Geneeskunde leerjaar 2 HBO-V
Les 14.01 GNK, Aanmaak van rode bloedcellen tot vorming
trombose.
Anatomie en fysiologie H11.1 t/m 11.6:
Functies bloed:
1) Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en
afvalproducten.
2) Stabiliseren PH en de ionensamenstelling van de interstitiële
vloeistof (vocht tussen cellen).
3) Beperking van vloeistofverlies bij verwonding, proces van
bloedstolling.
4) Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers.
5) Stabiliseren van lichaamstemperatuur.
Vol bloed heeft elementaire fysieke eigenschappen:
Temperatuur (38 C).
Viscositeit (stroperigheid).
pH (bloed is licht basisch met een pH van 7,35 en 7.45).
Vol bloed wordt afgenomen via een venapunctie, omdat (1) makkelijke
lokaliseren van oppervlakkig gelegen venen, (2) wanden van venen dun,
(3) bloeddruk is relatief laag dus snelle genezing.
Bloed uit perifere capillairen wordt verkregen vanuit vingertop, oorlel (of
bij kinderen in de grote teen of hielprik). Bloed hiervan wordt gebruikt voor
een bloeduitstrijkje. Een arteriële punctie (prikken in slagader) is vaak
voor testen van de efficiëntie van gaswisseling (vanuit pols of elleboog).
Bloed bestaat grotendeels uit plasma (plasma-eiwitten, opgeloste stoffen,
water). Drie belangrijkste plasma-eiwitten zijn:
1) Albuminen, handhaven osmotische druk.
2) Globulinen, antistoffen en transporteiwitten. Globulinen betrokken bij
vettransport zijn lipoproteïnen.
3) Fibrinogeen, rol bij bloedstolling.
Antistoffen (immunoglobulinen), vallen lichaamsvreemde eiwitten en
ziekteverwekkers aan.
Rode bloedcellen (erytrocyten) zijn rood doordat ze hemoglobine bevatten
(bindt 02 en C02 en vervoert). Er is sprake van bloedarmoede of anemie
als er minder zuurstof kan worden vervoerd bij een persoon als gevolg van
erytrocyten met weinig hemoglobine, symptomen zijn vroegtijdige
spiervermoeidheid, zwakheid en algemeen gebrek aan energie.
,Bij een standaard bloedonderzoek wordt hematocriet vermeldt (aantal
erytrocyten per microliter bloed). Hematocriet neemt toe bij uitdroging,
neemt af bij inwendige bloeding.
KLINISCHE AANTEKENING - AFWIJKENDE VORMEN VAN HEMOGLOBINE.
Thalassemie ontstaat wanneer iemand te weinig globulaire eiwitten kan
vormen (belangrijk voor opbouw hemoglobine). Mensen met een ernstige
vorm moeten bloedtransfusie krijgen zodat er voldoende erytrocyten zijn.
Sikkelcelanemie (SCA) is het gevolg van mutatie wat invloed heeft op 1
paar van globulaire eiwitten van het hemoglobine molecuul. Als het
afwijkende hemoglobine molecuul genoeg 02 afgeeft reageren de
aangrenzende cellen en veranderen ze van vorm, ze worden stijf en
gebogen. Erytrocyten kunnen ook klem komen te zitten waardoor ze ook
vervormen. Er ontstaat vroegtijdige afbraak van dergelijke cellen wat leidt
tot hemolytische anemie.
Erytrocyten worden hergebruikt. Als ze verouderen/beschadigen scheurt
een deel van de cel (hemolyse). Dit wordt gefiltreerd en met de urine
uitgescheiden, bij afbraak van grote cellen kan urine (rood)bruin worden,
aandoening heet hemoglobinurie.
De vorming van erytrocyten (erytropoëse) vindt plaats in het rode
beenmerg (myeloïde weefsel). Erytrocyten ontstaan door de deling van
hemocytoblasten of hematopoëtische stamcellen (pluripotente stamcellen)
in het rode beenmerg. Erytroblasten zijn onrijpe erytrocyten die
hemoglobine vormen, na 4 dagen ontwikkelen zij zich tot reticylocyten, na
24 uur zijn ze gevormd tot erytrocyten.
Voor erytropoëse moet voldoende vitamine B12 aanwezig zijn, als dit niet
het geval is kunnen stamcellen niet delen en is er pernicieuze anemie
(auto-immuun gastritis).
