DIERENWELZIJN EN ETHIEK
Dierenwelzijn = de fysieke en mentale toestand van een dier, die bepaald wordt door de mate waarin aan zijn
natuurlijke behoeften wordt voldaan en de kwaliteit van de omgeving waarin het leeft. Een belangrijk kader
voor het beoordelen van dierenwelzijn zijn de 'vijf vrijheden', die stellen dat dieren vrij moeten zijn van honger
en dorst, ongemak, pijn, verwondingen en ziekte, angst en stress, en vrij moeten zijn om natuurlijk en
soorteigen gedrag te vertonen.
Dierenethiek = de filosofische en morele reflectie over de juiste en verantwoorde omgang met dieren, die
rekening houdt met hun intrinsieke waarde, lijdenscapaciteit en individuele eigenschappen, in plaats van hen
enkel te zien als middelen voor menselijk gebruik. Het onderzoekt welke plichten mensen hebben ten opzichte
van dieren en welke rechten dieren kunnen hebben, met een focus op het vermijden van lijden en het
respecteren van hun welzijn.
DENKKADERS OMTRENT DIERENWELZIJN.
DE 5 VRIJHEDEN
1. Vrijheid van dorst, honger en slechte voeding: door te voorzien in een directe toegang tot vers water
en een dieet om gezond en levenskrachtig te blijven
2. Vrijheid van ongemak: door een geschikte omgeving te voorzien met een schuilplaats en een
comfortabele rustplaats
3. Vrijheid van pijn, letsels en ziekte: door preventie of snelle diagnose en behandeling
4. Vrijheid van angst en distress: door te zorgen voor omstandigheden die mentaal lijden vermijden
5. Vrijheid om normaal gedrag te vertonen: door voldoende ruimte, geschikte faciliteiten en gezelschap
van soortgenoten te voorzien
De 5 vrijheden werden niet bedoeld als een definitie voor dierenwelzijn maar als een denkkader om na te
denken over dierenwelzijn en de sterke en zwakke punten van een dierhouderijsysteem in te schatten zodat
aan de zwakke punten verbeteringen konden worden aangebracht.
DE 3 BENADERINGEN
Welzijn en biologisch functioneren van dieren
Dierenwelzijn wordt gedefinieerd in termen van het normaal biologisch functioneren van een dier
Vermindert welzijn: ziekte, verwonding, ondervoeding, stress
Goed welzijn: goede groei, goede voortplanting, lang leven, normale functie van fysiologische en
gedragsprocessen
Goede productiviteit = goed welzijn MAAR mastitis/uierontsteking en osteoporosis/botontkalking
Volgens Fraser en Broom (1990) bestaat dierenwelzijn uit het vermogen van dieren om om te gaan
met hun complexe omgeving, die fysieke omstandigheden, sociale invloeden en bedreigingen omvat.
Wanneer dieren niet adequaat kunnen omgaan met deze factoren, vermindert hun fitheid, wat kan
leiden tot verminderde groei, reproductie of zelfs sterfte.
Biologische parameters zijn gemakkelijker te bepalen dan subjectieve ervaringen (wonden,
voedingstoestand ↔ pijn, honger)
Onderzoeksmethode:
- Pathologie (letsels identificeren), productiviteit (groei en voortplanting) bestuderen met
veronderstelling dat verminderd welzijn de productiviteit zal verminderen, veranderingen in
endocrien systeem en voorkomen van abnormaal gedrag
, - Vele studies richten zich op stress, vaak gemeten via secretie van glucocorticosteroïden vb.
cortisol
- Een probleem is dat het moeilijk is te onderscheiden of fysiologische veranderingen slechts
normale aanpassingen zijn of tekenen van verminderd welzijn
- Er is nood aan duidelijke criteria of drempelwaarden (bv. een langdurige stijging van >40% in
cortisol) om metingen te kunnen interpreteren als welzijnsproblemen
Welzijn en subjectieve ervaringen van dieren
De 2e benadering legt de nadruk op subjectieve ervaringen (affectieve toestanden) van dieren
Omdat dieren gevoelens en emoties kunnen ervaren, wordt hun welzijn bepaald door negatieve
gevoelens zoals pijn, angst, frustratie, honger en dorst, en door positieve gevoelens zoals comfort en
sociale interacties
Volgens deze visie staat dierenwelzijn dus vooral in het teken van het vermijden van lijden en het
bevorderen van positieve ervaringen
Bij eekhoorns kan men zien aan de beweging van de staart hoe die zich voelt, wanneer die
gefrustreerd is zal de staart wapperen (flagging)
Onderzoeksmethoden:
- Bestuderen van de voorkeuren van een dier (preferentietesten) en de sterkte van de motivatie
om bepaalde dingen te bekomen of te mijden (motivatietesten). Men gaat ervan uit dat dieren
datgene zullen kiezen wat het aangenaamst voor hen is en/of wat het minst pijn, angst, …
oplevert.
