Grammatica

Talenknobbel uitgebeeld op het hoofd van een paspop

Heb jij moeite met het toepassen van de juiste grammatica in je schoolverslagen of samenvattingen? Dat snappen we goed. De Nederlandse grammatica kent veel regels en is daarom niet altijd makkelijk. Grammatica beschrijft de structuur van woorden en zinnen aan de hand van verschillende regels. In dit artikel behandelen wij de belangrijkste grammaticaregels zodat jij jouw verslag foutloos in kunt leveren. Of het nou gaat om lidwoorden, congruentiefouten of de verschillende werkwoordstijden: we got you! Voordat je het weet ben jij een echte grammernazi.

Bepaalde lidwoorden vs onbepaalde lidwoorden

Het gebruik van lidwoorden is een van de lastigste dingen als je de Nederlandse taal aan het leren bent. Want wat is een lidwoord precies? En wat is dan het verschil tussen een bepaald lidwoord en een onbepaald lidwoord?

Wat is een lidwoord?
Een lidwoord is een woord dat voor een zelfstandig naamwoord staat. Het Nederlands kent drie lidwoorden: de, het en een. Maar welke lidwoorden zijn een bepaald lidwoord en welke een onbepaald lidwoord?

Bepaalde lidwoorden
In het Nederlands zijn de en het een bepaald lidwoord. De naam van dit lidwoord zegt eigenlijk al wat het is: het bepaald namelijk iets. Maar wanneer gebruik je deze vorm?

  • Het bij onzijdige zelfstandige naamwoorden;
  • De bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige naamwoorden
  • Bij meervoudsvormen van zowel het- als de-woorden.

In de onderstaande tabel hebben wij diverse voorbeelden van een bepaald lidwoord voor je opgesomd:

Bepaalde lidwoorden uitgelegd in een tabel

Onbepaald lidwoord
In het Nederlands is een een onbepaald lidwoord. Ook hier zegt de naam van het lidwoord al waar het over gaat: het gaat over iets algemeens dat je niet kan bepalen. In de onderstaande tabel hebben wij diverse voorbeelden van een onbepaald lidwoord voor je opgesomd:

Onbepaald lidwoord uitgelegd in een tabel

Congruentiefouten herkennen

Een veelvoorkomende fout in samenvattingen, studieverslagen of scripties is een congruentiefout. Er is sprake van een congruentiefout wanneer het onderwerp en de persoonsvorm in een zin niet met elkaar overeenkomen. Dit is het geval wanneer:

  • Het onderwerp enkelvoud is maar de persoonsvorm meervoud;
  • Het onderwerp meervoud is maar de persoonsvorm enkelvoud.

Maar wanneer maken mensen deze fout? Het maken van een congruentiefout komt vooral voor wanneer:

  • Er een verzamelnaam wordt gebruikt (zoals ‘de groep’) maar de persoonsvorm in meervoud wordt geplaatst;
  • De naam of afdeling van de organisatie wordt gebruikt (zoals ‘Stuvia’ of ‘de marketingafdeling’) en de persoonsvorm in meervoud wordt gezet;
  • Er een lange zin staat en in het tweede deel van de zin een andere persoonsvorm wordt gebruikt (zoals werken) dan in het eerste deel (werkt);
  • Er sprake is van inconsistentie omdat twee dingen volgens de regels grammaticaal correct zijn (zoals een aantal mensen is / een aantal mensen zijn).  

Om het makkelijker voor je te maken hebben we diverse voorbeelden met congruentiefouten voor je opgesomd:

Congruentiefouten uitgelegd in een tabel

Werkwoordstijden

Het plaatsen van werkwoorden in de juiste werkwoordstijden is een de lastigste onderdelen van de Nederlandse grammatica.

Onvoltooid tegenwoordige tijd
De onvoltooide tegenwoordige tijd (ott) wordt gebruikt om een activiteit of toestand uit te drukken die nog bezig is of snel zal plaatsvinden. Deze werkwoordstijd is de persoonsvorm in een zin en er staat (bijna) altijd een onderwerp bij. Voor de persoonsvorm hebben we de 'stam', de kortste versie van het werkwoord, nodig. Hier kun je vervolgens een uitgang aan hangen.

Voorbeelden van onvoltooide tegenwoordige tijd:
Werkwoord: werken
Stam: werk

Onvoltooid tegenwoordige tijd uitgelegd in een tabel

In de onvoltooid tegenwoordige tijd is er een uitzondering waar je rekening mee moet houden. Wanneer jij of je namelijk achter het werkwoord staat, gebruik je enkel de stam. Dit is zo in de volgende gevallen:

  • Werk jij nog bij Stuvia?
  • Maak jij voor ons een samenvatting?

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ovt)
De onvoltooid verleden tijd (ovt) wordt gebruikt om een activiteit of toestand die in het verleden is gebeurd te omschrijven. Deze werkwoordstijd wordt vooral gebruikt in een verhalende beschrijving of om een opeenvolgende of een terugkerende gebeurtenis uit het verleden te omschrijven. In tegenstelling tot de onvoltooid tegenwoordige tijd, moet je bij deze werkwoordstijd ook rekening houden met of het werkwoord regelmatig of onregelmatig is. Een regelmatig werkwoord is bijvoorbeeld wandelen, een onregelmatig werkwoord lopen.

