cellen
- Rh – mama opnieuw zwanger van 2e Rh + kind.
-> Al. mama gaan in 1e maand door placenta heen (baby leeft om immuunsysteem mama in 1e maand)
-> Al. vallen RBC aan van het kind -> Niet levensvatbaar
- Tegengaan door Rhogam te nemen:
- IgM antilichamen
- Tegen Rh factor
- Reageert tegen + factor van 1e kind -> Immuunsysteem mama treed niet in werking -> Geen memory B cellen
4
Inhoud
H1: Inleidende begrippen ........................................................................................................................................................... 2
Geschiedenis ................................................................................................................................................................................... 2
Epidemiologie ................................................................................................................................................................................. 2
Etiologie en pathogenese ............................................................................................................................................................... 3
Classificatie naar oorzaak ................................................................................................................................................................ 3
ENDOGENE ZIEKTEOORZAKEN .................................................................................................................................................... 3
EXOGENE ZIEKTEOORZAKEN ....................................................................................................................................................... 5
H2: Ziektemechanismen ............................................................................................................................................................. 8
Cel schade ....................................................................................................................................................................................... 8
MECHANISME VAN CELBESCHADIGING ...................................................................................................................................... 8
CELLULAIRE REACTIE ................................................................................................................................................................. 10
CELVEROUDERING .................................................................................................................................................................... 14
Weefselschade .............................................................................................................................................................................. 14
WONDGENEZING ...................................................................................................................................................................... 14
Circulatiestoornissen .................................................................................................................................................................... 18
ATHEROSCLEROSE ..................................................................................................................................................................... 18
ARTERIËLE TROMBOSE .............................................................................................................................................................. 22
VENEUZE TROMBOSE ................................................................................................................................................................ 22
Tumorpathologie .......................................................................................................................................................................... 23
DEFINITIE VAN KANKER: ............................................................................................................................................................ 23
EPIDEMIOLOGIE ........................................................................................................................................................................ 23
ETIOLOGIE ................................................................................................................................................................................. 24
KLINISCHE ASPECTEN ................................................................................................................................................................ 28
BEHANDELING ........................................................................................................................................................................... 31
PROGNOSE ................................................................................................................................................................................ 32
