Samenvatting van de samenvatting NTO.
Molecuul is het kleinste deeltje van een stof dat alle eigenschappen bevat. Een stof heeft
verschillende verschijningsvormen (aggregatietoestanden); vast (moleculen bewegen niet veel en
trekken elkaar aan), vloeibaar (moleculen bewegen in alle richtingen en zitten minder dicht op
elkaar) en gas (moleculen bewegen alle richtingen en hebben geen aantrekkingskracht).
Smeltpunt punt waarbij een zuivere vaste stof smelt (0 graden bij water). Energietoevoer
(temperatuur of druk) heeft dus invloed op het gedrag van moleculen. Van vloeibaar naar gas is
verdamping. Vluchtige stoffen (parfum) verdampen bij een lage temperatuur.
Kookpunt hoogste temperatuur die een vloeistof kan bereiken, daarna wordt alles gas. Bij een
hogere luchtdruk duurt dit langer. Sublimatie van vaste stof naar gas zonder vloeibaar.
Desublimatie van gas naar vast zonder vloeibaar. Condenseren van gas naar vloeibaar.
Stollingspunt van vloeibaar naar vast.
Dichtheid en dus gewicht van een stof nemen af bij verwarming want deeltjes verder uit elkaar.
Behalve bij water (want ijs drijft op water etc.).
Eigenschappen van water:
1. Oplosmiddel. Oplossing mengsel vloeistoffen of vaste stof/vloeistof die tot aan de
bouwstenen zijn gemengd. Suspensies mengsel van vaste stof en vloeistof waarbij vaste
stof niet is opgelost. Emulsie mengsel van 2 vloeistoffen die niet goed mengbaar zijn
(emulgator kan helpen). Legering metalen die mengsel vormen.
2. Opwaartse kracht. Als een voorwerp in het water wordt geduwd wordt het omhoog geduwd.
Hoe zwaarder (dichtheid) hoe groter de kans op zinken.
3. Oppervlakte spanning van water. Watermoleculen trekken elkaar aan (glas water heel vol
dus gaat bol staan).
Scheidingstechnieken:
- Verschil in deeltjesgrootte door filteren. Overgebleven vloeistof = filtraat en vaste stof =
residu.
- Verschil in dichtheid door bezinken. Stof met grootste dichtheid onder.
- Centrifugeren door snel ronddraaien.
- Verschil in kookpunt door indampen. Oplosmiddel kookt bij lagere temperatuur dan vaste
stof, dus oplosmiddel kan verdampen.
- Verschil in kookpunt door destillatie. Verdampte vloeistof wordt opgavangen en dan
gecondenseerd. Deel wat verdampt = destillaat, deel wat niet verdampt= residu.
Een vrije magneet ijst altijd naar het noorden. Een magneet heeft een noord en een zuidpool, gelijke
polen kunnen niet naar elkaar door afstotingskracht. Tegengestelde polen trekken elkaar juist wel
aan. Aarde heeft ook een noord en zuidpool, de noordpool ligt in de buurt van geografische zuidpool.
Trekvogels kunnen dit magnetische veld van aarde waarnemen.
Als de magnetische gebieden allemaal dezelfde kant op wijzen wordt een stuk ijzer magnetisch. Kan
dit verliezen door erop te slaan of door te verhitten (inwendige oriëntatie van magnetische gebieden
raakt dan verstoord).
, Magnetisch veld een gebied rondom een magneet waarin de magnetische kracht werkt. Door
wrijving komen verder gelegen dingen hier niet mee in aanraking. Dingen in het midden van beide
polen blijven in het verlengde liggen. magneet gaat door plastic en karton heen.
Elektrische stroom kan een magnetisch veld opwekken, maar werkt alleen als er stroom doorheen
loopt (elektromagneet) hierdoor kun je hem aan en uit zetten (bij afvalverwerking). Magnetisme kan
ook elektriciteit opwekken (fietsdynamo).
Statische elektriciteit ontstaat wanneer voorwerpen tegen elkaar wrijven en het ene voorwerp de
geladen deeltjes van het andere voorwerp overneemt. Beide voorwerpen krijgen dan een elektrische
lading. Molecuul bestaat uit atomen en atoom bestaat uit een positief geladen kern met negatief
geladen elektronen (dus neutraal) maar als atomen tegen elkaar botsen kunnen elektronen
overspringen. Hierdoor trekken voorwerpen elkaar aan, dus overspringen van elektronen dus
stroomschok.
Elektrische ladingen zijn voortdurend in beweging dynamische elektriciteit. Als je deze lading
gericht kunt laten stomen is het nuttiger (stroomvoorziening). Elektriciteit is een energievorm, kan
omgezet worden in andere energievormen. De elektrische stoom moet worden getransporteerd, dus
materiaal nodig goed kan geleiden, dus waarbij elektronen makkelijk losraken (metalen).