Bij de regelmatige werkwoorden gebruik je dezelfde stam als in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Afhankelijk of het onderwerp enkelvoud of meervoud is, plak je hier vervolgens -de(n) of -t(en) achter. Maar hoe weet je welke spelling je toepast? Komt de laatste letter van de stam van het werkwoord voor in “ ‘t ex-kofschip”? Dan gebruik je bij enkelvoud -te(n). Zit de laatste letter hier niet in? Dan gebruik je -de(n). Bij een onregelmatig werkwoord werkt dit anders. Deze werkwoorden worden niet volgens de regels vervoegd en  moet je de vervoeging dus uit je hoofd leren. Je kan hierbij denken aan werkwoorden zoals: beginnen, fluiten, geven, houden, raden, wrijven of zingen.

Voorbeelden onvoltooid verleden tijd
Werkwoord: werken (regelmatig)
Stam: werk

Onvoltooid verleden tijd voorbeeld met een regelmatig werkwoord

Werkwoord: lopen (onregelmatig)
Stam: loop

Onvoltooid verleden tijd voorbeeld met een onregelmatig werkwoord

In deze tabel zie je dus duidelijk dat de regels voor werkwoordstijden bij een onregelmatig werkwoord niet gelden. Kijk maar eens naar hoe die vervoegd wordt en welke regel er eigenlijk voor is. De vervoeging leer je door deze uit je hoofd te kennen.

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
De voltooid tegenwoordige tijd (vtt) wordt gebruikt in een zin die een los feit of een enkelvoudige gebeurtenis beschrijft die recent heeft plaatsgevonden of is afgerond. Het gaat bij de voltooid tegenwoordige tijd vooral om het resultaat van je handeling.

Bij deze werkwoordstijd maak je gebruik van een hulpwerkwoord, namelijk: hebben of zijn. Dit wordt gevolgd door een voltooid deelwoord. Je bepaalt of je voltooid deelwoord eindigt op een D of T door te kijken of de laatste letter van de stam in “ ‘t ex-kofschip” voorkomt.

Voorbeeld voltooid tegenwoordige tijd

  • Ik heb gisteren een ontzettend lekkere cake gebakken;
  • Ik heb nog nooit iets bij Stuvia geupload;
  • Wij hebben je kerstkaart ontvangen.

Er zijn online diverse modules om de verschillende werkwoordstijden te oefenen. Maak hier dus ook vooral gebruik van!

Voltooid verleden tijd (vvt)
De voltooid verleden tijd (vvt) wordt gebruikt als iets in het verleden heeft plaatsgevonden. Bij deze werkwoordstijd wil je dus duidelijk maken dat de gebeurtenis zich verder in het verleden heeft afgespeeld. Deze tijd wordt in een zin vaak gecombineerd met de onvoltooid verleden tijd. We leggen het je uit.

Bij deze werkwoordstijd maak je net als bij de voltooid tegenwoordige tijd gebruik van een hulpwerkwoord, alleen gebruik je bij deze vorm de verleden tijd. In de voltooid verleden tijd wordt er na het hulpwerkwoord een voltooid deelwoord geplaatst. Je bepaalt of het voltooid deelwoord eindigt op een D of T door te kijken of de laatste letter van de stam in “ ‘t ex-kofschip” voorkomt.

Voorbeelden voltooid verleden tijd

  • Hij was pas laat geholpen;
  • Hij was pas laat naar ons toe gekomen;
  • Hij had zich aan zijn belofte gehouden.

Voorbeeldzinnen onvoltooid verleden tijd + voltooid verleden
​​In deze voorbeeldzinnen is de onvoltooid verleden tijd dikgedrukt. De voltooid verleden tijd is cursief.

  • Hij vertrok pas nadat hij iedereen gedag had gezegd;
  • Ik viel vanochtend. Het had namelijk gesneeuwd;
  • Ik kwam pas laat thuis. Ik had langer doorgewerkt.

Lijdende en bedrijvende vorm

Je kunt zinnen in de lijdende en bedrijvende vorm schrijven. Het verschil tussen beide vormen is gelukkig niet zo lastig. Wij leggen je het graag uit.

Bedrijvende vorm
De bedrijvende vorm is een actieve schrijfstijl. Het onderwerp van de zin staat gelijk aan de persoon of zaak die de handeling verricht.

Lijdende vorm
De lijdende vorm is een passieve schrijfstijl die vooral wordt toegepast in academische teksten. Dit betekent dat de ik-, jij- en wij-vorm in de tekst wordt vermeden. Het lijdend voorwerp van een zin wordt dan het onderwerp. Je herkent deze zin vaak aan de aanwezigheid van het hulpwerkwoord ‘worden’.

Om het verschil tussen de lijdende en bedrijvende vorm duidelijker te maken, staan hieronder een aantal voorbeelden opgesomd:

bedrijvende en lijdende vorm voorbeelden in een tabel

Wist je dat je geld kan verdienen met je oude studiedocumenten? Verkoop gemakkelijk jouw essays of scriptie en start met cashen.