Sociologie
Sociologie is ontstaan in de 17e-18e eeuw (verlichting)
↪ Franse & industriële revolutie zorgde tot behoefte aan grote veranderingen (mensen
gingen kijken naar de samenleving als geheel) → modernisering
Bij sociologie wordt de geschiedenis gebruikt om de huidige samenleving te verklaren en om de
toekomst te bestuderen.
- in gedrag van mensen bepaalde algemene patronen ontdekken
- op zoek naar algemene regels waar mensen aan voldoen binnen samenleving
- wetenschappelijke manier stereotyperen
Moderniseringsproces (snappen waar het vandaan komt)
1. Het ongelijkheidsvraagstuk : Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk?
2. Het orde-of cohesievraagstuk : Hoe is sociale (wan)orde mogelijk?
3. Het identiteitsvraagstuk : Hoe werkt het proces van modernisering van de wereld?
Deze hoofdvraag beantwoorden → belangrijkste sociologische perspectieven
1. conflicttheorie : Kijkt naar de samenleving als arenda van ongelijkheid (macro)
2. Structureel functionalisme : Kijkt naar de samenleving als systeem - functie (macro)
3. Symbolisch interactionisme : Kijkt naar de samenleving als geheel van sociale interacties -
individu (micro)
_________________________________________________________________________________
Socialisatie begint vanaf kinds af aan, later kun je niet alles nog leren (zelfbeheersing)
↪ vanaf 20e eeuw belang van sociale omgeving meer erkend : gedrag is niet instinctief
maar ook aangeleerd
Socialisatie zou een levenslang proces zijn waarin men sociale ervaringen op doet en de cultuur
eigen maakt.
Cultuuroverdracht
Hoe? → imitatie en dwang (bepaalde voorspelbaarheid maar ook vernieuwing →
ontwikkeling)
Wat? → gender, religie, leefstijl etniciteit.. allemaal aangeleerd
Waarom? → erbij horen, je aanpassen
Want? → als jij het gedrag van anderen niet kan voorspellen leef je in onzekerheid
Theorieën socialisatie
1. Freud - persoonlijkheid
Biologische driften es (menselijke driften) en superego (verworven maatschappelijke normen en
waarden) waarbij ego zorgt voor een compromis
2. Piagets - cognitieve ontwikkeling
In iedere fase komt de mens iets verder en bij ieder stadium hoort bepaald sociaal gedrag (abstract
leren denken)
3. Mead - het sociale zelf !zelf invloed op!
Persoonlijkheid is het resultaat van sociale ervaringen
> significante anderen (kijk je naar jezelf om te bepalen
> ge-generaliseerde anderen (hoe jij denkt dat anderen zullen denken, op aanpassen)
, 4. Erikson - ontwikkelingsfasen
Bij elke fase bepaald aangeleerd gedrag
- vertrouwen (zuigelingen)
- autonomie (opgroeiende kinderen)
- identiteit (adolescenten)
- intimiteit (volwassen)
Socialiseringsproces
1. primaire socialisatie (gezin)
2. secundaire socialisatie (school, peer-group, religie, werk)
3. tertiaire socialisatie (sociale media)
Socialisering nu en toen
Nu meer fasen, omdat : geen school, nu meer kennis hoe we in elkaar zitten, andere verwachtingen
agrarische samenleving
kind - volwassen - bejaarde
industriële samenleving
baby - kind - adolescenten - jongvolwassen - middelbare leeftijd - ouderen
Sociale status → rollen
● sociale status : de sociale positie die een individu inneemt
● rol : het gedrag dat we van een status verwachten
● rolconflict : spanning tussen meerdere statusposities
Aanleren om je naar bepaalde rollen te gedragen
Sociale constructie werkelijkheid
Subjectieve beleving is niet hetzelfde als wat objectief het geval is
● etnomethodologie : het onderzoeken van de sociale constructie van de werkelijkheid binnen
de samenleving
Het bekijken van een cultuur vanuit het eigen standpunt of dat van de ander
- etnocentrisme
- cultuurrelativisme
Sociale groepen
- primaire groepen : persoonsgericht
- secundaire groepen : doelgericht
- ingroup versus outgroup
- groupthink versus sociale diversiteit
_________________________________________________________________________________
Deviantie en deviant gedrag
Gedrag dat afwijkt van geldende culturele normen (orde-of cohesievraagstuk) Benadrukt de functie die een
samenleving heeft om voort te bestaan, als we iets raar vinden iedereen (verbinding!)
negatief → als de sociale orde erdoor wordt geschaad (criminaliteit)
neutraal → apart gedragen, verder geen mening (klassieke dorpsgek)
positief → mensen die zich positief onderscheiden kunnen bijdrage aan sociale orde
(vrijwilligers)
Sociologie is ontstaan in de 17e-18e eeuw (verlichting)
↪ Franse & industriële revolutie zorgde tot behoefte aan grote veranderingen (mensen
gingen kijken naar de samenleving als geheel) → modernisering
Bij sociologie wordt de geschiedenis gebruikt om de huidige samenleving te verklaren en om de
toekomst te bestuderen.
- in gedrag van mensen bepaalde algemene patronen ontdekken
- op zoek naar algemene regels waar mensen aan voldoen binnen samenleving
- wetenschappelijke manier stereotyperen
Moderniseringsproces (snappen waar het vandaan komt)
1. Het ongelijkheidsvraagstuk : Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk?
2. Het orde-of cohesievraagstuk : Hoe is sociale (wan)orde mogelijk?
3. Het identiteitsvraagstuk : Hoe werkt het proces van modernisering van de wereld?
Deze hoofdvraag beantwoorden → belangrijkste sociologische perspectieven
1. conflicttheorie : Kijkt naar de samenleving als arenda van ongelijkheid (macro)
2. Structureel functionalisme : Kijkt naar de samenleving als systeem - functie (macro)
3. Symbolisch interactionisme : Kijkt naar de samenleving als geheel van sociale interacties -
individu (micro)
_________________________________________________________________________________
Socialisatie begint vanaf kinds af aan, later kun je niet alles nog leren (zelfbeheersing)
↪ vanaf 20e eeuw belang van sociale omgeving meer erkend : gedrag is niet instinctief
maar ook aangeleerd
Socialisatie zou een levenslang proces zijn waarin men sociale ervaringen op doet en de cultuur
eigen maakt.
Cultuuroverdracht
Hoe? → imitatie en dwang (bepaalde voorspelbaarheid maar ook vernieuwing →
ontwikkeling)
Wat? → gender, religie, leefstijl etniciteit.. allemaal aangeleerd
Waarom? → erbij horen, je aanpassen
Want? → als jij het gedrag van anderen niet kan voorspellen leef je in onzekerheid
Theorieën socialisatie
1. Freud - persoonlijkheid
Biologische driften es (menselijke driften) en superego (verworven maatschappelijke normen en
waarden) waarbij ego zorgt voor een compromis
2. Piagets - cognitieve ontwikkeling
In iedere fase komt de mens iets verder en bij ieder stadium hoort bepaald sociaal gedrag (abstract
leren denken)
3. Mead - het sociale zelf !zelf invloed op!
Persoonlijkheid is het resultaat van sociale ervaringen
> significante anderen (kijk je naar jezelf om te bepalen
> ge-generaliseerde anderen (hoe jij denkt dat anderen zullen denken, op aanpassen)
, 4. Erikson - ontwikkelingsfasen
Bij elke fase bepaald aangeleerd gedrag
- vertrouwen (zuigelingen)
- autonomie (opgroeiende kinderen)
- identiteit (adolescenten)
- intimiteit (volwassen)
Socialiseringsproces
1. primaire socialisatie (gezin)
2. secundaire socialisatie (school, peer-group, religie, werk)
3. tertiaire socialisatie (sociale media)
Socialisering nu en toen
Nu meer fasen, omdat : geen school, nu meer kennis hoe we in elkaar zitten, andere verwachtingen
agrarische samenleving
kind - volwassen - bejaarde
industriële samenleving
baby - kind - adolescenten - jongvolwassen - middelbare leeftijd - ouderen
Sociale status → rollen
● sociale status : de sociale positie die een individu inneemt
● rol : het gedrag dat we van een status verwachten
● rolconflict : spanning tussen meerdere statusposities
Aanleren om je naar bepaalde rollen te gedragen
Sociale constructie werkelijkheid
Subjectieve beleving is niet hetzelfde als wat objectief het geval is
● etnomethodologie : het onderzoeken van de sociale constructie van de werkelijkheid binnen
de samenleving
Het bekijken van een cultuur vanuit het eigen standpunt of dat van de ander
- etnocentrisme
- cultuurrelativisme
Sociale groepen
- primaire groepen : persoonsgericht
- secundaire groepen : doelgericht
- ingroup versus outgroup
- groupthink versus sociale diversiteit
_________________________________________________________________________________
Deviantie en deviant gedrag
Gedrag dat afwijkt van geldende culturele normen (orde-of cohesievraagstuk) Benadrukt de functie die een
samenleving heeft om voort te bestaan, als we iets raar vinden iedereen (verbinding!)
negatief → als de sociale orde erdoor wordt geschaad (criminaliteit)
neutraal → apart gedragen, verder geen mening (klassieke dorpsgek)
positief → mensen die zich positief onderscheiden kunnen bijdrage aan sociale orde
(vrijwilligers)