Erytropoëse wordt gestimuleerd door erytopoëtine (EPO) wordt gevormd
door de nieren en lever. Wordt afgegeven (1) tijdens bloedarmoede, (2)
afname bloedtoevoer naar nieren, (3) afname 02 gehalte in bloed, (4)
beschadiging gaswisselingsoppervlak.
Er zijn 4 bloedgroepen. Als iemand bloed krijgt van een andere bloedgroep
kan er een kruisreactie plaatsvinden (aanval bloedgroepen). De
lichaamsvreemde erytrocyten gaan samenklonteren (agglutinatie).
Bloedgroep A heeft alleen antigeen A.
Bloedgroep B heeft alleen antigeen B.
Bloedgroep AB heeft zowel antigenen A als antigenen B.
Bloedgroep O heeft geen antigeen A en geen antigeen B.
De term resuspositief (Rh+) geeft aan dat het resusantigeen op het
oppervlak van de erytrocyten aanwezig is. Iemand die dit niet heeft wordt
,resusnegatief genoemd (Rh-). Vaak wordt de term resus weggelaten er is
er sprake van O-negatief/positief etc.
KLINISCHE AANTEKENING - HEMOLYTISCHE ZIEKTE VAN EEN PASGEBORENE .
Een kind kan een andere bloedgroep hebben dan beide ouders, als er
tijdens de zwangerschap bloed van de moeder bij het kind komt kan er
erythroblastosis foetalis ontstaan. Dit kan alleen tijdens een tweede
zwangerschap.
KLINISCHE AANTEKENING - TEST VOOR
COMPATIBILITEIT VAN BLOEDGROEPEN .
Twee stappen: 1) bepaling van bloedgroep, 2)
een kruistest.
Leukocyten (witte bloedcellen) helpen lichaam verdedigen. Twee soorten
1) grannulocyten ( neutrofielen, eosinofielen, basofielen) en 2)
agranulocyten (monocyten en lymfocyten)
Leukocyten in het bloed hebben vier kenmerken:
1) In staat tot amoeboïde bewegingen (glijdende).
2) Kunnen bloedstroom verlaten.
3) Aangetrokken door specifieke chemische prikkels (positieve
chemotaxis), leukocyten worden aangetrokken tot binnendringende
ziekteverwekkers en beschadigde weefsels.
4) Neutrofielen, eosinofielen en moncyten zijn in staat tot fagocytose
(afbraak).
Neutrofielen, eosinofielen, basofielen en monocyten dragen bij tot de niet-
specifieke afweer van het lichaam. Lymfocyten zijn van de specfieke
afweer.
Neutrofielen, eerste leukocyten die bij een verwonding aankomen.
Eosinefielen, vallen voorwerpen aan die met anti-stoffen zijn
omgeven.
, Basofielen, migreren naar plaatsen van verwondingen, bevat
heparine (bloedstolling tegengaan) en histamine (bloedvat
verwijding).
Monocyten.
Lymfocyten, vallen lichaamsvreemde cellen direct aan (vorming
noem je lymfopoëse).
Differentiële telling (bloedonderzoek dat het percentage van elk type
witte bloedcel in het bloed bepaalt). Leukopenie betekent dat er minder
leukocyten zijn dan normaal, leukocytose betekent dat er abnormaal
hoge aantalen leukocyten aanwezig zijn, extreme leukocytose duidt
meestal op een vorm van leukemie.
Trombocyten (bloedplaatjes) behoren tot de vaste bloedbestanddelen, ze
hebben geen celkernen. Beenmerg bevat cellen met celkernen die
megakaryocyten worden genoemd, zij geven voortdurend cytoplasma
pakketjes af omgeven door een membraan. Dit zijn bloedplaatjes die de
bloedstroom binnen komen. Zij bevorderen het stollingsproces en helpen
beschadigde bloedvaten afsluiten.
Een afwijkend laag aantal bloedplaatjes is trombocytopenie, meestal
gevolg van overmatige vernietiging van bloedplaatjes of onvoldoende
productie, symptomen zijn bloedingen in spijsverteringskanaal, huid en
incidenteel binnen het CZS. Bij trombocytose is er een overvloed aan
bloedplaatjes, vaak gevolg van toegenomen productie van bloedplaatjes
als reactie op een infectie, ontsteking of kanker.
