Jeugd en sociale ontwikkeling
College week 2
Sociale ontwikkeling “thuis”:
Dit gaat specifiek over ouders:
De focus ligt op ouders omdat:
- Biologische relatie tussen ouder en kind betekent dat ouders en
kinderen hun biologische band niet kunnen verbreken. Sociale
banden kunnen wel verbroken worden, maar zij blijven ten alle tijden
biologisch verbonden.
- Maatschappelijke verwachting dat ouders voor hun kinderen zorgen.
o In sommige communities is dit een verantwoordelijkheid bij de
hele familie, maar over het algemeen ligt dit bij de ouders.
- Ouders hebben er zelf ook iets aan om hun kinderen goed op te
voeden, omdat het samenleven dan makkelijker is.
- Ouders hebben de controle over met wie het kind omgaat en door
wie het kind beïnvloed wordt. Zij zijn de socializing agents.
Maar; wat is een goede opvoeding uberhaubt?
Grusec & Davidoff (2015): strategieën die ouders toepassen, zoals hun
macht laten zien, iets uitleggen of onderhandelen, hangen af van het doel
(gehoorzaamheid, harmonie in de ouder-kind relatie) en de context
(domains).
De context en het doel bepalen wat een goede opvoeding is.
Hoe beïnvloeden ouders de sociale ontwikkeling?
Opdracht: zoek in het hoofdstuk van grusec en davidoff naar
voorbeelden van hoe ouders en opvoeding de sociale aspecten
van ontwikkeling beïnvloeden. We gaan ze in de bijeenkomst
bespreken.
Bijvoorbeeld: emotieregulatie.
Emotieregulatie = interne en externe processen die het voorkomen, de
intensiteit en de expressie van emoties initiëren, onderhouden en
moduleren.
Interne processen: aan emoties gerelateerde cognities (“hoe denk ik
over een bepaalde emotie”), aandacht verplaatsen, controle over
lichamelijke reacties hebben (bijvoorbeeld rood worden als je je
schaamt).
, Externe processen: regulatie door anderen bijvoorbeeld door de
context te veranderen (ouder neemt kind mee naar huis na spelen
met een vriendin).
Goede emotieregulatie betekent dat iemand in staat is om op een sociaal
gepaste, adaptieve en flexibele manier op emotionele ervaringen te
reageren. Stel iemand zegt iets gemeens tegen mij, ik word vervolgens
heel boos, andere mensen denken dan dat ik geen goede emotieregulatie
heb.
Emotieregulatie wordt gemeten door:
- Observaties: coderen van emotionele uitdrukkingen tijdens taken die
(stressvolle) sociale interacties simuleren (voorbeeld: Trier social
stress test).
- Ecological momentary assessment: meerdere keren per dag een
korte vragenlijst via de telefoon.
- Lichamelijke metingen: hartslagvariabiliteit, fMRI met emotionele
stimuli, cortisolgehalte.
Waarom is emotieregulering belangrijk:
- Problemen in de emotieregulatie zijn gerelateerd aan internaliserend
en externaliserend gedrag. (Dus slechte emotieregulatie kan
voorspeller van slechte andere gedragingen zijn)
- Jongeren die in staat zijn hun emoties goed te reguleren, worden als
sociaal competenter beschouwd.
Welke rol spelen ouders bij emotieregulatie:
Adjustment en emotieregulatie = ouders hebben hier invloed op doordat:
- Kinderen observeren hun ouders. Zij zien hoe ouders met emoties
omgaan, vervolgens bootsen zij dit gedrag na.
- Parenting practices, de reacties van ouders op de emoties van
hunzelf, maar ook van hun kind.
, - Emotional climate of the family -> de relatie tussen beide ouders,
gekenmerkt door over emoties praten of worden emoties belachelijk
gemaakt?
Daarnaast wordt alles ook beïnvloed door het kind. Stel je hebt een heel
onrustig kind, dan pas jij je opvoedstijl hierop aan.
Discussievragen: hoe zou jij herkennen of een kind goed of slecht
in staat is om zijn/haar emoties te reguleren? En hoe helpen we
gezinnen waarin men moeite heeft met emotieregulatie?
Hoe beïnvloeden ouders de sociale ontwikkeling? (2)
Ouders en opvoeding hebben een levenslange invloed op de sociale
ontwikkeling en de sociale vaardigheden en gedrag
Hechtingstheorie en relatiesjablonen
o Jongeren die een negatieve ouder-kind relatie hebben ervaren,
later problemen ervaren met vriendschappen en romantische
relaties.
Spillover van ouder-kind relatie naar relatie met leeftijdsgenoten
o Dit is een langetermijneffect, stel jij bent boos op je ouders,
maar uit dit niet thuis, maar uit dit op je vrienden.
Intergenerationele continuïteit.