Om elektrische stroom te krijgen moet een er een stroomkring zijn met een spanningsbron voor de
toevoer van energie. De spanningsbron heeft een pluspool (te weinig elektronen) en een minpool (te
veel elektronen). De elektronen willen bewegen naar de plaats van het tekort, door de
spanningsbron krijgen ze energie om te bewegen. Stroomrichting = van min naar plus, maar
elektronen richting is van plus naar min.
Stroomdraad is gemaakt van koper die elektronen goed kan begeleiden en weinig weerstand biedt.
Materiaal dat geen stroom doorlaat is een isolator (plastic laagje om koperdraad heen). Als
stroomdraad niet is geïsoleerd kan er kortsluiting komen. Dikke stroomdraad geeft minder
weerstand dan dun, want meer ruimte en minder contact met metaal. Bij contact metaal ontstaat
wrijvingswarmte, dus metaaldraad moet hoog smeltpunt hebben.
Serieschakeling bv. Kerstboomverlichting. Als er een kapot is doet de rest het ook niet meer, want
het loopt in een grote lus van ene pool naar de andere pool. De lampjes branden minder fel als er
meer verbonden zijn. Parallelschakeling ieder lampje is afzonderlijk met de spanningsbron
verbonden.
Stroomsterkte wordt aangeduid met Ampère (A). Hierbij gaat het om hoeveel lading er per
tijdseenheid door iets heen gaat. Kun je meten met een ampèremeter die in serie wordt aangesloten.
Spanning wordt aangeduid met Volt (V). Hierbij gaat het om de hoeveelheid spanning die nodig is om
elektrische stroom te laten lopen. Kun je meten met een spanningsmeter die parallel wordt
aangesloten (hiermee kun je ook testen of een batterij vol is). Geleidbaarheid (weerstand) wordt
uitgedrukt in Ohm. Heeft invloed op de hoeveelheid elektronen die zich daarin kunnen verplaatsen.
Energie voor in huis wordt geleverd door energieleveranciers, het maken en gebruik ervan kost geld.
Een energiemeter meet hoeveel energie een huis gebruikt door vermogen x tijd. Vermogen =
spanning x stroomsterkte.
Alle draden in huis die stopcontacten en elektrische apparaten te verbinden met de energiemeter
noemen we het elektriciteitsnetwerk. In huis is alles parallel aangesloten, want alles moet dezelfde
spanning (230 V) hebben. Om te voorkomen dat de stroomsterkte te groot wordt is het
elektriciteitsnetwerk verdeeld in groepen.
Molecuul is het kleinste deeltje van een stof dat alle eigenschappen bevat. Een stof heeft
verschillende verschijningsvormen (aggregatietoestanden); vast (moleculen bewegen niet veel en
trekken elkaar aan), vloeibaar (moleculen bewegen in alle richtingen en zitten minder dicht op
elkaar) en gas (moleculen bewegen alle richtingen en hebben geen aantrekkingskracht).
Smeltpunt punt waarbij een zuivere vaste stof smelt (0 graden bij water). Energietoevoer
(temperatuur of druk) heeft dus invloed op het gedrag van moleculen. Van vloeibaar naar gas is
verdamping. Vluchtige stoffen (parfum) verdampen bij een lage temperatuur.
Kookpunt hoogste temperatuur die een vloeistof kan bereiken, daarna wordt alles gas. Bij een
hogere luchtdruk duurt dit langer. Sublimatie van vaste stof naar gas zonder vloeibaar.
Desublimatie van gas naar vast zonder vloeibaar. Condenseren van gas naar vloeibaar.
Stollingspunt van vloeibaar naar vast.
Dichtheid en dus gewicht van een stof nemen af bij verwarming want deeltjes verder uit elkaar.
Behalve bij water (want ijs drijft op water etc.).
Eigenschappen van water:
1. Oplosmiddel. Oplossing mengsel vloeistoffen of vaste stof/vloeistof die tot aan de
bouwstenen zijn gemengd. Suspensies mengsel van vaste stof en vloeistof waarbij vaste
stof niet is opgelost. Emulsie mengsel van 2 vloeistoffen die niet goed mengbaar zijn
(emulgator kan helpen). Legering metalen die mengsel vormen.
2. Opwaartse kracht. Als een voorwerp in het water wordt geduwd wordt het omhoog geduwd.
Hoe zwaarder (dichtheid) hoe groter de kans op zinken.
3. Oppervlakte spanning van water. Watermoleculen trekken elkaar aan (glas water heel vol
dus gaat bol staan).
Scheidingstechnieken:
- Verschil in deeltjesgrootte door filteren. Overgebleven vloeistof = filtraat en vaste stof =
residu.
- Verschil in dichtheid door bezinken. Stof met grootste dichtheid onder.
- Centrifugeren door snel ronddraaien.
- Verschil in kookpunt door indampen. Oplosmiddel kookt bij lagere temperatuur dan vaste
stof, dus oplosmiddel kan verdampen.