Pathologie voor verpleegkundigen H7.1 t/m 7.4 en 7.6.2:
Aandoeningen van het bloed :
Symptoom Betekenis Toelichting
Epistaxis Neusbloeding Acute bloeding uit 1 of
beide neusgaten
Gingivale bloeding Bloedend tandvlees Tandvlees dan gaat
bloeden bij lichte
aanraking
Menorragie Hevig vaginaal Zeer hevig/langdurig
bloedverlies bloedverlies bij de
menstruatie
Hematomen bloeduitstorting Plek waarbij bloed het
vaatbed verlaat en in het
lichaam ophoopt
Petechiën Puntbloedingen Kleine roodpaarse, niet
wegdrukbare
verkleuringen van de
huid (<3mm)
Purpura Kleinvlekkige Grotere roodblauwe of
huidbloeding paarse vlekken (0,3-1,0
cm)
, Ecchymose Grotere huidbloeding Grote, niet wegdrukbare
verkleuringen van de
huid (>1 cm)
Trombose Vorming bloedstolsel Vorming van 1 of meer
bloedstolsels in een
bloedvat
Embolie Losgschoten Afsluiting van een
bloedstolses bloedvat door een
losgeschoten
bloedstolsel
Pallor Bleke huidskleur Bleekheid van het
gezicht
Dyspneu Kortademigheid Gevoel lucht tekort te
komen
Febris Koorts Temperatuur > 38 C
Nachtzweten - Overmatige transpiratie
in avonduren/nacht
Pruritus Jeuk Onaangename sensatie
die krabben uitlokt
Diagnostisch onderzoek bij aandoeningen van het bloed:
Labaratoriumonderzoek kan bestaan uit: differentiële telling van aantal
bloedcellen (erytrocyten, leukocyten en trombocyten). Bepaling van
hemoglobineconcentratie en het hematocriet. Compleet bloedbeeld.
Stollinsonderzoek bestaat uit bepaling van de geactiveerde partiële
tromboplastinetijd (APTT), de protrombinetijd (PT) en het aantal
trombocyten.
Bij diagnostiek van kwaadaardige ziektes wordt een beenmerguitstrijk
gemaakt d.m.v. een beenmergpunctie (uit bekken of sternum).
Anemie is een te laag aantal erytrocyten of te laag hemoglobine gehalte
(symptoom voor onderliggende aandoening). Risicofactoren zijn:
Bloedverlies bij trauma, menstruatie, bevalling, operatie, bloeding/tumor.
Verminderde opname van voedingsstoffen, bij gebruik van metformine of
protonpompremmers.
Tekort aan voedingsstoffen, bij dieet.
Ziektes.
Zwangerschap.
Erfelijke factoren zoals thalassemieën of sikkelcelziekte.
Symptomen zijn uiting of compensatie van 02 tekort in de weefsels, algemene
klachten zijn moeheid, duizeligheid, hoofdpijn, zwakte en oorseizen. Specifiekere
klachten zijn bleekheid, tachycardie, pijn op de borst, kortademigheid bij
inspanning, flauwvallen, hartfalen, shock, icterus (geelzucht) en donkere urine.
Symptoomgerelateerd aan oorzaak:
Botpijn, wijst op sikkelcelziekte.
Gevoelsstoornissen aan handen en voeten, tekort aan B12.
Bloedingen van spijsverteringsstelsel, melena(zwarte ontlasting) en
hematemesis (rectaal bloedverlies).
Gewichtsverlies, wijst op kanker.
, Diagnostiek gaat in op anamnese, lichamelijk onderzoek (buik, lymfeklieren,
icterus), labonderzoek (Hb, MCV en ferritinegehalte (ijzervoorraad)).
De behandeling is afhankelijk van de oorzaak.
Verpleegkundige aandachtspunten zijn: ondersteunen en voorlichten, meten van
hart- en ademfrequentie, temperatuur, bloeddruk en transcutane
zuurstofsaturatie. Alert zijn op bloedingsverschijnselen.
Verschillende transfusie reacties, risicofactoren zijn:
Voorgeschiedenis, bloedtransfusies en zwangerschappen.
Verminderde afweer.
Fout bij vaststellen bloedgroep.
Bloeddonatie door familielid.
Er zijn twee soorten transfusie reacties (1) niet-hemolytische transfusiereactie,
bloed wordt niet afgebroken (2) hemolytische transfusiereacties, bloed wordt wel
afgebroken.