Relatiesjablonen en spill-over: kinderen generaliseren ervaringen met
ouders naar bredere representaties van ‘het zelf’ en de sociale omgeving,
inclusief vertrouwen in anderen.
Negatieve, koud, dubbelzinnige of grillige ouder-kind interacties
resulteren in interpersoonlijke problemen en onaangepastheid bij het
kind
Kwaliteit van ouder-kind relaties is gerelateerd aan kwaliteit van
relaties met leeftijdsgenoten in de adolescentie en met partners
tijdens de volwassenheid
Intergenerationele continuïteit:
Ouders voeden hun kinderen op een manier op die vergelijkbaar is
met wat ze zelf hebben meegemaakt tijdens het opgroeien.
Verschillende mechanismes zijn hier mogelijk:
,
opvoeding wordt direct geleerd als kind, dit kind past dit later toe als
ouder.
Kenmerken van het kind voegen dingen toe aan de opvoeding van
de ouders.
Mijn kenmerken hebben invloed op de relatie met mijn ouders, maar
ook met mijn kinderen.
Discussievraag 2: hoe kunnen we interegenerationele overdracht
van opvoedgedrag goed onderzoeken? Wat zal de
intergenerationele overdracht bevorderen? Wat zal overdracht in
de weg staan? Zie je zelf sociale eigenschappen of
gedragspatronen die je hebt overgenomen van je ouders?
Broers en zussen:
De meeste kinderen in de wereld groeien op met 1 zus of broer. Dit geldt
ook voor kinderen in Nederland.
Hoe beïnvloeden zussen en broers de sociale ontwikkeling?
- Socialisatie meer horizontaal dan van ouders; brug tussen familie en
buitenwereld, van blijvend belang over de levensloop. Dit vanwege
het feit dat ze vaak dezelfde leeftijd hebben, kinderen kunnen zo
hun sociale kant oefenen
Kindheid:
- Oudere broers en zussen helpen en sturen hun jongere broers en
zussen en leren daar zelf ook van. Denk aan Vygotsky en de zone
van naaste ontwikkeling. Dus zowel de jongere als oudere brusjes
leren van het met elkaar omgaan.
- Theory of mind gevorderd bij kinderen met broers en zusjes van
dezelfde leeftijd.
Adolescentie:
- Onderzoek richt zich vooral op ‘sibling contagion’ en ‘partners in
crime’: matige tot sterke correlaties voor delinquentie,
middelengebruik en het nemen van seksuele risico’s. Dit zijn dus
vooral negatieve consequenties.
Jongvolwassenheid:
College week 2
Sociale ontwikkeling “thuis”:
Dit gaat specifiek over ouders:
De focus ligt op ouders omdat:
- Biologische relatie tussen ouder en kind betekent dat ouders en
kinderen hun biologische band niet kunnen verbreken. Sociale
banden kunnen wel verbroken worden, maar zij blijven ten alle tijden
biologisch verbonden.
- Maatschappelijke verwachting dat ouders voor hun kinderen zorgen.
o In sommige communities is dit een verantwoordelijkheid bij de
hele familie, maar over het algemeen ligt dit bij de ouders.
- Ouders hebben er zelf ook iets aan om hun kinderen goed op te
voeden, omdat het samenleven dan makkelijker is.
- Ouders hebben de controle over met wie het kind omgaat en door
wie het kind beïnvloed wordt. Zij zijn de socializing agents.
Maar; wat is een goede opvoeding uberhaubt?
Grusec & Davidoff (2015): strategieën die ouders toepassen, zoals hun
macht laten zien, iets uitleggen of onderhandelen, hangen af van het doel
(gehoorzaamheid, harmonie in de ouder-kind relatie) en de context
(domains).
De context en het doel bepalen wat een goede opvoeding is.
Hoe beïnvloeden ouders de sociale ontwikkeling?
Opdracht: zoek in het hoofdstuk van grusec en davidoff naar
voorbeelden van hoe ouders en opvoeding de sociale aspecten
van ontwikkeling beïnvloeden. We gaan ze in de bijeenkomst
bespreken.
Bijvoorbeeld: emotieregulatie.
Emotieregulatie = interne en externe processen die het voorkomen, de
intensiteit en de expressie van emoties initiëren, onderhouden en
moduleren.
Interne processen: aan emoties gerelateerde cognities (“hoe denk ik
over een bepaalde emotie”), aandacht verplaatsen, controle over
lichamelijke reacties hebben (bijvoorbeeld rood worden als je je
schaamt).
, Externe processen: regulatie door anderen bijvoorbeeld door de
context te veranderen (ouder neemt kind mee naar huis na spelen
met een vriendin).
Goede emotieregulatie betekent dat iemand in staat is om op een sociaal
gepaste, adaptieve en flexibele manier op emotionele ervaringen te
reageren. Stel iemand zegt iets gemeens tegen mij, ik word vervolgens
heel boos, andere mensen denken dan dat ik geen goede emotieregulatie
heb.