- Verschil in kookpunt door destillatie. Verdampte vloeistof wordt opgavangen en dan
gecondenseerd. Deel wat verdampt = destillaat, deel wat niet verdampt= residu.
Een vrije magneet ijst altijd naar het noorden. Een magneet heeft een noord en een zuidpool, gelijke
polen kunnen niet naar elkaar door afstotingskracht. Tegengestelde polen trekken elkaar juist wel
aan. Aarde heeft ook een noord en zuidpool, de noordpool ligt in de buurt van geografische zuidpool.
Trekvogels kunnen dit magnetische veld van aarde waarnemen.
Als de magnetische gebieden allemaal dezelfde kant op wijzen wordt een stuk ijzer magnetisch. Kan
dit verliezen door erop te slaan of door te verhitten (inwendige oriëntatie van magnetische gebieden
raakt dan verstoord).
, Magnetisch veld een gebied rondom een magneet waarin de magnetische kracht werkt. Door
wrijving komen verder gelegen dingen hier niet mee in aanraking. Dingen in het midden van beide
polen blijven in het verlengde liggen. magneet gaat door plastic en karton heen.
Elektrische stroom kan een magnetisch veld opwekken, maar werkt alleen als er stroom doorheen
loopt (elektromagneet) hierdoor kun je hem aan en uit zetten (bij afvalverwerking). Magnetisme kan
ook elektriciteit opwekken (fietsdynamo).
Statische elektriciteit ontstaat wanneer voorwerpen tegen elkaar wrijven en het ene voorwerp de
geladen deeltjes van het andere voorwerp overneemt. Beide voorwerpen krijgen dan een elektrische
lading. Molecuul bestaat uit atomen en atoom bestaat uit een positief geladen kern met negatief
geladen elektronen (dus neutraal) maar als atomen tegen elkaar botsen kunnen elektronen
overspringen. Hierdoor trekken voorwerpen elkaar aan, dus overspringen van elektronen dus
stroomschok.
Elektrische ladingen zijn voortdurend in beweging dynamische elektriciteit. Als je deze lading
gericht kunt laten stomen is het nuttiger (stroomvoorziening). Elektriciteit is een energievorm, kan
omgezet worden in andere energievormen. De elektrische stoom moet worden getransporteerd, dus
materiaal nodig goed kan geleiden, dus waarbij elektronen makkelijk losraken (metalen).
Om elektrische stroom te krijgen moet een er een stroomkring zijn met een spanningsbron voor de
toevoer van energie. De spanningsbron heeft een pluspool (te weinig elektronen) en een minpool (te
veel elektronen). De elektronen willen bewegen naar de plaats van het tekort, door de
spanningsbron krijgen ze energie om te bewegen. Stroomrichting = van min naar plus, maar
elektronen richting is van plus naar min.
Stroomdraad is gemaakt van koper die elektronen goed kan begeleiden en weinig weerstand biedt.
Materiaal dat geen stroom doorlaat is een isolator (plastic laagje om koperdraad heen). Als
stroomdraad niet is geïsoleerd kan er kortsluiting komen. Dikke stroomdraad geeft minder
weerstand dan dun, want meer ruimte en minder contact met metaal. Bij contact metaal ontstaat
wrijvingswarmte, dus metaaldraad moet hoog smeltpunt hebben.
Serieschakeling bv. Kerstboomverlichting. Als er een kapot is doet de rest het ook niet meer, want
het loopt in een grote lus van ene pool naar de andere pool. De lampjes branden minder fel als er
meer verbonden zijn. Parallelschakeling ieder lampje is afzonderlijk met de spanningsbron
verbonden.
Stroomsterkte wordt aangeduid met Ampère (A). Hierbij gaat het om hoeveel lading er per
tijdseenheid door iets heen gaat. Kun je meten met een ampèremeter die in serie wordt aangesloten.
Spanning wordt aangeduid met Volt (V). Hierbij gaat het om de hoeveelheid spanning die nodig is om
elektrische stroom te laten lopen. Kun je meten met een spanningsmeter die parallel wordt
aangesloten (hiermee kun je ook testen of een batterij vol is). Geleidbaarheid (weerstand) wordt
uitgedrukt in Ohm. Heeft invloed op de hoeveelheid elektronen die zich daarin kunnen verplaatsen.
Energie voor in huis wordt geleverd door energieleveranciers, het maken en gebruik ervan kost geld.
Een energiemeter meet hoeveel energie een huis gebruikt door vermogen x tijd. Vermogen =
spanning x stroomsterkte.
Alle draden in huis die stopcontacten en elektrische apparaten te verbinden met de energiemeter
noemen we het elektriciteitsnetwerk. In huis is alles parallel aangesloten, want alles moet dezelfde
spanning (230 V) hebben. Om te voorkomen dat de stroomsterkte te groot wordt is het
elektriciteitsnetwerk verdeeld in groepen.