Soorten niet-hemolytische transfusiereacties:
Niet-hemolytische koortsreactie, ontvanger maakt antistoffen aan tegen
leukocyten/citokinen in donorbloed (ontstekingsreactie met koorts).
Transfusion-related acute lung inury, sprake van antistoffen in donorbloed
tegen leukocyten van ontvanger (longoedeem tot gevolg).
Transfusiegeassocieerde-graft-versus-hostreactie (TA-GvHD),
donorlymfocyten kunnen organen en weefsels van ontvanger aanvallen.
Posttransfusie-infectie is gevolg van overdracht van pathogene micro
organismen via het donorbloed.
Allergische reacties of overvulling.
Bij hemolytische transfusiereacties is er sprake van een immuunrespons door
antistoffen tegen erytrocyten (binnen 24 u vindt hemolyse plaats).
Symptomen bij milde reactie zijn misselijkheid, huiduitslag, jeuk en stijging van
temperatuur <2C..
Symptomen bij ernstige reactie zijn stijging van temperatuur >2 C, koude
rillingen, onrust, ademhalingsproblemen, hypotensie, tachycardie, anurie
(verminderde urineproductie), oedeem en shock tekenen.
Zorgvragers met trombolfilie (verhoogde stollingsneiging) hebben een verhoogd
risico op trombose, kan ook een embolie worden. Risicofactoren zijn:
Erfelijk/aangeboren.
Niet-aangeboren aandoeingen.
Medicatiegebruik, oestrogeen bevatted.
Zwangerschap/kraamperiode.
Trauma/operatie.
Immobilisatie.
Drie factoren die trombose kunnen bevorderen zijn:
1) Schade aan de vaatwand.
2) Veneuze stase/afwijkende bloedstroom
3) Verhoogde stollingsneiging.
Symptomen zijn afhankelijk van de locatie, kan leiden tot veneuze stuwing met
zwalling roodheid en zwarmte. Maar kan ook ingaan op ischemie (02 gebrek) of
uitval. Behandeling gaat in op medicatie.
Diffuse intravasale stolling (DIS) is een syndroom gekenmerkt door systemische
actvatie van stolling. Wordt in gang gezet door cytokinen die vrijkomen bij een
Les 14.01 GNK, Aanmaak van rode bloedcellen tot vorming
trombose.
Anatomie en fysiologie H11.1 t/m 11.6:
Functies bloed:
1) Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en
afvalproducten.
2) Stabiliseren PH en de ionensamenstelling van de interstitiële
vloeistof (vocht tussen cellen).
3) Beperking van vloeistofverlies bij verwonding, proces van
bloedstolling.
4) Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers.
5) Stabiliseren van lichaamstemperatuur.
Vol bloed heeft elementaire fysieke eigenschappen:
Temperatuur (38 C).
Viscositeit (stroperigheid).
pH (bloed is licht basisch met een pH van 7,35 en 7.45).
Vol bloed wordt afgenomen via een venapunctie, omdat (1) makkelijke
lokaliseren van oppervlakkig gelegen venen, (2) wanden van venen dun,
(3) bloeddruk is relatief laag dus snelle genezing.
Bloed uit perifere capillairen wordt verkregen vanuit vingertop, oorlel (of
bij kinderen in de grote teen of hielprik). Bloed hiervan wordt gebruikt voor
een bloeduitstrijkje. Een arteriële punctie (prikken in slagader) is vaak
voor testen van de efficiëntie van gaswisseling (vanuit pols of elleboog).
Bloed bestaat grotendeels uit plasma (plasma-eiwitten, opgeloste stoffen,
water). Drie belangrijkste plasma-eiwitten zijn:
1) Albuminen, handhaven osmotische druk.
2) Globulinen, antistoffen en transporteiwitten. Globulinen betrokken bij
vettransport zijn lipoproteïnen.
3) Fibrinogeen, rol bij bloedstolling.
Antistoffen (immunoglobulinen), vallen lichaamsvreemde eiwitten en
ziekteverwekkers aan.
Rode bloedcellen (erytrocyten) zijn rood doordat ze hemoglobine bevatten
(bindt 02 en C02 en vervoert). Er is sprake van bloedarmoede of anemie
als er minder zuurstof kan worden vervoerd bij een persoon als gevolg van
erytrocyten met weinig hemoglobine, symptomen zijn vroegtijdige
spiervermoeidheid, zwakheid en algemeen gebrek aan energie.