- Vocale en andere communicatieve signalen kunnen informatie verschaffen over de subjectieve
ervaringen van dieren vb. emergency calls biggen bij big onder zeug, isolatie, castratie, … Hoe
hoger nood/gevaar, hoe groter het aantal, volume en frequentie
- Voorkomen van abnormaal gedrag negatieve gevoelstoestand bv. pacing
Subjectieve ervaringen zijn belangrijk voor het dierenwelzijn, het is echter moeilijk deze
wetenschappelijk te bestuderen aangezien ze niet rechtstreeks geobserveerd kunnen worden
indirect meten vnl. door gedragsstudies
Overlap biologisch functioneren en subjectieve ervaringen visie:
Als aan een behoefte niet voldaan is, gaat dit vaak gepaard met een onaangename subjectieve
ervaring en omgekeerd
Vb. voedingstekort hebben ↔ honger ervaren
Vb. gewond zijn ↔ pijn ervaren
Dierenwelzijn heeft betrekking op de situatie van het dier, hoe het dier met de situatie omgaat en hoe
het dier dit ervaart
Welzijn en de ‘natuur’ van dieren
Dieren moeten leven in natuurlijke omgevingen en moeten natuurlijke gedragen kunnen vertonen om
het dierenwelzijn te stimuleren vb. infanticide (jongen worden gedood meestal door alfamannetje)
Volledig gedragsrepertoire moet uitgeoefend kunnen worden
Opmerking: derde benadering stelt dat dierenwelzijn kan verbeteren door de natuur van dieren te
respecteren en hen meer natuurlijke gedragingen te laten uitvoeren maar NIET alle natuurlijke
gedragingen zijn gunstig, sommige wijzen op stressvolle omstandigheden.
- Vb. konijn: wegrennen voor predatoren, indringers aanvallen, haar recht zetten bij koude
omgevingen die deze gedragingen uitlokken eerder welzijn verminderend
Onderzoeksmethoden:
, - Bestuderen van gedrag van dieren in het wild en vergelijken met gelijkaardige dieren die in
gevangenschap leven
- Gedragsverschillen tonen tekortkomingen in de omgeving van de gevangenschap aan
- Wetenschappers hebben geprobeerd om omgevingen te ontwerpen die dieren toelaten hun
volledige gedragsrepertoire te vertonen. Vb. Stolba en Wood-Gush (1984) probeerden het
gedrag van varkens te bestuderen in grote parken en merkten op dat de dieren vaak
wroetten in de grond, tegen bomen schuurden en defeceerden op visueel afgeschermde
plaatsen. O.b.v. deze observaties ontwierpen ze een huisvestingssysteem met verschillende
gebieden waar al deze en andere gedragingen mogelijk waren.
Er zijn gedragingen die essentieel zijn voor dieren. Als ze die niet kunnen uitvoeren, lijden ze schade.
Deze worden “behavioural needs” genoemd, zoals wroeten bij varkens, slapen, legnest vinden en
vorm geven bij kippen en nestbouwgedrag bij zeugen.
HET 5 DOMEINEN MODEL
Het is een instrument om op een gestructureerde manier het welzijn van dieren in te schatten en
verschillende vormen van welzijnsaantasting te identificeren en in te schalen naar ernst.
