Fundamentele wijsbegeerte
INLEIDING
Plato’s grot
• Alle filosofie vertrekt vanuit verwondering: de wereld is niet wat ze lijkt = vervreemding
(vanzelfsprekende op zijn geldigheid te onderzoeken)
• Plato’s grot: dagelijkse leefwereld = grot met muur waarop schaduwen geprojecteerd
worden, uit de grot = enige ware werkelijkheid → bewoner van grot moet met geweld
losgemaakt worden en realiseert zich dat de buitenwereld de ‘ware’ voorwerpen zijn
➔ Men kiest sneller voor voortzetting van geruststellend bestaan
➔ Verwondering: oude evidenties zijn niet meer vanzelfsprekend
➔ Wetenschap: verwondering constateren
➔ Verwondering niet alleen beginpunt, maar ook leidraad in denken
➔ Filosofie = wetenschap, zonder denkwerk puur cynisme / kritiek
• Zekerheden klakkeloos overgenomen (antwoord belangrijker dan vraag) → ideologie
De historiciteit van de filosofie
• Filosofie = afhankelijk van spatio-temporele context → vragen en antwoorden veranderen
voortdurend vanwege cultuur, tijd en ruimte
• Filosofie = historisch bepaald: geen enkel filosofisch probleem staat los van vragen die al in
het verleden gesteld zijn, de wereld is een vooraf geordende structuur (vb. slavernij
afgeschaft, maar zijn effectief alle vormen uit de wereld?)
Een filosofische canon?
• ‘Ihre Zeit in Gedanken erfasst‘: eigen specifieke zienswijze: wereld beheersbaar, waardoor
de mens zichzelf een plaats toekent in het universum
➔ Heden geordend, verwachtingen voor de toekomst gevormd, verleden geïnterpreteerd:
herbezetting
• Wereldbeeld = bestaanshorizon waarin we zijn geworpen en die we vanzelf in ons opnemen
DEEL 1: DE LOTGEVALLEN VAN DE FILOSOFISCHE RATIONALITEIT
HOOFDSTUK 1: WIJSBEGEERTE BINNEN DE ANTIEKE BESTAANSHORIZON
HET ONTSTAAN VAN DE WIJSGERIGE RATIONALITEIT
• 6e eeuw v.C. in Griekenland ontstaat Europese wijsbegeerte
• Ervoor mythos: verhalen bieden antwoord op allerlei vragen waarin het goddelijke en het
vertellen een cruciale rol spelen, verwijst naar eenmalige, grondleggende gebeurtenis die
ooit plaatsvond en waaruit het bestaande wordt afgeleid
➔ Niet kritisch (geldigheid niet in twijfel trekken)
➔ Normatief (verklaring + waarom het zo moet zijn)
➔ Gelegitimeerd (bestaande bevestigd)
Van mythos naar logos
• 6e eeuw cultuurshock: contact vreemde volkeren, handel en kolonisatie, zucht naar
vernieuwing → nieuwe wereldbeschouwing
,• Xenophanes: goden naar het beeld en gelijkenis van mensen opgevat → nood voor nieuw
godsbeeld
• Nieuwe verklaringsmethoden nodig die niet gebonden zijn aan lokale tradities en mythen
• Overlevering oraal (met mnemotechnische middelen) → overlevering schrift (codificatie,
standaardisering en homogenisering)
• Nieuwe eisen lectuur: universele geldigheid, objectieve inzichtelijkheid, systematische
ordening
• Logos = rationele verklaring, definitie, rede, uitleg
• Claude Lévi-Strauss: mythe = wilde denken, logos = getemde denken
• Griekse godsdienst: antropomorf en verbonden met de natuur (natuurgodsdienst), goden
zijn gekoppeld aan natuurlijke functies
• Grieken onderscheiden zichzelf van barbaren, ontwikkeling van pan-Helleense identiteit:
heiligdommen en spelen (Olympische Spelen) en groeiende culturele eenheid → mythen
worden geüniformiseerd en gestandaardiseerd
• Egyptenaren en Babyloniërs hadden al wetenschappelijke kennis (astrologie, wiskunde,
bouwkunst) → Grieken nemen kennis over, maar geven eigen rationeel-filosofische
verklaaring eraan
• Kennis losgemaakt van religie en praktisch nut → groei naar theoretische wetenschap
• Theoria (weten owv het weten) en theoros (iemand die observeert, kennis opdoet, zonder
praktisch doel onderzoekt
De natuurfilosofen: het ontstaan van een kosmologie
• Eerste filosofen = natuurfilosofen
