LEERDOELEN
Kennelijk leugenachtig is niet helemaal hetzelfde als niet aannemelijk
minder zware lading
SELECTIE EN WAARDERING van bewijs HOEF JE NIET TE MOTIVEREN TENZIJ
UOS
De rechter moet kunnen motiveren waarom hij VD al dan niet betrouwbaar
acht kunnen dezelfde criteria gebruiken ten aanzien van
betrouwbaarheid en onbetrouwbaarheid en dat maakt het lastig.
1. Hoe dient de bewijsbeslissing in het vonnis te worden
vormgegeven?
De beslissing over de eerste hoofdvraag moet in het vonnis zijn
opgenomen (art. 358 lid 2 Sv) en moet ook zijn gemotiveerd (art. 359
leden 2 en 3).
Art. 359 lid 1 vereist dat het vonnis de TLL bevat en de vordering van
de OvJ (in het licht van UOS)
2. Dient het gebruik van bewijs te worden gemotiveerd en – zo
ja – op welke wijze?
Art. 359 lid 3 de bewezenverklaring moet steunen op de inhoud van
in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen houdende daartoe
redengevende feiten en omstandigheden. De rechter moet dus in zijn
vonnis aangeven op welke bewijsmiddelen de bewezenverklaring stoelt.
Irrelevante onderdelen moeten worden weggelaten, omdat deze de
bewezenverklaring niet kunnen dragen.
Art. 359 lid 3, 2de volzin vereenvoudigde bewijsmotivering bij
verklarende verdachte: de rechter kan dan volstaan met een opgave
van de bewijsmiddelen voor zover de verdachte het bewezenverklaarde
heeft bekend, tenzij de verdachte nadien anders heeft verklaard dan
wel de verdachte of zijn raadsman vrijspraak hebben bepleit.
Het opnemen van bewijsmiddelen kan geschieden door:
1. Het letterlijk opnemen van relevante passages uit een of meer
bewijsmiddelen
2. Een voldoende nauwkeurige verwijzing naar een of meer
bewijsmiddelen tezamen met een weergave van de inhoud daarvan.
MAAR praktijk wordt vaak pas hieraan voldaan indien er een
rechtsmiddel wordt ingesteld. Art. 365a bepaalt dat zolang geen
, gewoon rechtsmiddel is aangewend, met het wijzen van een kort vonnis
kan volstaan. = kop-staart-praktijk
De rechter hoeft niet te motiveren waarom hij bepaald bewijsmateriaal
niet heeft gebruikt en ander materiaal wel. selectie en waardering van
het bewijsmateriaal zijn een zaak van de feitenrechter. DUS SELECTIE EN
WAARDERING VAN BEWIJS HOEF JE NIET TE MOTIVEREN TENZIJ UOS.
Artikel 360 bevat een viertal bijzondere motiveringseisen.
3. Kan het feit dat een verdachte liegt of zwijgt tegen hem
worden gebruik en – zo ja – onder welke voorwaarden?
Zie opdracht 1
4. Hoe weten we dat een verdachte liegt?
5. Hoe dient de rechter om te gaan met verweren ten aanzien
van (bijvoorbeeld de betrouwbaarheid van) het bewijs?
Artikel 359 lid 2, 2de volzin in het vonnis, als de beslissing afwijkt van
door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk
onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen moeten worden
opgegeven die daartoe hebben geleid. een bewijsverweer en ook
een standpunt dat door de OvJ naar voren wordt gebracht met
betrekking tot het bewijs is responsieplichtig als dat verweer
kwalificeert als een UOS.
UOS eisen:
- Het standpunt moet duidelijk zijn
- Met argumenten onderbouwd
- Voorzien van een duidelijke conclusie
- Schriftelijk
6. Wat wordt bedoeld met redengevendheid van bewijs?
De inhoud van bewijsmiddelen die aan de bewezenverklaring ten
grondslag worden gelegd, moet volgens artikel 359 lid 3 Sv
redengevend zijn. Deze moet dus op een bepaalde manier bijdragen
aan de onderbouwing van de bewezenverklaring. In het algemeen geldt
dat bewijsmateriaal dat strijdig is met de bewezenverklaring niet
redengevend is.
& Zie opdracht 1
7. Op welke wijze en in welke mate kan de motivering van de
bewijsbeslissing in cassatie worden getoetst?