SAMENVATTING POLITIEK &
ACTUALITEIT
2de Bachelor Communicatie
Inhoudsopgave
1
,1. De kenmerken van het ancien regime..........................................................3
1.1 De grote aanwezigheid van geweld...........................................................................3
1.1.1 Het criminele geweld & onmenselijke folteringen................................................4
1.1.2 Het katholiek-religieuze geweld tov heidenen of de “ongelovigen”.....................4
1.1.3 Het religieuze geweld tegenover Joden...............................................................5
1.2 De standenmaatschappij...........................................................................................7
1.2.1 De bevoorrechte groepen/ standen.....................................................................8
2. Het humanisme: (De Moderne Tijden 1450-1648).........................................9
3. De overgangsperiode van het Ancien REGIME naar de Hedendaagse Tijd
(1648-1789)................................................................................................. 11
3.1 Het overwicht vd wereldlijke op de kerkelijke macht & de doorbraak vh vorstelijk
absolutisme................................................................................................................... 11
3.2 Mercantilisme Vrijemarkteconomie.........................................................................13
3.3 Levensbeschouwelijk pluralisme & neutraliteit: actief passief pluralisme ...............15
4. De Hedendaagse Tijd (1789- )...................................................................17
4.1 De kenmerken van de rechtstaat.............................................................................17
4.1.1 Het natuurlijke recht op individuele vrijheid......................................................17
4.1.2 Vrijheid van meningsuiting................................................................................18
4.2 Kenmerken van het Nationalisme............................................................................19
4.2.1 verband andere ideologieën, levensbeschouwingen & denkrichtingen..............19
4.2.2 Populisme.......................................................................................................... 19
4.2.3 Bevrijdend vs onderdrukkend nationalisme.......................................................20
4.2.4 Natie, staat & zelfbestuur..................................................................................20
4.3 Een maatschappij in beweging................................................................................21
4.3.1 De expansiewetten: Vlaanderen haalt Wallonië in.............................................21
4.3.2 Een culturele revolutie.......................................................................................23
4.3.3 De maatschappelijke en sociale ontwikkelingen in de jaren 1960-1970............24
4.4 Ministerraad, kernkabinet, staatsecretarissen.........................................................26
5. De werking van de Belgische Parlementaire Democratie.............................26
5.1 De taken van de wetgevende macht.......................................................................27
5.1.1 Het nemen van wetgevende initiatieven...........................................................27
5.1.2 De eindstemming.............................................................................................. 28
5.1.3 De controle op de uitvoerende macht...............................................................28
5.2 De taken van de uitvoerende macht........................................................................29
5.2.1 wetten uitvoeren............................................................................................... 29
5.2.2 Dagelijks bestuur............................................................................................... 30
5.2.3 Het algemeen beleid.......................................................................................... 30
5.2.4 Het beheren van openbare diensten.................................................................30
5.2.5 Het opstellen van een begroting (zeer belangrijk).............................................31
2
, 5.2.6 Indienen van wetsontwerpen in het parlement..................................................31
5.3 De vijf alternatieve vormen van inspraak op het lokale niveau...............................32
1. DE KENMERKEN VAN HET ANCIEN REGIME
1.1 DE GROTE AANWEZIGHEID VAN GEWELD
3
, Wanneer viel het Ancien Regime?
ca. 1500 – 1789 (Franse Revolutie) hierna begin hedendaagse tijd.
1.1.1 HET CRIMINELE GEWELD & ONMENSELIJKE FOLTERINGEN
De late middeleeuwen kenden een grote aanwezigheid van geweld.
oog om oog, tand om tand
De manier waarop men mensen strafte waren onmenselijke folteringen.
Hoe komt het dat de late middeleeuwen zo’n grote aanwezigheid van
geweld kenden?
1. Er bestonden geen wetboeken, men neemt het heft in eigen handen
2. In steden waren er familieclans die met elkaar op gewelddadige wijze in conflict
gingen
Buiten de steden waren er roverbendes
Wat is een anarchie?
Een staat waarin het geweld niet bedwongen. De staat kan de burger hier geen
veiligheid garanderen.
Bij ons heeft de staat een monopolie op geweld.
1.1.2 HET KATHOLIEK-RELIGIEUZE GEWELD TOV HEIDENEN OF DE
“ONGELOVIGEN”
Wat is een katholieke staat?
Een staat waarin er geen scheiding is tussen kerk & staat, er is 1
staatsgodsdienst, het Katholicisme.
Het hoofd van die staat = katholieke vorst die beleid voert obv. de katholieke
kerk.
Geen godsdienstvrijheid.
Mensen met een andere godsdienst worden gestraft
Wat was de inquisitie?
Een soort kerkelijke rechtbank die mensen die ‘dwaalden’ opspoorden
(andersgelovigen).
Deze mensen konden liegen en geluk hebben dat ze je geloofden, maar als je
bleef vasthouden aan je overtuiging werd je zwaar gefolterd of zelf omgebracht.
Hoe zat het met de wetten en verplichtingen in zo’n katholieke staat?
Die werden ‘zogezegd’ gebaseerd op de Bijbel. De Bijbel was zeg maar het
wetboek.
Wanneer kwam de godsdienstvrijheid in België?
1831.
Wie waren de 2 grote vijanden van de katholieke kerk in de late
middeleeuwen?