• Bestuderen natuur (Gr. Phusis) als organisme dat zichzelf in stand houdt (geen externe
factoren of bovennatuurlijke krachten)
• Grootste fascinatie natuurfilosofen = orde in natuur aanwezig op een rationele manier
uitleggen
• Kosmos (“sieraad”) is zelf rationeel geordende logos → kosmo-logie: natuur is mooi omdat
ze rationeel en geordend is
• Verklaring: materialistisch → oerstof
➔ Thales van Milete = water
➔ Anaximenes van Milete = lucht
➔ Anaximander van Milete = het onbegrensde
• Ontdekking van de orde in de werkelijkheid → reflectie hoe het zijnde kan bestaan en hoe het
zich verhoudt tot de wereld van het worden
Heraclitus: “alles vloeit”
• Alles vloeit, niets is blijvend → de wereld zit in een permanente flux → constante
verandering, niets is permanent
• Leer van de eenheid van de tegenstellingen → spanning tussen tegengestelden is de
ordening van de wereld (vb. geen dag zonder nacht)
• Oorlog is de vader van alles → uit conflicten bestaat een nieuwe werkelijkheid
• Kosmos = resultaat van steeds verschuivend evenwicht tussen bewegende krachten
• Oerstof = vuur (leven en dood, eerst warmte, dan verwoestend)
Parmenides: “het zijnde is”
• Tegenpool Heraclitus
• Eerste die het zijnde op zichzelf uitwerkt
,• Vraag? Het is of het is niet
- Het is en het is onmogelijk dat het niet is (als je eraan kan denken bestaat het, niet per se
materieel bv. Getal als concept)
- Het is niet en het is onmogelijk dat het is (wat niet bestaat kan je niet aan denken)
- Conclusie: het zijnde is, het niet zijnde is niet
• Het zijnde:
- Kan niet ontstaan, komt uit een ander zijnde en is dus eeuwig
- Niet deelbaar, het is of het is niet (geen tussenweg)
- Onbeweeglijk en onbegrensd, het zijnde kan zich niet naar het niet zijnde verplaatsen
- Volmaakt, het is er en kan niet meer iets worden
- Bolvormig, moet in alle richtingen identiek zijn en bol is dus enige denkbare vorm
➔ Manier van denken = metafysica
➔ Oerstof = het zijnde
• Eeuwige tegenstelling: universele immobilisme, de eenheid van het abstracte zijn vs.
Universele mobilisme, de veelheid van de concrete werkelijkheid
Het ontstaan van de ethiek
• Ethiek: kritisch nadenken over wat (moreel) goed is om te doen
• Door desacralisering worden traditionele samenlevingsverbanden losgeschroefd
• In het archaïsche wereldbeeld worden vragen over gezag en maatstaven beantwoord via
sacrale fundering
• De basileus had de hoogste religieuze functie
• Atheense democratie: religieus gezag aangeduid met basileus, maar functie zit nu bij 1 van
de 3 archonten (de archon-basileus)
• Zonder sacrale blijken waarden en wetten problematisch en blijken zeden en gewoonten
conventie ipv natuur
• De spanning tussen natuur (phusis) en cultuur (nomos) wordt zichtbaar → uit zich in
maatschappelijke en politieke veranderingen
• Athene 6e eeuw v.C.: democratische staatsorde
• Dracon verbiedt de bloedwraak, waardoor de staat geweld monopoliseert en het strafrecht
ontstaat
Het relativisme van de sofisten
• 5e eeuw → sofisten (=rondtrekkende leraren die tegen betaling onderwijs geven in de
retoriek)
• Democratisch Athene heeft hier nood aan → democratische debatten vaak eerder andere
overtuigen dan werkelijk gelijk hebben
• Logos = puur machtsmiddel, rede wordt redevoering (monoloog om anderen te overtuigen)
• Veel kritiek op sofisten, maar soms oprecht een filosofische overtuiging → relativisme (vb.
protagoras)
• Moreel relativisme = geen maatstaf om dingen te beoordelen, sommige dingen zijn voor de
ene goed en voor de ander slecht
• Homo mensura = stelling protagoras: de mens is de maat van alle dingen die zijn, dat ze zijn
en die niet zijn dat ze niet zijn = er is geen kennis van ultieme waarheid mogelijk
• Kloof tussen kennis en wijsheid
Socrates (469-399 v.C.)
