MICRO-ECONOMIE
Hoofdstuk 0 – Inleiding p.1-p.11
1 – Het doel van de economische wetenschap
Elke menselijke beslissing of handeling heeft economische gevolgen, dit zorgt voor
een keuzeprobleem.
1.1 - Behoefte
= Het aanvoelen van een tekort en het verlangen om dit tekort op te heffen. Het is
universeel en oneindig.
Primaire of levensnoodzakelijke behoeften
VB. honger en dorst voeding en drank
VB. bescherming kleding en huisvesting
Materiële en immateriële behoeftes
VB. ontwikkeling onderwijs
VB. ontspanning toerisme
Collectieve en individuele behoeftes
VB. onderwijs, wegen, bejaardenzorg, …
1.2 – Schaarse middelen
= De middelen waarover men beschikt om zijn talrijke behoeften te bevredigen,
maar ze zijn in beperkte mate beschikbaar.
≠ zeldzaam, MAAR Ze zijn beperkt omdat we met ons inkomen niet aan alle
behoeftes kunnen voldoen.
1.3 – Nuttigheid en keuzeprobleem
Ons inkomen kan nooit al onze behoeftes bevredigen, want die zijn oneindig. Wat
men kiest hangt af van subjectieve nuttigheid van het goed voor die persoon.
Het economisch principe stelt dat mensen zoeken naar het maximale
behoeftebevrediging of de hoogste nuttigheid. Dit geldt ook voor bedrijven en de
overheid.
Economie = De studie van het menselijk streven naar de bevrediging van
behoeften met behulp van schaarse middelen.
2 – Welvaart en welzijn
Welvaart = De mate waarin men behoeftes met schaarse middelen kan
bevredigen.
Welzijn = Ruimer ook bevredigen van behoeftes die geen beslag leggen op
schaarse middelen of hiervoor niet geschikt zijn
, 3 – Soorten goederen
Vrije goederen = Niets-schaarse goederen
Economische goederen = Alle schaarse goederen, stoffelijke goederen of
menselijke prestaties die de eigenschap bezitten te kunnen dienen tot bevrediging
van menselijke behoeften. Ze hebben een prijs.
VB. tastbare goederen fiets
VB. ontastbare, immateriële diensten Hotelovernachting, bioscoop, …
Zuivere individuele goederen = Voor iedereen en wordt voorzien door de
overheid. Er is dus geen marktprijs, want het wordt betaald met belastinggeld.
VB. politie en brandweer
Quasi-collectieve goederen = Goederen waarvoor je moet betalen, maar de
overheid helpt mee, omdat ze vinden dat het belangrijk is dat iedereen er gebruik
van kan maken.
VB. openbaar vervoer, onderwijs, gezondheidszorg, …
Consumptiegoederen of -diensten = Bevredigen onmiddellijk de behoeften van
de eindgebruiker.
VB. Verbruiksgoederen niet-duurzame consumptiegoederen (brood)
VB. Gebruiksgoederen duurzame consumptiegoederen (smartphone)
Investeringsgoederen = Dienen om andere goederen te produceren.
Kapitaal- of productiegoederen duurzaam (gebouwen, machines)
Vlottende investeringsgoederen niet-duurzaam (grondstoffen)
4 – Consumptie en productie
Consumptie = De aanwending van economische goederen voor niet-productieve
doeleinden. Het consumeren gaat gepaard met een besteding van het inkomen.
Productie = Het toevoegen van waarde aan de economische goederen. (3
productie factoren)
1—Natuur grondstoffen en energie
2—Arbeid fysieke en mentale arbeid (ondernemerschap)
3—Kapitaal reële kapitaalgoederen Het geheel van door mens geproduceerde
productiemiddelen
7 – Micro-, meso- en macro-economie
Micro-economie = Studie van het gedrag van een individuele huishouding
(gezins- of bedrijfshouding).
,Meso-economie = Studie van bepaalde huishoudingen (bedrijfstak, bedrijfssector
en regio).
VB. autosector, financiële sector, immo sector, energiesector, toerismesector,
…
VB. Vlaanderen, Wallonië, de kust, …
Macro-economie = Studie van alle bedrijven, alle gezinnen of alle
overheidshuishouding van een land (België).
Hoofdstuk 1 – Consumenten p.13 – p.54
1 – De keuze van de optimale goederenconsumptie
= Evenwicht van de consument.
1.1 – De preferenties
Alle mensen hebben dezelfde behoeftes, maar de invulling, oplossing of
preferenties zijn subjectief en persoonlijk.