,Bij een standaard bloedonderzoek wordt hematocriet vermeldt (aantal
erytrocyten per microliter bloed). Hematocriet neemt toe bij uitdroging,
neemt af bij inwendige bloeding.
KLINISCHE AANTEKENING - AFWIJKENDE VORMEN VAN HEMOGLOBINE.
Thalassemie ontstaat wanneer iemand te weinig globulaire eiwitten kan
vormen (belangrijk voor opbouw hemoglobine). Mensen met een ernstige
vorm moeten bloedtransfusie krijgen zodat er voldoende erytrocyten zijn.
Sikkelcelanemie (SCA) is het gevolg van mutatie wat invloed heeft op 1
paar van globulaire eiwitten van het hemoglobine molecuul. Als het
afwijkende hemoglobine molecuul genoeg 02 afgeeft reageren de
aangrenzende cellen en veranderen ze van vorm, ze worden stijf en
gebogen. Erytrocyten kunnen ook klem komen te zitten waardoor ze ook
vervormen. Er ontstaat vroegtijdige afbraak van dergelijke cellen wat leidt
tot hemolytische anemie.
Erytrocyten worden hergebruikt. Als ze verouderen/beschadigen scheurt
een deel van de cel (hemolyse). Dit wordt gefiltreerd en met de urine
uitgescheiden, bij afbraak van grote cellen kan urine (rood)bruin worden,
aandoening heet hemoglobinurie.
De vorming van erytrocyten (erytropoëse) vindt plaats in het rode
beenmerg (myeloïde weefsel). Erytrocyten ontstaan door de deling van
hemocytoblasten of hematopoëtische stamcellen (pluripotente stamcellen)
in het rode beenmerg. Erytroblasten zijn onrijpe erytrocyten die
hemoglobine vormen, na 4 dagen ontwikkelen zij zich tot reticylocyten, na
24 uur zijn ze gevormd tot erytrocyten.
Voor erytropoëse moet voldoende vitamine B12 aanwezig zijn, als dit niet
het geval is kunnen stamcellen niet delen en is er pernicieuze anemie
(auto-immuun gastritis).
Erytropoëse wordt gestimuleerd door erytopoëtine (EPO) wordt gevormd
door de nieren en lever. Wordt afgegeven (1) tijdens bloedarmoede, (2)
afname bloedtoevoer naar nieren, (3) afname 02 gehalte in bloed, (4)
beschadiging gaswisselingsoppervlak.
Er zijn 4 bloedgroepen. Als iemand bloed krijgt van een andere bloedgroep
kan er een kruisreactie plaatsvinden (aanval bloedgroepen). De
lichaamsvreemde erytrocyten gaan samenklonteren (agglutinatie).
Bloedgroep A heeft alleen antigeen A.
Bloedgroep B heeft alleen antigeen B.
Bloedgroep AB heeft zowel antigenen A als antigenen B.
Bloedgroep O heeft geen antigeen A en geen antigeen B.
De term resuspositief (Rh+) geeft aan dat het resusantigeen op het
oppervlak van de erytrocyten aanwezig is. Iemand die dit niet heeft wordt
,resusnegatief genoemd (Rh-). Vaak wordt de term resus weggelaten er is
er sprake van O-negatief/positief etc.
KLINISCHE AANTEKENING - HEMOLYTISCHE ZIEKTE VAN EEN PASGEBORENE .
Een kind kan een andere bloedgroep hebben dan beide ouders, als er
tijdens de zwangerschap bloed van de moeder bij het kind komt kan er
erythroblastosis foetalis ontstaan. Dit kan alleen tijdens een tweede
zwangerschap.
KLINISCHE AANTEKENING - TEST VOOR
COMPATIBILITEIT VAN BLOEDGROEPEN .
Twee stappen: 1) bepaling van bloedgroep, 2)
een kruistest.
Leukocyten (witte bloedcellen) helpen lichaam verdedigen. Twee soorten
1) grannulocyten ( neutrofielen, eosinofielen, basofielen) en 2)
agranulocyten (monocyten en lymfocyten)
Leukocyten in het bloed hebben vier kenmerken:
1) In staat tot amoeboïde bewegingen (glijdende).
2) Kunnen bloedstroom verlaten.