5 domeinen: voeding, omgeving, gezondheid, gedrag en mentale toestand
Primaire doel van deze domeinen is het oplijsten van voorbeelden van interne toestanden of externe
omstandigheden waarmee dieren geconfronteerd worden en de daarmee gepaarde negatieve of
positieve affects
Sommige affects die worden veroorzaakt door sensorische inputs die buiten de directe menselijke
ervaring vallen, zijn niet gekend vb. echolocatie, ultrasone communicatie, detectie van
infraroodstraling, …
Positieve affectieve toestanden kunnen bekomen worden door dieren in stimulusrijke en veilige
omgevingen te plaatsen die genoeg ruimte bieden om gedragingen uit te voeren die dieren als
belonend ervaren
- Toegang tot geprefereerde plaatsen voor rusten
- Thermisch comfort en excretiegedragingen
- Variatie met optimale balans tussen voorspelbaarheid/controleerbaarheid en
nieuwigheid/onvoorspelbaarheid
- Bewegingsmogelijkheden
- Keuzes in omgeving m.b.t. exploratie- en foerageergedrag
- Variatie in voedsel met aantrekkelijke geuren, smaken en texturen
2 grote categorieën van negatieve affects:
- Survival-critical negative affects:
Kunnen meestal enkel tijdelijk geneutraliseerd worden door geschikte interventies
Vb. honger, dorst, pijn, misselijkheid, zwakheid, duizeligheid en benauwdheid
Deze survival-critical negative affects motiveren dieren tot bepaalde gedragingen die
helpen bij de overleving van het dier, zo zal een dier dat pijn ervaart weg bewegen van
een pijn uitlokkende stimulus of zal een dier dat honger heeft op zoek gaan naar voedsel
Door de gedragsaanpassingen zal de interne fysieke toestand van het dier veranderen en
zal de intensiteit van de negatieve affect verminderen
- Situation-related negative affects:
Kunnen vervangen worden door positieve affects wanneer dieren in situaties worden
gehouden waarbij ze gedragingen kunnen uitvoeren die ze als belonend ervaren
Vb. angst, vrees, paniek, frustratie, hulpeloosheid, eenzaamheid, verveling, depressie
Dieren voorzien van mogelijkheden om gedragingen uit te voeren die ze als belonend
ervaren, kan situatie gerelateerde negatieve affects vervangen door positieve ervaringen
, Deze gedragingen omvatten o.a. het exploreren naar voedsel, dier-dier interacties die
bijdragen aan de sociale binding tussen dieren, zorg voor jongen, spelgedrag
In 2020 werd 3e domein omgeving aangepast naar fysieke omgeving en 4 e domein gedrag aangepast
naar behavioural interactions
De items opgenomen in de domeinen duiden risicosituaties aan waarbij bepaalde negatieve affects en
welzijnsproblemen kunnen ontstaan. Hun aanwezigheid betekent niet noodzakelijk dat er een
welzijnsprobleem is vb. aanwezigheid scherpe structuren in verblijfplaats van dier duidt een
risicosituatie aan voor verwonding maar betekent niet dat het welzijn van het dier op dat moment
vermindert is door pijn.
WELZIJNSBEOORDELING
Om betrouwbare conclusies te trekken over dierenwelzijn is het belangrijk om meerdere indicatoren
tegelijk te gebruiken en niet te vertrouwen op 1 enkele paramater
Waar men vroeger vooral huisvestingsfactoren beoordeelde, verschuift de aandacht steeds meer naar
indicatoren die rechtstreeks aan het dier worden gemeten
Niet-diergebonden indicatoren:
- Resource based indicators: beschikbare ruimte per dier, aanwezigheid van stro of bedding
- Management based indicators: melkfrequentie, gebruik van pijnstillers bij ingrepen zoals
onthoornen
Diergebonden indicatoren:
- Fysiologische indicatoren
- Gedragsindicatoren
- Gezondheids- en productie indicatoren
WELZIJNSBEOORDELINGSPROTOCOLLEN
Welfare Quality project:
Project dat ontstaan is binnen de voedselproductieketen
° 2004
Gefinancieerd door EU
Vnl. Europese landen, nadien zijn Latijns-Amerikaanse landen er ook bijgekomen
Ontwikkelde protocollen voor pluimvee, varkens en rundvee
Doel: ontwikkelen van een methodologie om dierenwelzijn op bedrijven in te schatten en het vertalen
van deze info in een eenvoudig verstaanbaar labellingsysteem
Gebaseerd op 4 principes:
1. Good feeding
2. Good housing
3. Good health
4. Appropriate behaviour
Dierenwelzijn = de fysieke en mentale toestand van een dier, die bepaald wordt door de mate waarin aan zijn
natuurlijke behoeften wordt voldaan en de kwaliteit van de omgeving waarin het leeft. Een belangrijk kader
voor het beoordelen van dierenwelzijn zijn de 'vijf vrijheden', die stellen dat dieren vrij moeten zijn van honger
en dorst, ongemak, pijn, verwondingen en ziekte, angst en stress, en vrij moeten zijn om natuurlijk en
soorteigen gedrag te vertonen.