, • Socrates werd door velen als sofist gezien maar gaf eigenlijk kritiek op sofisten →stelt de
vraag naar de ware betekenis aan sofisten
• Zijn idee was dat inzicht in de betekenis van morele begrippen ook tot effectief moreel
handelen zou leiden (vb. als we weten wat rechtvaardigheid is, zullen we ook rechtvaardig
handelen)
• Deugd = inzicht
• Logos niet langer machtsmiddel maar plaats van inzicht waarheid en deugd → rede wordt
redenering → monoloog wordt dialoog
• Socrates gebruikt hierbij wapen van ironie
➔ Door het ophemelen van wijsheid van anderen geeft hij ze in feite te kennen dat ze niet
wijs zijn, hij laat hen reflecteren en doet zelf alsof hij onwetend is
• Filosoof wil mensen niet overtuigen door schoonheid van woorden, maar door de
overtuigingskracht van het inzicht
• Ter dood veroordeeld met gifbeker omdat hij jongeren op het slechte pad bracht en de goden
van de staat niet eerbiedigde
DE FILOSOFIE WORDT EEN SYSTEEM
Plato (428-347 v.C.)
• Problemen:
- Plato = nooit zelf spreker, altijd Socrates
- Plato’s werken lopen allemaal door elkaar
- We weten niet of er eenheid is binnen de dialogen of evolutie
- Plato had ongeschreven leer in de oudheid (echte filosofie)
- Veel dialogen van Plato hadden geen antwoord
• Plato vs. Platonisme → platonisme is de leer, maar we weten niet zeker of dit echt de leer
van Plato was → we hebben enkel dialogen met problemen
• Belangrijkste werken:
- De staat (Politeia: dialoog in 10 boeken)
- Phaedo, Phaedrus, Timaeus, Gorgias, De Wetten
- Apologie van Socrates (fictieve verdedigingsrede)
In de ban van Socrates
• Socrates is zijn leermeester → na dood probeert Plato de socratische ethiek te volgen, maar
verruimt het eerst enkel ethisch (rechtvaardigheid), nu ruimere thematiek (2 nieuwe ideeën),
maar ethisch nog steeds centraal
De ziel
• Grieken beschouwden ziel als principe van het leven
• Pythagoras: ziel zetel van kennis, onsterfelijk en gaat over (wedergeboorte)
• Plato neemt kenmerken over + ziel wordt de kern van onze persoonlijkheid
• Morele goedheid komt uit 3 delen van de ziel
- De redelijke ziel (vermogen tot redeneren)
- De vurige ziel
- De begerende ziel
• Elk deel eigen werkterrein en dus eigen deugd
- Redelijk: verstandigheid
- Vurig: dapperheid
INLEIDING
Plato’s grot
• Alle filosofie vertrekt vanuit verwondering: de wereld is niet wat ze lijkt = vervreemding
(vanzelfsprekende op zijn geldigheid te onderzoeken)
• Plato’s grot: dagelijkse leefwereld = grot met muur waarop schaduwen geprojecteerd
worden, uit de grot = enige ware werkelijkheid → bewoner van grot moet met geweld
losgemaakt worden en realiseert zich dat de buitenwereld de ‘ware’ voorwerpen zijn
➔ Men kiest sneller voor voortzetting van geruststellend bestaan
➔ Verwondering: oude evidenties zijn niet meer vanzelfsprekend
➔ Wetenschap: verwondering constateren
➔ Verwondering niet alleen beginpunt, maar ook leidraad in denken
➔ Filosofie = wetenschap, zonder denkwerk puur cynisme / kritiek
• Zekerheden klakkeloos overgenomen (antwoord belangrijker dan vraag) → ideologie
De historiciteit van de filosofie
• Filosofie = afhankelijk van spatio-temporele context → vragen en antwoorden veranderen
voortdurend vanwege cultuur, tijd en ruimte
• Filosofie = historisch bepaald: geen enkel filosofisch probleem staat los van vragen die al in
het verleden gesteld zijn, de wereld is een vooraf geordende structuur (vb. slavernij
afgeschaft, maar zijn effectief alle vormen uit de wereld?)
Een filosofische canon?