3) Aangetrokken door specifieke chemische prikkels (positieve
chemotaxis), leukocyten worden aangetrokken tot binnendringende
ziekteverwekkers en beschadigde weefsels.
4) Neutrofielen, eosinofielen en moncyten zijn in staat tot fagocytose
(afbraak).
Neutrofielen, eosinofielen, basofielen en monocyten dragen bij tot de niet-
specifieke afweer van het lichaam. Lymfocyten zijn van de specfieke
afweer.
Neutrofielen, eerste leukocyten die bij een verwonding aankomen.
Eosinefielen, vallen voorwerpen aan die met anti-stoffen zijn
omgeven.
, Basofielen, migreren naar plaatsen van verwondingen, bevat
heparine (bloedstolling tegengaan) en histamine (bloedvat
verwijding).
Monocyten.
Lymfocyten, vallen lichaamsvreemde cellen direct aan (vorming
noem je lymfopoëse).
Differentiële telling (bloedonderzoek dat het percentage van elk type
witte bloedcel in het bloed bepaalt). Leukopenie betekent dat er minder
leukocyten zijn dan normaal, leukocytose betekent dat er abnormaal
hoge aantalen leukocyten aanwezig zijn, extreme leukocytose duidt
meestal op een vorm van leukemie.
Trombocyten (bloedplaatjes) behoren tot de vaste bloedbestanddelen, ze
hebben geen celkernen. Beenmerg bevat cellen met celkernen die
megakaryocyten worden genoemd, zij geven voortdurend cytoplasma
pakketjes af omgeven door een membraan. Dit zijn bloedplaatjes die de
bloedstroom binnen komen. Zij bevorderen het stollingsproces en helpen
beschadigde bloedvaten afsluiten.
Een afwijkend laag aantal bloedplaatjes is trombocytopenie, meestal
gevolg van overmatige vernietiging van bloedplaatjes of onvoldoende
productie, symptomen zijn bloedingen in spijsverteringskanaal, huid en
incidenteel binnen het CZS. Bij trombocytose is er een overvloed aan
bloedplaatjes, vaak gevolg van toegenomen productie van bloedplaatjes
als reactie op een infectie, ontsteking of kanker.
Pathologie voor verpleegkundigen H7.1 t/m 7.4 en 7.6.2:
Aandoeningen van het bloed :
Symptoom Betekenis Toelichting
Epistaxis Neusbloeding Acute bloeding uit 1 of
beide neusgaten
Gingivale bloeding Bloedend tandvlees Tandvlees dan gaat
bloeden bij lichte
aanraking
Menorragie Hevig vaginaal Zeer hevig/langdurig
bloedverlies bloedverlies bij de
menstruatie
Hematomen bloeduitstorting Plek waarbij bloed het
vaatbed verlaat en in het
lichaam ophoopt
Petechiën Puntbloedingen Kleine roodpaarse, niet
wegdrukbare
verkleuringen van de
huid (<3mm)
Purpura Kleinvlekkige Grotere roodblauwe of
huidbloeding paarse vlekken (0,3-1,0
cm)
, Ecchymose Grotere huidbloeding Grote, niet wegdrukbare
verkleuringen van de
huid (>1 cm)
Trombose Vorming bloedstolsel Vorming van 1 of meer
bloedstolsels in een
bloedvat
Embolie Losgschoten Afsluiting van een
bloedstolses bloedvat door een
losgeschoten
bloedstolsel
Pallor Bleke huidskleur Bleekheid van het
gezicht
Dyspneu Kortademigheid Gevoel lucht tekort te
komen
Febris Koorts Temperatuur > 38 C
Nachtzweten - Overmatige transpiratie
in avonduren/nacht
Pruritus Jeuk Onaangename sensatie
die krabben uitlokt
Diagnostisch onderzoek bij aandoeningen van het bloed:
Labaratoriumonderzoek kan bestaan uit: differentiële telling van aantal
bloedcellen (erytrocyten, leukocyten en trombocyten). Bepaling van
hemoglobineconcentratie en het hematocriet. Compleet bloedbeeld.
Stollinsonderzoek bestaat uit bepaling van de geactiveerde partiële
tromboplastinetijd (APTT), de protrombinetijd (PT) en het aantal
trombocyten.
Bij diagnostiek van kwaadaardige ziektes wordt een beenmerguitstrijk
gemaakt d.m.v. een beenmergpunctie (uit bekken of sternum).