Dierenethiek = de filosofische en morele reflectie over de juiste en verantwoorde omgang met dieren, die
rekening houdt met hun intrinsieke waarde, lijdenscapaciteit en individuele eigenschappen, in plaats van hen
enkel te zien als middelen voor menselijk gebruik. Het onderzoekt welke plichten mensen hebben ten opzichte
van dieren en welke rechten dieren kunnen hebben, met een focus op het vermijden van lijden en het
respecteren van hun welzijn.
DENKKADERS OMTRENT DIERENWELZIJN.
DE 5 VRIJHEDEN
1. Vrijheid van dorst, honger en slechte voeding: door te voorzien in een directe toegang tot vers water
en een dieet om gezond en levenskrachtig te blijven
2. Vrijheid van ongemak: door een geschikte omgeving te voorzien met een schuilplaats en een
comfortabele rustplaats
3. Vrijheid van pijn, letsels en ziekte: door preventie of snelle diagnose en behandeling
4. Vrijheid van angst en distress: door te zorgen voor omstandigheden die mentaal lijden vermijden
5. Vrijheid om normaal gedrag te vertonen: door voldoende ruimte, geschikte faciliteiten en gezelschap
van soortgenoten te voorzien
De 5 vrijheden werden niet bedoeld als een definitie voor dierenwelzijn maar als een denkkader om na te
denken over dierenwelzijn en de sterke en zwakke punten van een dierhouderijsysteem in te schatten zodat
aan de zwakke punten verbeteringen konden worden aangebracht.
DE 3 BENADERINGEN
Welzijn en biologisch functioneren van dieren
Dierenwelzijn wordt gedefinieerd in termen van het normaal biologisch functioneren van een dier
Vermindert welzijn: ziekte, verwonding, ondervoeding, stress
Goed welzijn: goede groei, goede voortplanting, lang leven, normale functie van fysiologische en
gedragsprocessen
Goede productiviteit = goed welzijn MAAR mastitis/uierontsteking en osteoporosis/botontkalking
Volgens Fraser en Broom (1990) bestaat dierenwelzijn uit het vermogen van dieren om om te gaan
met hun complexe omgeving, die fysieke omstandigheden, sociale invloeden en bedreigingen omvat.
Wanneer dieren niet adequaat kunnen omgaan met deze factoren, vermindert hun fitheid, wat kan
leiden tot verminderde groei, reproductie of zelfs sterfte.
Biologische parameters zijn gemakkelijker te bepalen dan subjectieve ervaringen (wonden,
voedingstoestand ↔ pijn, honger)
Onderzoeksmethode:
- Pathologie (letsels identificeren), productiviteit (groei en voortplanting) bestuderen met
veronderstelling dat verminderd welzijn de productiviteit zal verminderen, veranderingen in
endocrien systeem en voorkomen van abnormaal gedrag
, - Vele studies richten zich op stress, vaak gemeten via secretie van glucocorticosteroïden vb.
cortisol
- Een probleem is dat het moeilijk is te onderscheiden of fysiologische veranderingen slechts
normale aanpassingen zijn of tekenen van verminderd welzijn
- Er is nood aan duidelijke criteria of drempelwaarden (bv. een langdurige stijging van >40% in
cortisol) om metingen te kunnen interpreteren als welzijnsproblemen
Welzijn en subjectieve ervaringen van dieren
De 2e benadering legt de nadruk op subjectieve ervaringen (affectieve toestanden) van dieren
Omdat dieren gevoelens en emoties kunnen ervaren, wordt hun welzijn bepaald door negatieve
gevoelens zoals pijn, angst, frustratie, honger en dorst, en door positieve gevoelens zoals comfort en
sociale interacties
Volgens deze visie staat dierenwelzijn dus vooral in het teken van het vermijden van lijden en het
bevorderen van positieve ervaringen
Bij eekhoorns kan men zien aan de beweging van de staart hoe die zich voelt, wanneer die
gefrustreerd is zal de staart wapperen (flagging)
Onderzoeksmethoden:
- Bestuderen van de voorkeuren van een dier (preferentietesten) en de sterkte van de motivatie
om bepaalde dingen te bekomen of te mijden (motivatietesten). Men gaat ervan uit dat dieren
datgene zullen kiezen wat het aangenaamst voor hen is en/of wat het minst pijn, angst, …
oplevert.