Emotieregulatie wordt gemeten door:
- Observaties: coderen van emotionele uitdrukkingen tijdens taken die
(stressvolle) sociale interacties simuleren (voorbeeld: Trier social
stress test).
- Ecological momentary assessment: meerdere keren per dag een
korte vragenlijst via de telefoon.
- Lichamelijke metingen: hartslagvariabiliteit, fMRI met emotionele
stimuli, cortisolgehalte.
Waarom is emotieregulering belangrijk:
- Problemen in de emotieregulatie zijn gerelateerd aan internaliserend
en externaliserend gedrag. (Dus slechte emotieregulatie kan
voorspeller van slechte andere gedragingen zijn)
- Jongeren die in staat zijn hun emoties goed te reguleren, worden als
sociaal competenter beschouwd.
Welke rol spelen ouders bij emotieregulatie:
Adjustment en emotieregulatie = ouders hebben hier invloed op doordat:
- Kinderen observeren hun ouders. Zij zien hoe ouders met emoties
omgaan, vervolgens bootsen zij dit gedrag na.
- Parenting practices, de reacties van ouders op de emoties van
hunzelf, maar ook van hun kind.
, - Emotional climate of the family -> de relatie tussen beide ouders,
gekenmerkt door over emoties praten of worden emoties belachelijk
gemaakt?
Daarnaast wordt alles ook beïnvloed door het kind. Stel je hebt een heel
onrustig kind, dan pas jij je opvoedstijl hierop aan.
Discussievragen: hoe zou jij herkennen of een kind goed of slecht
in staat is om zijn/haar emoties te reguleren? En hoe helpen we
gezinnen waarin men moeite heeft met emotieregulatie?
Hoe beïnvloeden ouders de sociale ontwikkeling? (2)
Ouders en opvoeding hebben een levenslange invloed op de sociale
ontwikkeling en de sociale vaardigheden en gedrag
Hechtingstheorie en relatiesjablonen
o Jongeren die een negatieve ouder-kind relatie hebben ervaren,
later problemen ervaren met vriendschappen en romantische
relaties.
Spillover van ouder-kind relatie naar relatie met leeftijdsgenoten
o Dit is een langetermijneffect, stel jij bent boos op je ouders,
maar uit dit niet thuis, maar uit dit op je vrienden.
Intergenerationele continuïteit.
Relatiesjablonen en spill-over: kinderen generaliseren ervaringen met
ouders naar bredere representaties van ‘het zelf’ en de sociale omgeving,
inclusief vertrouwen in anderen.
Negatieve, koud, dubbelzinnige of grillige ouder-kind interacties
resulteren in interpersoonlijke problemen en onaangepastheid bij het
kind
Kwaliteit van ouder-kind relaties is gerelateerd aan kwaliteit van
relaties met leeftijdsgenoten in de adolescentie en met partners
tijdens de volwassenheid
Intergenerationele continuïteit:
Ouders voeden hun kinderen op een manier op die vergelijkbaar is
met wat ze zelf hebben meegemaakt tijdens het opgroeien.
Verschillende mechanismes zijn hier mogelijk:
,
opvoeding wordt direct geleerd als kind, dit kind past dit later toe als
ouder.
Kenmerken van het kind voegen dingen toe aan de opvoeding van
de ouders.
Mijn kenmerken hebben invloed op de relatie met mijn ouders, maar
ook met mijn kinderen.
Discussievraag 2: hoe kunnen we interegenerationele overdracht
van opvoedgedrag goed onderzoeken? Wat zal de
intergenerationele overdracht bevorderen? Wat zal overdracht in
de weg staan? Zie je zelf sociale eigenschappen of
gedragspatronen die je hebt overgenomen van je ouders?
Broers en zussen:
De meeste kinderen in de wereld groeien op met 1 zus of broer. Dit geldt
ook voor kinderen in Nederland.
Hoe beïnvloeden zussen en broers de sociale ontwikkeling?
- Socialisatie meer horizontaal dan van ouders; brug tussen familie en
buitenwereld, van blijvend belang over de levensloop. Dit vanwege
het feit dat ze vaak dezelfde leeftijd hebben, kinderen kunnen zo
hun sociale kant oefenen
Kindheid:
- Oudere broers en zussen helpen en sturen hun jongere broers en
zussen en leren daar zelf ook van. Denk aan Vygotsky en de zone
van naaste ontwikkeling. Dus zowel de jongere als oudere brusjes
leren van het met elkaar omgaan.
- Theory of mind gevorderd bij kinderen met broers en zusjes van
dezelfde leeftijd.
Adolescentie:
- Onderzoek richt zich vooral op ‘sibling contagion’ en ‘partners in
crime’: matige tot sterke correlaties voor delinquentie,
middelengebruik en het nemen van seksuele risico’s. Dit zijn dus
vooral negatieve consequenties.
Jongvolwassenheid: