FARMACOLOGIE
1
,1. UITBEREIDING ALGEMENE FARMACOLOGIE
HERHALING
Verschilende farmaceutische fases?
• Farmaceutische fase (= vormgeving geneesmiddel)
• Farmacokinetische fase (= what the body does to the drug)
o A = absorptive (= opname)
o D = distributie (= verdeling)
o M = metabolisatie (= verandering)
o E = excretie (= uitscheiding)
o Kwantiatieve farmacokinetiek
• Farmacodynamische fase (= what the drug does to the body)
• Farmacotherapeutische fase (= effect)
Farmacon kan 3 soorten bindingen met het lichaam aangaan:
1. Plasma-eiwitbinding (om te kunnen circuleren in het lichaam)
2. Weefselbinding (opslagplaats)
3. Receptorbinding (om te kunnen werken)(ook eiwitbinding)
Rest: vrije fractie
Affiniteit = In deze tekening verwijst affiniteit naar hoe sterk een medicijn zich bindt aan
verschillende componenten in het lichaam. Affiniteit is dus de sleutel tot hoe goed een
medicijn zich bindt en functioneert binnen deze processen!
1.1 INLEIDING
In de farmacodynamische fase vraagt men zich af of het farmacon een farmacologische werking
heeft. Men vraagt zich af wat het geneesmiddel met het lichaam doet (“What the drug does to the
body”)? Dit zijn enkele belangrijke richtvragen in de farmacodynamiek.
2
,Omdat een farmacon een effect teweeg zou kunnen brengen, moeten ze binden met
eiwitreceptoren. Men verkiest de eiwitreceptoren, want die spelen een sleutelrol bij elke fysiologisch
proces (bloedsomloop, ademhaling, zenuwen…)
• De meeste farmacon (deel vrije fractie) binden met eiwit om reactie/effect te bereiken (=
receptorbinding)
Er zijn 4 soorten eiwitreceptoren waarop een farmacon kan binden, namelijk:
1. Receptoren
2. Ionkanalen
3. Enzymen
4. Transporteiwitten of carriër
1.2 RECEPTOREN
De werking van farmaca is in de meeste gevallen het gevolg van een dynamische interactie met
bestanddelen van het biologisch systeem, receptoren genaamd.
Receptoren zijn eiwitstructuren die aan celmembranen zijn gebonden. Ze worden betrokken bij
herkenning van lichaamseigen liganden zoals hormonen en neurotransmitters
- Hormonen: chemische stoffen uit klierweefsel die direct worden afgegeven aan bloedbaan
- Neurotransmitters: chemische stoffen die vrijkomen uit uiteinden van neuronen
(zenuwcellen)
Liganden zijn stoffen die aan eiwitstructuur binden. Molecule of ion (stoffen/farmaca) die
elektronenpaar vrij hebben die binden met receptoren
Receptoren hebben een grote graad van specificiteit: ze herkennen enkel farmaca met een
welbepaalde chemische structuur en nauw verwante structuren binden nauwelijks.
Farmaca imiteren de lichaamseigen moleculen waardoor ze de receptor kunnen activeren bv.
antihypertensiva: β-blokkers (inhiberen β-adrenerge receptoren).
Receptoren kunnen beschouwd worden als de eerste schakel in de omzetting van een extracellulair
signaal in een intracellulair effect.
Vb. Extracellulair signaal: binding van een hormoon of een farmacon
Vb. Intracellulair effect: de samentrekking van een spiercel
3
, Door de binding verandert de ruimtelijke structuur van de receptor zodanig dat een keten van
vervolgreacties op gang komen. Hierdoor wordt het binnenkomende receptorsignaal flink versterkt.
Deze vorm wordt ook wel het signaaltransductiesysteem genoemd.
Agonist → Receptor → Transductie → Cellulaire respons → Orgaanrespons.
Op grond van de koppeling aan signaaltransductieroutes zijn er 4 soorten typen receptoren:
1. Receptorafhankelijke ionkanalen
2. Aan G-eiwit gekoppelde receptoren
3. Aan kinase gekoppelde receptoren
4. Eiwitsyntheseregulerende intracellulaire receptoren
4