H3: Pathologie van de orgaanstelsels ....................................................................................................................................... 33
Skelet, gewrichten en spieren ....................................................................................................................................................... 33
OSTEOPOROSE .......................................................................................................................................................................... 33
1
,H1: Inleidende begrippen
Pathologie: Pathos (lijden) + logos (lees) = de wetenschappelijke studie van ziekte
Geschiedenis
Humorale pathologie:
- Empedocles: Het universum is opgebouwd uit de 4 elementen:
- Vuur - Aarde
- Water - Lucht
- Hippocrates: Het lichaam is opgebouwd uit de 4 lichaamssappen:
- Bloed - Gele gal
- Slijm - Zwarte gal
- Galenus: Het lichaam is opgebouwd uit de 4 lichaamssappen:
- Bloed is warm en vochtig - Gele gal is warm en droog
- Slijm is koud en vochtig - Zwarte gal is koud en droog
- Ziekte = verstoring van het evenwicht tussen deze vloeistoffen
Cellulaire pathologie:
- Arts Virchow
- Cel: kleinste functionele eenheid in het lichaam
- Ziekte = beschadiging van de cel
Epidemiologie
= Studie van het vóórkomen en de verspreiding van ziekten onder de bevolking
1) Incidentie:
= Het aantal nieuwe gevallen van een ziekte per tijdseenheid, per aantal van de bevolking
- Meestal per 1000 personen / jaar
- Nut van in kaart brengen:
- Opsporen oorzaken: Leefgewoonten, milieu, voeding, hygiëne, …
- Preventie
- Leren over het mechanisme van de ziekte
2) Prevalentie:
= Het aantal gevallen per 1000 of per 100.000 op een specifiek moment in de bevolking
3) Morbiditeit:
= Het aantal personen van een bepaalde bevolkingsgroep dat binnen een bepaalde tijdsperiode door een bepaalde
ziekte getroffen wordt
4) Mortaliteit:
= Het aantal sterfgevallen in de bevolking als gevolg van een bepaalde ziekte, medicijn- of drugsgebruik, verkeer,
gedurende een bepaalde tijdsperiode
2
,Etiologie en pathogenese
Etiologie = Oorzaak van een ziekte
Pathogenese = Het stapsgewijze ontstaan, ontwikkelen en verloop van een aandoening of ziekte
Oorzaken van een ziekte:
- Genetisch - Straling
- Infecties - Mechanisch
- Chemisch
Classificatie naar oorzaak
ENDOGENE ZIEKTEOORZAKEN
= erfelijke aandoeningen of aangeboren, niet erfelijke aandoeningen
- Zuurstoftekort, gedrag van de moeder, infecties, …
1) Erfelijke aandoeningen:
- Fout in DNA: Numeriek, structureel
- Fout in chromosomen (info over onze functies en eigenschappen)
Patausyndroom:
- Bijna niet levensvatbaar
- Chr. 13 te veel
- Karyotype: 47 , xy , 13+ OF 47, xx, 13+
Edwards syndroom:
- Korte levensduur
- Gespleten gehemelte
- Chr. 18 te veel
- Karyotype: 47 , xy , 18+ OF 47, xx , 18+
Turnersyndroom:
- Enkel bij meisjes
- Fertiliteitsproblemen
- X Chr. te weinig
- Karyotype: 45, x,
Klinefelter:
- Enkel bij jongens
- Meisjesachtige kenmerken
- X Chr. te veel
- Karyotype: 47 , xxy
VCFS of Catch 22:
- Deletie in Chr. 22
- Cardial disease
- Abnormal facies
- Hypoplasie Thymus (DIA 35)
- Cleft polet (DIA 34)
- Hypocalciëmie
FISH analyse: Fluorescent in situ hybridisatie:
- Men ziet het chromosoom met de deletie, insertie, … dmv een fluorescent merker
3
p.9: “Structurele chromosomale afwijkingen”
, 2) Aangeboren, niet-erfelijke aandoeningen:
Schadelijke inwerking op de foetus:
- Infecties (Rubella)
- Stralen (RX)
- Chemisch (Softenon)
- Zuurstoftekort
- Erythroblastosis foetalis (geelzucht)
CMV: Cyto Megalo Virus:
- Aangeboren, niet erfelijk
- Virus in snot van kleine kinderen
- In contact met zwangere vrouw -> Infectie -> Afwijkingen bij embryo
Het is erger om in het begin v/e zwangerschap een infectie op te lopen omdat er in deze embryonale fase alles ontwikkeld moet
worden. De kans op een infectie in het begin is wel klein aangezien de placenta klein is.
Softenon / Thalidomide:
- Ochtendmisselijkheid
- Medicatie
- Kinderen geboren met korte armen of benen Vascular Endothelial Growth Factor
- Actieve component werd toegediend aan deze vrouwen -> Blokkeert promotor van VEGF gen -> Invloed op
groei van endotheelcellen -> Endotheelcellen naar ledematen toe groeiden niet verder -> Korte armen / benen
- Gebruikt men nu bij de behandeling van kanker: werkt in op groeifactor van de bloedvaten
ZONDER Thalidomide MET Thalidomide
1. Kankercellen sturen signaal naar BV 1. Kankercellen sturen signaal naar BV
2. Vorming nieuwe BV door VEGF 2. Thalidomide blokkeert VEGF
3. Angiogenese 3. Geen vorming van nieuwe BV
4. Kankercellen krijgen geen O2
5. Kankercellen sterven af
Rhesusfactor:
- Antigen op RBC
- Rh- mama, Rh+ baby: Bij geboorte komt bloed van mama in contact met bloed van kind.
-> Lichaam van de mama kent bloed niet -> Maakt antilichamen aan -> Memory B cellen
- Rh – mama opnieuw zwanger van 2e Rh + kind.
-> Al. mama gaan in 1e maand door placenta heen (baby leeft om immuunsysteem mama in 1e maand)
-> Al. vallen RBC aan van het kind -> Niet levensvatbaar
- Tegengaan door Rhogam te nemen:
- IgM antilichamen
- Tegen Rh factor
- Reageert tegen + factor van 1e kind -> Immuunsysteem mama treed niet in werking -> Geen memory B cellen
4