- Vocale en andere communicatieve signalen kunnen informatie verschaffen over de subjectieve
ervaringen van dieren vb. emergency calls biggen bij big onder zeug, isolatie, castratie, … Hoe
hoger nood/gevaar, hoe groter het aantal, volume en frequentie
- Voorkomen van abnormaal gedrag negatieve gevoelstoestand bv. pacing
Subjectieve ervaringen zijn belangrijk voor het dierenwelzijn, het is echter moeilijk deze
wetenschappelijk te bestuderen aangezien ze niet rechtstreeks geobserveerd kunnen worden
indirect meten vnl. door gedragsstudies
Overlap biologisch functioneren en subjectieve ervaringen visie:
Als aan een behoefte niet voldaan is, gaat dit vaak gepaard met een onaangename subjectieve
ervaring en omgekeerd
Vb. voedingstekort hebben ↔ honger ervaren
Vb. gewond zijn ↔ pijn ervaren
Dierenwelzijn heeft betrekking op de situatie van het dier, hoe het dier met de situatie omgaat en hoe
het dier dit ervaart
Welzijn en de ‘natuur’ van dieren
Dieren moeten leven in natuurlijke omgevingen en moeten natuurlijke gedragen kunnen vertonen om
het dierenwelzijn te stimuleren vb. infanticide (jongen worden gedood meestal door alfamannetje)
Volledig gedragsrepertoire moet uitgeoefend kunnen worden
Opmerking: derde benadering stelt dat dierenwelzijn kan verbeteren door de natuur van dieren te
respecteren en hen meer natuurlijke gedragingen te laten uitvoeren maar NIET alle natuurlijke
gedragingen zijn gunstig, sommige wijzen op stressvolle omstandigheden.
- Vb. konijn: wegrennen voor predatoren, indringers aanvallen, haar recht zetten bij koude
omgevingen die deze gedragingen uitlokken eerder welzijn verminderend
Onderzoeksmethoden:
, - Bestuderen van gedrag van dieren in het wild en vergelijken met gelijkaardige dieren die in
gevangenschap leven
- Gedragsverschillen tonen tekortkomingen in de omgeving van de gevangenschap aan
- Wetenschappers hebben geprobeerd om omgevingen te ontwerpen die dieren toelaten hun
volledige gedragsrepertoire te vertonen. Vb. Stolba en Wood-Gush (1984) probeerden het
gedrag van varkens te bestuderen in grote parken en merkten op dat de dieren vaak
wroetten in de grond, tegen bomen schuurden en defeceerden op visueel afgeschermde
plaatsen. O.b.v. deze observaties ontwierpen ze een huisvestingssysteem met verschillende
gebieden waar al deze en andere gedragingen mogelijk waren.
Er zijn gedragingen die essentieel zijn voor dieren. Als ze die niet kunnen uitvoeren, lijden ze schade.
Deze worden “behavioural needs” genoemd, zoals wroeten bij varkens, slapen, legnest vinden en
vorm geven bij kippen en nestbouwgedrag bij zeugen.
HET 5 DOMEINEN MODEL
Het is een instrument om op een gestructureerde manier het welzijn van dieren in te schatten en
verschillende vormen van welzijnsaantasting te identificeren en in te schalen naar ernst.