Het wordt bepaald door 4 factoren:
1—Demografische factoren
Leeftijd, geslacht (of gender), woonplaats, nationaliteit, ras, opleidingsniveau,
inkomen en inkomensverdeling.
2—Sociologische factoren
Gezinssituatie, sociale klasse en religie.
3—Psychologische factoren
Persoonlijkheid karakter
Levensstijl activiteiten, opinies, interesses
Attitude vaste houding t.o.v. een (merk)product
4—Externe factoren
Preferenties kunnen wijzigen onder invloed van:
Trends BV. Stijgend milieubewustzijn, belang van gezondheid, …
Seizoenen, tijd van het jaar, het weer
Marketing, reclame, voorlichting, …
Pandemieën VB. Ontsmettingsproducten, vraag naar reizen, …
Schandalen Als een bedrijf iets mis doet mensen minder geneigd zijn om
daar iets te kopen.
De eerste wet van Gossen zegt dat bij opeenvolgende consumpties van
hetzelfde goed, het marginale nut daalt. (VB. pintjes – gezien in de les)
Economische factoren = P = prijs van de goederen of diensten; Y = beperkt
budget van de consument.
, 1.2 – Budget en prijzen
VOORBEELD: broodjes gezond en pintjes
Y = budget = €300
Ppintjes = €2,50
Pbroodjes gezond = €4,00
Het opstellen van de budgetlijn
2 snijpunten:
Volledig budget naar broodjes gezond:
Qp = 0
4 . Qb + 2,50 . 0 = 300 => Qb = 300/4
= 75 broodjes (punt A)
Volledig budget naar pintjes: Qb = 0
4 . 0 + 2,50 . Qp = 300 => Qp =
300/2,50 = 120 pintjes (punt B)
Alle punten in het oranje vlak of op de lijn liggen kunnen we kopen, alles
daarbuiten niet.
Gevolgen van het inkomensverandering
Nieuwe budget = €200 daling van 33,33% in het budget
2 snijpunten:
Volledig budget naar broodjes gezond:
Qp = 0
4 . Qb + 2,50 . 0 = 200 => Qb = 200/4
= 50 broodjes (punt X)
Volledig budget naar pintjes: Qb = 0
4 . 0 + 2,50 . Qp = 200 => Qp =
200/2,50 = 80 pintjes (punt Y)
Hoofdstuk 0 – Inleiding p.1-p.11
1 – Het doel van de economische wetenschap
Elke menselijke beslissing of handeling heeft economische gevolgen, dit zorgt voor
een keuzeprobleem.
1.1 - Behoefte
= Het aanvoelen van een tekort en het verlangen om dit tekort op te heffen. Het is
universeel en oneindig.
Primaire of levensnoodzakelijke behoeften
VB. honger en dorst voeding en drank
VB. bescherming kleding en huisvesting
Materiële en immateriële behoeftes
VB. ontwikkeling onderwijs
VB. ontspanning toerisme
Collectieve en individuele behoeftes
VB. onderwijs, wegen, bejaardenzorg, …
1.2 – Schaarse middelen
= De middelen waarover men beschikt om zijn talrijke behoeften te bevredigen,
maar ze zijn in beperkte mate beschikbaar.
≠ zeldzaam, MAAR Ze zijn beperkt omdat we met ons inkomen niet aan alle
behoeftes kunnen voldoen.
1.3 – Nuttigheid en keuzeprobleem
Ons inkomen kan nooit al onze behoeftes bevredigen, want die zijn oneindig. Wat
men kiest hangt af van subjectieve nuttigheid van het goed voor die persoon.
Het economisch principe stelt dat mensen zoeken naar het maximale
behoeftebevrediging of de hoogste nuttigheid. Dit geldt ook voor bedrijven en de
overheid.
Economie = De studie van het menselijk streven naar de bevrediging van
behoeften met behulp van schaarse middelen.
2 – Welvaart en welzijn
Welvaart = De mate waarin men behoeftes met schaarse middelen kan
bevredigen.
Welzijn = Ruimer ook bevredigen van behoeftes die geen beslag leggen op
schaarse middelen of hiervoor niet geschikt zijn
, 3 – Soorten goederen
Vrije goederen = Niets-schaarse goederen
Economische goederen = Alle schaarse goederen, stoffelijke goederen of
menselijke prestaties die de eigenschap bezitten te kunnen dienen tot bevrediging
van menselijke behoeften. Ze hebben een prijs.
VB. tastbare goederen fiets
VB. ontastbare, immateriële diensten Hotelovernachting, bioscoop, …
Zuivere individuele goederen = Voor iedereen en wordt voorzien door de
overheid. Er is dus geen marktprijs, want het wordt betaald met belastinggeld.