• ‘Ihre Zeit in Gedanken erfasst‘: eigen specifieke zienswijze: wereld beheersbaar, waardoor
de mens zichzelf een plaats toekent in het universum
➔ Heden geordend, verwachtingen voor de toekomst gevormd, verleden geïnterpreteerd:
herbezetting
• Wereldbeeld = bestaanshorizon waarin we zijn geworpen en die we vanzelf in ons opnemen
DEEL 1: DE LOTGEVALLEN VAN DE FILOSOFISCHE RATIONALITEIT
HOOFDSTUK 1: WIJSBEGEERTE BINNEN DE ANTIEKE BESTAANSHORIZON
HET ONTSTAAN VAN DE WIJSGERIGE RATIONALITEIT
• 6e eeuw v.C. in Griekenland ontstaat Europese wijsbegeerte
• Ervoor mythos: verhalen bieden antwoord op allerlei vragen waarin het goddelijke en het
vertellen een cruciale rol spelen, verwijst naar eenmalige, grondleggende gebeurtenis die
ooit plaatsvond en waaruit het bestaande wordt afgeleid
➔ Niet kritisch (geldigheid niet in twijfel trekken)
➔ Normatief (verklaring + waarom het zo moet zijn)
➔ Gelegitimeerd (bestaande bevestigd)
Van mythos naar logos
• 6e eeuw cultuurshock: contact vreemde volkeren, handel en kolonisatie, zucht naar
vernieuwing → nieuwe wereldbeschouwing
,• Xenophanes: goden naar het beeld en gelijkenis van mensen opgevat → nood voor nieuw
godsbeeld
• Nieuwe verklaringsmethoden nodig die niet gebonden zijn aan lokale tradities en mythen
• Overlevering oraal (met mnemotechnische middelen) → overlevering schrift (codificatie,
standaardisering en homogenisering)
• Nieuwe eisen lectuur: universele geldigheid, objectieve inzichtelijkheid, systematische
ordening
• Logos = rationele verklaring, definitie, rede, uitleg
• Claude Lévi-Strauss: mythe = wilde denken, logos = getemde denken
• Griekse godsdienst: antropomorf en verbonden met de natuur (natuurgodsdienst), goden
zijn gekoppeld aan natuurlijke functies
• Grieken onderscheiden zichzelf van barbaren, ontwikkeling van pan-Helleense identiteit:
heiligdommen en spelen (Olympische Spelen) en groeiende culturele eenheid → mythen
worden geüniformiseerd en gestandaardiseerd
• Egyptenaren en Babyloniërs hadden al wetenschappelijke kennis (astrologie, wiskunde,
bouwkunst) → Grieken nemen kennis over, maar geven eigen rationeel-filosofische
verklaaring eraan
• Kennis losgemaakt van religie en praktisch nut → groei naar theoretische wetenschap
• Theoria (weten owv het weten) en theoros (iemand die observeert, kennis opdoet, zonder
praktisch doel onderzoekt
De natuurfilosofen: het ontstaan van een kosmologie
• Eerste filosofen = natuurfilosofen
• Bestuderen natuur (Gr. Phusis) als organisme dat zichzelf in stand houdt (geen externe
factoren of bovennatuurlijke krachten)
• Grootste fascinatie natuurfilosofen = orde in natuur aanwezig op een rationele manier
uitleggen
• Kosmos (“sieraad”) is zelf rationeel geordende logos → kosmo-logie: natuur is mooi omdat
ze rationeel en geordend is
• Verklaring: materialistisch → oerstof
➔ Thales van Milete = water
➔ Anaximenes van Milete = lucht
➔ Anaximander van Milete = het onbegrensde
• Ontdekking van de orde in de werkelijkheid → reflectie hoe het zijnde kan bestaan en hoe het
zich verhoudt tot de wereld van het worden
Heraclitus: “alles vloeit”
• Alles vloeit, niets is blijvend → de wereld zit in een permanente flux → constante
verandering, niets is permanent
• Leer van de eenheid van de tegenstellingen → spanning tussen tegengestelden is de
ordening van de wereld (vb. geen dag zonder nacht)
• Oorlog is de vader van alles → uit conflicten bestaat een nieuwe werkelijkheid
• Kosmos = resultaat van steeds verschuivend evenwicht tussen bewegende krachten
• Oerstof = vuur (leven en dood, eerst warmte, dan verwoestend)
Parmenides: “het zijnde is”
• Tegenpool Heraclitus
• Eerste die het zijnde op zichzelf uitwerkt
,• Vraag? Het is of het is niet
- Het is en het is onmogelijk dat het niet is (als je eraan kan denken bestaat het, niet per se
materieel bv. Getal als concept)
- Het is niet en het is onmogelijk dat het is (wat niet bestaat kan je niet aan denken)
- Conclusie: het zijnde is, het niet zijnde is niet
• Het zijnde:
- Kan niet ontstaan, komt uit een ander zijnde en is dus eeuwig
- Niet deelbaar, het is of het is niet (geen tussenweg)
- Onbeweeglijk en onbegrensd, het zijnde kan zich niet naar het niet zijnde verplaatsen
- Volmaakt, het is er en kan niet meer iets worden
- Bolvormig, moet in alle richtingen identiek zijn en bol is dus enige denkbare vorm
➔ Manier van denken = metafysica
➔ Oerstof = het zijnde
• Eeuwige tegenstelling: universele immobilisme, de eenheid van het abstracte zijn vs.