4
ACTUALITEIT
2de Bachelor Communicatie
Inhoudsopgave
1
,1. De kenmerken van het ancien regime..........................................................3
1.1 De grote aanwezigheid van geweld...........................................................................3
1.1.1 Het criminele geweld & onmenselijke folteringen................................................4
1.1.2 Het katholiek-religieuze geweld tov heidenen of de “ongelovigen”.....................4
1.1.3 Het religieuze geweld tegenover Joden...............................................................5
1.2 De standenmaatschappij...........................................................................................7
1.2.1 De bevoorrechte groepen/ standen.....................................................................8
2. Het humanisme: (De Moderne Tijden 1450-1648).........................................9
3. De overgangsperiode van het Ancien REGIME naar de Hedendaagse Tijd
(1648-1789)................................................................................................. 11
3.1 Het overwicht vd wereldlijke op de kerkelijke macht & de doorbraak vh vorstelijk
absolutisme................................................................................................................... 11
3.2 Mercantilisme Vrijemarkteconomie.........................................................................13
3.3 Levensbeschouwelijk pluralisme & neutraliteit: actief passief pluralisme ...............15
4. De Hedendaagse Tijd (1789- )...................................................................17
4.1 De kenmerken van de rechtstaat.............................................................................17
4.1.1 Het natuurlijke recht op individuele vrijheid......................................................17
4.1.2 Vrijheid van meningsuiting................................................................................18
4.2 Kenmerken van het Nationalisme............................................................................19
4.2.1 verband andere ideologieën, levensbeschouwingen & denkrichtingen..............19
4.2.2 Populisme.......................................................................................................... 19
4.2.3 Bevrijdend vs onderdrukkend nationalisme.......................................................20
4.2.4 Natie, staat & zelfbestuur..................................................................................20
4.3 Een maatschappij in beweging................................................................................21
4.3.1 De expansiewetten: Vlaanderen haalt Wallonië in.............................................21
4.3.2 Een culturele revolutie.......................................................................................23
4.3.3 De maatschappelijke en sociale ontwikkelingen in de jaren 1960-1970............24
4.4 Ministerraad, kernkabinet, staatsecretarissen.........................................................26
5. De werking van de Belgische Parlementaire Democratie.............................26
5.1 De taken van de wetgevende macht.......................................................................27
5.1.1 Het nemen van wetgevende initiatieven...........................................................27
5.1.2 De eindstemming.............................................................................................. 28
5.1.3 De controle op de uitvoerende macht...............................................................28
5.2 De taken van de uitvoerende macht........................................................................29
5.2.1 wetten uitvoeren............................................................................................... 29
5.2.2 Dagelijks bestuur............................................................................................... 30
5.2.3 Het algemeen beleid.......................................................................................... 30
5.2.4 Het beheren van openbare diensten.................................................................30
5.2.5 Het opstellen van een begroting (zeer belangrijk).............................................31
2
, 5.2.6 Indienen van wetsontwerpen in het parlement..................................................31
5.3 De vijf alternatieve vormen van inspraak op het lokale niveau...............................32
1. DE KENMERKEN VAN HET ANCIEN REGIME
1.1 DE GROTE AANWEZIGHEID VAN GEWELD
3
, Wanneer viel het Ancien Regime?
ca. 1500 – 1789 (Franse Revolutie) hierna begin hedendaagse tijd.
1.1.1 HET CRIMINELE GEWELD & ONMENSELIJKE FOLTERINGEN
De late middeleeuwen kenden een grote aanwezigheid van geweld.
oog om oog, tand om tand
De manier waarop men mensen strafte waren onmenselijke folteringen.
Hoe komt het dat de late middeleeuwen zo’n grote aanwezigheid van
geweld kenden?
1. Er bestonden geen wetboeken, men neemt het heft in eigen handen
2. In steden waren er familieclans die met elkaar op gewelddadige wijze in conflict
gingen
Buiten de steden waren er roverbendes
Wat is een anarchie?
Een staat waarin het geweld niet bedwongen. De staat kan de burger hier geen
veiligheid garanderen.
Bij ons heeft de staat een monopolie op geweld.
1.1.2 HET KATHOLIEK-RELIGIEUZE GEWELD TOV HEIDENEN OF DE
“ONGELOVIGEN”
Wat is een katholieke staat?
Een staat waarin er geen scheiding is tussen kerk & staat, er is 1
staatsgodsdienst, het Katholicisme.
Het hoofd van die staat = katholieke vorst die beleid voert obv. de katholieke
kerk.
Geen godsdienstvrijheid.
Mensen met een andere godsdienst worden gestraft
Wat was de inquisitie?
Een soort kerkelijke rechtbank die mensen die ‘dwaalden’ opspoorden
(andersgelovigen).
Deze mensen konden liegen en geluk hebben dat ze je geloofden, maar als je
bleef vasthouden aan je overtuiging werd je zwaar gefolterd of zelf omgebracht.
Hoe zat het met de wetten en verplichtingen in zo’n katholieke staat?
Die werden ‘zogezegd’ gebaseerd op de Bijbel. De Bijbel was zeg maar het
wetboek.
Wanneer kwam de godsdienstvrijheid in België?
1831.
Wie waren de 2 grote vijanden van de katholieke kerk in de late
middeleeuwen?
4