Anemie is een te laag aantal erytrocyten of te laag hemoglobine gehalte
(symptoom voor onderliggende aandoening). Risicofactoren zijn:
Bloedverlies bij trauma, menstruatie, bevalling, operatie, bloeding/tumor.
Verminderde opname van voedingsstoffen, bij gebruik van metformine of
protonpompremmers.
Tekort aan voedingsstoffen, bij dieet.
Ziektes.
Zwangerschap.
Erfelijke factoren zoals thalassemieën of sikkelcelziekte.
Symptomen zijn uiting of compensatie van 02 tekort in de weefsels, algemene
klachten zijn moeheid, duizeligheid, hoofdpijn, zwakte en oorseizen. Specifiekere
klachten zijn bleekheid, tachycardie, pijn op de borst, kortademigheid bij
inspanning, flauwvallen, hartfalen, shock, icterus (geelzucht) en donkere urine.
Symptoomgerelateerd aan oorzaak:
Botpijn, wijst op sikkelcelziekte.
Gevoelsstoornissen aan handen en voeten, tekort aan B12.
Bloedingen van spijsverteringsstelsel, melena(zwarte ontlasting) en
hematemesis (rectaal bloedverlies).
Gewichtsverlies, wijst op kanker.
, Diagnostiek gaat in op anamnese, lichamelijk onderzoek (buik, lymfeklieren,
icterus), labonderzoek (Hb, MCV en ferritinegehalte (ijzervoorraad)).
De behandeling is afhankelijk van de oorzaak.
Verpleegkundige aandachtspunten zijn: ondersteunen en voorlichten, meten van
hart- en ademfrequentie, temperatuur, bloeddruk en transcutane
zuurstofsaturatie. Alert zijn op bloedingsverschijnselen.
Verschillende transfusie reacties, risicofactoren zijn:
Voorgeschiedenis, bloedtransfusies en zwangerschappen.
Verminderde afweer.
Fout bij vaststellen bloedgroep.
Bloeddonatie door familielid.
Er zijn twee soorten transfusie reacties (1) niet-hemolytische transfusiereactie,
bloed wordt niet afgebroken (2) hemolytische transfusiereacties, bloed wordt wel
afgebroken.
Soorten niet-hemolytische transfusiereacties:
Niet-hemolytische koortsreactie, ontvanger maakt antistoffen aan tegen
leukocyten/citokinen in donorbloed (ontstekingsreactie met koorts).
Transfusion-related acute lung inury, sprake van antistoffen in donorbloed
tegen leukocyten van ontvanger (longoedeem tot gevolg).
Transfusiegeassocieerde-graft-versus-hostreactie (TA-GvHD),
donorlymfocyten kunnen organen en weefsels van ontvanger aanvallen.
Posttransfusie-infectie is gevolg van overdracht van pathogene micro
organismen via het donorbloed.
Allergische reacties of overvulling.
Bij hemolytische transfusiereacties is er sprake van een immuunrespons door
antistoffen tegen erytrocyten (binnen 24 u vindt hemolyse plaats).
Symptomen bij milde reactie zijn misselijkheid, huiduitslag, jeuk en stijging van
temperatuur <2C..
Symptomen bij ernstige reactie zijn stijging van temperatuur >2 C, koude
rillingen, onrust, ademhalingsproblemen, hypotensie, tachycardie, anurie
(verminderde urineproductie), oedeem en shock tekenen.
Zorgvragers met trombolfilie (verhoogde stollingsneiging) hebben een verhoogd
risico op trombose, kan ook een embolie worden. Risicofactoren zijn:
Erfelijk/aangeboren.
Niet-aangeboren aandoeingen.
Medicatiegebruik, oestrogeen bevatted.
Zwangerschap/kraamperiode.
Trauma/operatie.
Immobilisatie.
Drie factoren die trombose kunnen bevorderen zijn:
1) Schade aan de vaatwand.
2) Veneuze stase/afwijkende bloedstroom
3) Verhoogde stollingsneiging.
Symptomen zijn afhankelijk van de locatie, kan leiden tot veneuze stuwing met
zwalling roodheid en zwarmte. Maar kan ook ingaan op ischemie (02 gebrek) of
uitval. Behandeling gaat in op medicatie.
Diffuse intravasale stolling (DIS) is een syndroom gekenmerkt door systemische
actvatie van stolling. Wordt in gang gezet door cytokinen die vrijkomen bij een