Universele mobilisme, de veelheid van de concrete werkelijkheid
Het ontstaan van de ethiek
• Ethiek: kritisch nadenken over wat (moreel) goed is om te doen
• Door desacralisering worden traditionele samenlevingsverbanden losgeschroefd
• In het archaïsche wereldbeeld worden vragen over gezag en maatstaven beantwoord via
sacrale fundering
• De basileus had de hoogste religieuze functie
• Atheense democratie: religieus gezag aangeduid met basileus, maar functie zit nu bij 1 van
de 3 archonten (de archon-basileus)
• Zonder sacrale blijken waarden en wetten problematisch en blijken zeden en gewoonten
conventie ipv natuur
• De spanning tussen natuur (phusis) en cultuur (nomos) wordt zichtbaar → uit zich in
maatschappelijke en politieke veranderingen
• Athene 6e eeuw v.C.: democratische staatsorde
• Dracon verbiedt de bloedwraak, waardoor de staat geweld monopoliseert en het strafrecht
ontstaat
Het relativisme van de sofisten
• 5e eeuw → sofisten (=rondtrekkende leraren die tegen betaling onderwijs geven in de
retoriek)
• Democratisch Athene heeft hier nood aan → democratische debatten vaak eerder andere
overtuigen dan werkelijk gelijk hebben
• Logos = puur machtsmiddel, rede wordt redevoering (monoloog om anderen te overtuigen)
• Veel kritiek op sofisten, maar soms oprecht een filosofische overtuiging → relativisme (vb.
protagoras)
• Moreel relativisme = geen maatstaf om dingen te beoordelen, sommige dingen zijn voor de
ene goed en voor de ander slecht
• Homo mensura = stelling protagoras: de mens is de maat van alle dingen die zijn, dat ze zijn
en die niet zijn dat ze niet zijn = er is geen kennis van ultieme waarheid mogelijk
• Kloof tussen kennis en wijsheid
Socrates (469-399 v.C.)
, • Socrates werd door velen als sofist gezien maar gaf eigenlijk kritiek op sofisten →stelt de
vraag naar de ware betekenis aan sofisten
• Zijn idee was dat inzicht in de betekenis van morele begrippen ook tot effectief moreel
handelen zou leiden (vb. als we weten wat rechtvaardigheid is, zullen we ook rechtvaardig
handelen)
• Deugd = inzicht
• Logos niet langer machtsmiddel maar plaats van inzicht waarheid en deugd → rede wordt
redenering → monoloog wordt dialoog
• Socrates gebruikt hierbij wapen van ironie
➔ Door het ophemelen van wijsheid van anderen geeft hij ze in feite te kennen dat ze niet
wijs zijn, hij laat hen reflecteren en doet zelf alsof hij onwetend is
• Filosoof wil mensen niet overtuigen door schoonheid van woorden, maar door de
overtuigingskracht van het inzicht
• Ter dood veroordeeld met gifbeker omdat hij jongeren op het slechte pad bracht en de goden
van de staat niet eerbiedigde
DE FILOSOFIE WORDT EEN SYSTEEM
Plato (428-347 v.C.)
• Problemen:
- Plato = nooit zelf spreker, altijd Socrates
- Plato’s werken lopen allemaal door elkaar
- We weten niet of er eenheid is binnen de dialogen of evolutie
- Plato had ongeschreven leer in de oudheid (echte filosofie)
- Veel dialogen van Plato hadden geen antwoord
• Plato vs. Platonisme → platonisme is de leer, maar we weten niet zeker of dit echt de leer
van Plato was → we hebben enkel dialogen met problemen
• Belangrijkste werken:
- De staat (Politeia: dialoog in 10 boeken)
- Phaedo, Phaedrus, Timaeus, Gorgias, De Wetten
- Apologie van Socrates (fictieve verdedigingsrede)
In de ban van Socrates
• Socrates is zijn leermeester → na dood probeert Plato de socratische ethiek te volgen, maar
verruimt het eerst enkel ethisch (rechtvaardigheid), nu ruimere thematiek (2 nieuwe ideeën),
maar ethisch nog steeds centraal
De ziel
• Grieken beschouwden ziel als principe van het leven
• Pythagoras: ziel zetel van kennis, onsterfelijk en gaat over (wedergeboorte)
• Plato neemt kenmerken over + ziel wordt de kern van onze persoonlijkheid
• Morele goedheid komt uit 3 delen van de ziel
- De redelijke ziel (vermogen tot redeneren)
- De vurige ziel
- De begerende ziel
• Elk deel eigen werkterrein en dus eigen deugd
- Redelijk: verstandigheid
- Vurig: dapperheid