VB. politie en brandweer
Quasi-collectieve goederen = Goederen waarvoor je moet betalen, maar de
overheid helpt mee, omdat ze vinden dat het belangrijk is dat iedereen er gebruik
van kan maken.
VB. openbaar vervoer, onderwijs, gezondheidszorg, …
Consumptiegoederen of -diensten = Bevredigen onmiddellijk de behoeften van
de eindgebruiker.
VB. Verbruiksgoederen niet-duurzame consumptiegoederen (brood)
VB. Gebruiksgoederen duurzame consumptiegoederen (smartphone)
Investeringsgoederen = Dienen om andere goederen te produceren.
Kapitaal- of productiegoederen duurzaam (gebouwen, machines)
Vlottende investeringsgoederen niet-duurzaam (grondstoffen)
4 – Consumptie en productie
Consumptie = De aanwending van economische goederen voor niet-productieve
doeleinden. Het consumeren gaat gepaard met een besteding van het inkomen.
Productie = Het toevoegen van waarde aan de economische goederen. (3
productie factoren)
1—Natuur grondstoffen en energie
2—Arbeid fysieke en mentale arbeid (ondernemerschap)
3—Kapitaal reële kapitaalgoederen Het geheel van door mens geproduceerde
productiemiddelen
7 – Micro-, meso- en macro-economie
Micro-economie = Studie van het gedrag van een individuele huishouding
(gezins- of bedrijfshouding).
,Meso-economie = Studie van bepaalde huishoudingen (bedrijfstak, bedrijfssector
en regio).
VB. autosector, financiële sector, immo sector, energiesector, toerismesector,
…
VB. Vlaanderen, Wallonië, de kust, …
Macro-economie = Studie van alle bedrijven, alle gezinnen of alle
overheidshuishouding van een land (België).
Hoofdstuk 1 – Consumenten p.13 – p.54
1 – De keuze van de optimale goederenconsumptie
= Evenwicht van de consument.
1.1 – De preferenties
Alle mensen hebben dezelfde behoeftes, maar de invulling, oplossing of
preferenties zijn subjectief en persoonlijk.
Het wordt bepaald door 4 factoren:
1—Demografische factoren
Leeftijd, geslacht (of gender), woonplaats, nationaliteit, ras, opleidingsniveau,
inkomen en inkomensverdeling.
2—Sociologische factoren
Gezinssituatie, sociale klasse en religie.
3—Psychologische factoren
Persoonlijkheid karakter
Levensstijl activiteiten, opinies, interesses
Attitude vaste houding t.o.v. een (merk)product
4—Externe factoren
Preferenties kunnen wijzigen onder invloed van:
Trends BV. Stijgend milieubewustzijn, belang van gezondheid, …
Seizoenen, tijd van het jaar, het weer
Marketing, reclame, voorlichting, …
Pandemieën VB. Ontsmettingsproducten, vraag naar reizen, …
Schandalen Als een bedrijf iets mis doet mensen minder geneigd zijn om
daar iets te kopen.
De eerste wet van Gossen zegt dat bij opeenvolgende consumpties van
hetzelfde goed, het marginale nut daalt. (VB. pintjes – gezien in de les)
Economische factoren = P = prijs van de goederen of diensten; Y = beperkt
budget van de consument.
, 1.2 – Budget en prijzen
VOORBEELD: broodjes gezond en pintjes
Y = budget = €300
Ppintjes = €2,50
Pbroodjes gezond = €4,00
Het opstellen van de budgetlijn
2 snijpunten:
Volledig budget naar broodjes gezond:
Qp = 0
4 . Qb + 2,50 . 0 = 300 => Qb = 300/4
= 75 broodjes (punt A)
Volledig budget naar pintjes: Qb = 0
4 . 0 + 2,50 . Qp = 300 => Qp =
300/2,50 = 120 pintjes (punt B)
Alle punten in het oranje vlak of op de lijn liggen kunnen we kopen, alles
daarbuiten niet.
Gevolgen van het inkomensverandering
Nieuwe budget = €200 daling van 33,33% in het budget
2 snijpunten:
Volledig budget naar broodjes gezond:
Qp = 0
4 . Qb + 2,50 . 0 = 200 => Qb = 200/4
= 50 broodjes (punt X)
Volledig budget naar pintjes: Qb = 0
4 . 0 + 2,50 . Qp = 200 => Qp =
200/2,50 = 80 pintjes (punt Y)