Personen- en Familierecht Samenvatting
Week I
Onderscheid
Het personenrecht regelt de rechtspositie van een natuurlijk persoon: de geboorte en het overlijden, zijn naam
en woonplaats, maar ook zaken zoals bescherming van meerderjarigen en de handelingsbekwaamheid.
Het familierecht heeft betrekking op de rechtsverhoudingen tussen natuurlijke personen op het terrein van
relaties en families.
Verticale relaties: ontstaan door afstamming.
Horizontale relaties: ontstaan door affectieve relaties tussen volwassenen.
Binnen het personen- en familierecht zijn veel regels van dwingend recht. Daarnaast heeft dit rechtsgebied
zowel privaat- als publiekrechtelijke elementen: de jeugdzorg is bijvoorbeeld voornamelijk publiekrechtelijk van
aard, zoals de Wet tijdelijk huisverbod.
Afwijking t.o.v. het algemene privaatrecht: anders dan in andere delen van het BW (partijautonomie,
aanvullend recht) is het personen- en familierecht grotendeels van dwingend recht.
Het familierecht is sterk in ontwikkeling onder invloed van maatschappelijke veranderingen en mensen rechten
(met name art. 8 EVRM en de rechtspraak van het EHRM en HR).
Internationaal familierecht
Bij internationale familiezaken moet steeds worden vastgesteld:
1. Welk nationaal recht van toepassing is.
2. Of de rechter bevoegd is.
3. Of een buitenlandse beslissing wordt erkend/ten uitvoer gelegd.
Mensenrechten
Nationale familierechtelijke regels worden getoetst aan o.a. het EVRM en het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK).
Op het EVRM kan direct een beroep worden gedaan; delen van het IVRK hebben in Nederland rechtstreekse
werking. Kinderen kunnen klachten indienen bij het Kinderrechtencomité.
Art. 8 EVRM vormt een kernbepaling binnen het personen- en familierecht.
Europa
Europese familierechtssystemen groeien naar elkaar toe door o.a. het EVRM, EU-vrijheden en een liberaler
politiek klimaat. De EU mag geen intern familierecht harmoniseren, maar wel regels stellen voor internationale
familierelaties.
Via rechtsvergelijkend onderzoek zijn door de Commission on European Family Law (CEFL) niet-bindende
beginselen van Europees familierecht ontwikkeld, die als inspiratie voor nationale wetgevers dienen.
Bij grensoverschrijdende familiezaken gelden de regels van het internationaal privaatrecht (IPR):
Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en welk familierecht (Nederlands of anders) is van toepassing?
Conflictregels koppelen aan (1) gewone verblijfplaats, (2) nationaliteit en (3) (beperkte) rechtskeuze (art. 1:35
BW). De rechter moet het toepasselijk recht ambtshalve vaststellen. EU-recht en verdragen hebben voorrang.
Conflicteregels wijzen in beginsel het recht aan waarmee de rechtsverhouding het nauwst is verbonden.
Verordeningen en Verdragen
O.g.v. art. 81 VWEU mag de EU verordeningen vaststellen voor grensoverschrijdend familierecht, bijvoorbeeld
zoals bij Brussel II bis/Brussel II-ter. Het HvJ EU geeft uitleg over schendingen van EU-recht, ook in
familierechtelijke context. De Haagse Conferentie werkt aan wereldwijde unificatie van IPR, vooral gericht op
kinderbescherming (adoptie, ontvoering, alimentatie). Veel landen zijn partij bij deze verdragen.
Als er geen toepasselijke EU-verordening of verdrag is, bepalen Nederlandse regels de internationale
bevoegdheid (art. 3-5, 8, 9, 12, 13 Rv).
Week I
Onderscheid
Het personenrecht regelt de rechtspositie van een natuurlijk persoon: de geboorte en het overlijden, zijn naam
en woonplaats, maar ook zaken zoals bescherming van meerderjarigen en de handelingsbekwaamheid.
Het familierecht heeft betrekking op de rechtsverhoudingen tussen natuurlijke personen op het terrein van
relaties en families.
Verticale relaties: ontstaan door afstamming.
Horizontale relaties: ontstaan door affectieve relaties tussen volwassenen.
Binnen het personen- en familierecht zijn veel regels van dwingend recht. Daarnaast heeft dit rechtsgebied
zowel privaat- als publiekrechtelijke elementen: de jeugdzorg is bijvoorbeeld voornamelijk publiekrechtelijk van
aard, zoals de Wet tijdelijk huisverbod.
Afwijking t.o.v. het algemene privaatrecht: anders dan in andere delen van het BW (partijautonomie,
aanvullend recht) is het personen- en familierecht grotendeels van dwingend recht.
Het familierecht is sterk in ontwikkeling onder invloed van maatschappelijke veranderingen en mensen rechten
(met name art. 8 EVRM en de rechtspraak van het EHRM en HR).
Internationaal familierecht
Bij internationale familiezaken moet steeds worden vastgesteld:
1. Welk nationaal recht van toepassing is.
2. Of de rechter bevoegd is.
3. Of een buitenlandse beslissing wordt erkend/ten uitvoer gelegd.
Mensenrechten
Nationale familierechtelijke regels worden getoetst aan o.a. het EVRM en het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK).
Op het EVRM kan direct een beroep worden gedaan; delen van het IVRK hebben in Nederland rechtstreekse
werking. Kinderen kunnen klachten indienen bij het Kinderrechtencomité.
Art. 8 EVRM vormt een kernbepaling binnen het personen- en familierecht.
Europa
Europese familierechtssystemen groeien naar elkaar toe door o.a. het EVRM, EU-vrijheden en een liberaler
politiek klimaat. De EU mag geen intern familierecht harmoniseren, maar wel regels stellen voor internationale
familierelaties.
Via rechtsvergelijkend onderzoek zijn door de Commission on European Family Law (CEFL) niet-bindende
beginselen van Europees familierecht ontwikkeld, die als inspiratie voor nationale wetgevers dienen.
Bij grensoverschrijdende familiezaken gelden de regels van het internationaal privaatrecht (IPR):
Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en welk familierecht (Nederlands of anders) is van toepassing?
Conflictregels koppelen aan (1) gewone verblijfplaats, (2) nationaliteit en (3) (beperkte) rechtskeuze (art. 1:35
BW). De rechter moet het toepasselijk recht ambtshalve vaststellen. EU-recht en verdragen hebben voorrang.
Conflicteregels wijzen in beginsel het recht aan waarmee de rechtsverhouding het nauwst is verbonden.
Verordeningen en Verdragen
O.g.v. art. 81 VWEU mag de EU verordeningen vaststellen voor grensoverschrijdend familierecht, bijvoorbeeld
zoals bij Brussel II bis/Brussel II-ter. Het HvJ EU geeft uitleg over schendingen van EU-recht, ook in
familierechtelijke context. De Haagse Conferentie werkt aan wereldwijde unificatie van IPR, vooral gericht op
kinderbescherming (adoptie, ontvoering, alimentatie). Veel landen zijn partij bij deze verdragen.
Als er geen toepasselijke EU-verordening of verdrag is, bepalen Nederlandse regels de internationale
bevoegdheid (art. 3-5, 8, 9, 12, 13 Rv).