5 domeinen: voeding, omgeving, gezondheid, gedrag en mentale toestand
Primaire doel van deze domeinen is het oplijsten van voorbeelden van interne toestanden of externe
omstandigheden waarmee dieren geconfronteerd worden en de daarmee gepaarde negatieve of
positieve affects
Sommige affects die worden veroorzaakt door sensorische inputs die buiten de directe menselijke
ervaring vallen, zijn niet gekend vb. echolocatie, ultrasone communicatie, detectie van
infraroodstraling, …
Positieve affectieve toestanden kunnen bekomen worden door dieren in stimulusrijke en veilige
omgevingen te plaatsen die genoeg ruimte bieden om gedragingen uit te voeren die dieren als
belonend ervaren
- Toegang tot geprefereerde plaatsen voor rusten
- Thermisch comfort en excretiegedragingen
- Variatie met optimale balans tussen voorspelbaarheid/controleerbaarheid en
nieuwigheid/onvoorspelbaarheid
- Bewegingsmogelijkheden
- Keuzes in omgeving m.b.t. exploratie- en foerageergedrag
- Variatie in voedsel met aantrekkelijke geuren, smaken en texturen
2 grote categorieën van negatieve affects:
- Survival-critical negative affects:
Kunnen meestal enkel tijdelijk geneutraliseerd worden door geschikte interventies
Vb. honger, dorst, pijn, misselijkheid, zwakheid, duizeligheid en benauwdheid
Deze survival-critical negative affects motiveren dieren tot bepaalde gedragingen die
helpen bij de overleving van het dier, zo zal een dier dat pijn ervaart weg bewegen van
een pijn uitlokkende stimulus of zal een dier dat honger heeft op zoek gaan naar voedsel
Door de gedragsaanpassingen zal de interne fysieke toestand van het dier veranderen en
zal de intensiteit van de negatieve affect verminderen
- Situation-related negative affects:
Kunnen vervangen worden door positieve affects wanneer dieren in situaties worden
gehouden waarbij ze gedragingen kunnen uitvoeren die ze als belonend ervaren
Vb. angst, vrees, paniek, frustratie, hulpeloosheid, eenzaamheid, verveling, depressie
Dieren voorzien van mogelijkheden om gedragingen uit te voeren die ze als belonend
ervaren, kan situatie gerelateerde negatieve affects vervangen door positieve ervaringen
, Deze gedragingen omvatten o.a. het exploreren naar voedsel, dier-dier interacties die
bijdragen aan de sociale binding tussen dieren, zorg voor jongen, spelgedrag
In 2020 werd 3e domein omgeving aangepast naar fysieke omgeving en 4 e domein gedrag aangepast
naar behavioural interactions
De items opgenomen in de domeinen duiden risicosituaties aan waarbij bepaalde negatieve affects en
welzijnsproblemen kunnen ontstaan. Hun aanwezigheid betekent niet noodzakelijk dat er een
welzijnsprobleem is vb. aanwezigheid scherpe structuren in verblijfplaats van dier duidt een
risicosituatie aan voor verwonding maar betekent niet dat het welzijn van het dier op dat moment
vermindert is door pijn.
WELZIJNSBEOORDELING
Om betrouwbare conclusies te trekken over dierenwelzijn is het belangrijk om meerdere indicatoren
tegelijk te gebruiken en niet te vertrouwen op 1 enkele paramater
Waar men vroeger vooral huisvestingsfactoren beoordeelde, verschuift de aandacht steeds meer naar
indicatoren die rechtstreeks aan het dier worden gemeten
Niet-diergebonden indicatoren:
- Resource based indicators: beschikbare ruimte per dier, aanwezigheid van stro of bedding
- Management based indicators: melkfrequentie, gebruik van pijnstillers bij ingrepen zoals
onthoornen
Diergebonden indicatoren:
- Fysiologische indicatoren
- Gedragsindicatoren
- Gezondheids- en productie indicatoren
WELZIJNSBEOORDELINGSPROTOCOLLEN
Welfare Quality project:
Project dat ontstaan is binnen de voedselproductieketen
° 2004
Gefinancieerd door EU
Vnl. Europese landen, nadien zijn Latijns-Amerikaanse landen er ook bijgekomen
Ontwikkelde protocollen voor pluimvee, varkens en rundvee
Doel: ontwikkelen van een methodologie om dierenwelzijn op bedrijven in te schatten en het vertalen
van deze info in een eenvoudig verstaanbaar labellingsysteem
Gebaseerd op 4 principes:
1. Good feeding
2. Good housing
3. Good health
4. Appropriate behaviour